Orgaandonatie - een zaak van leven en dood  (hoofdpagina)

Recensie door dr. Frans Kusse, in het Tijdschrift voor Integrale Geneeskunde (augustus 2022)   -   PDF


   Orgaandonatie kwam al eerder dit jaar op mijn weg bij een lezing over dit onderwerp en in het verleden had het onderzoek van Pim van Lommel mij al aan het denken gezet. Vóór die tijd ging ik ervan uit dat er door onze overheid en door de medisch deskundigen wereldwijd goed over na was gedacht en dat het begrip ‘hersendood’ een duidelijk en onomstreden criterium was voor ‘dood’.
   Het boek ontving ik op een vrijdag en mede dankzij de vlotte schrijfstijl en door de aangrijpende verhalen had ik het boek in hetzelfde weekend al bijna uit. Mijn eerste reactie: onbegrijpelijk dat er niet veel meer openlijke discussie is over orgaandonatie en dat de wet (de Wet op de Orgaandonatie: ‘Ja, tenzij’, 13 september, Pia Dijkstra D66) er doorheen gekomen is, waardoor mensen (vanaf 16 jaar) die geen antwoord hebben gegeven op de vraag om wel of geen donor te willen zijn, automatisch als donor worden beschouwd. Op dit moment heeft ongeveer een kwart van de Nederlanders (nog) geen antwoord gegeven op deze vraag en van de 75% die wel antwoord heeft gegeven heeft 25% ‘ja’ geantwoord (en dus 50% ‘nee’).
   Ik hoop dat dit boek alsnog een brede discussie op gang brengt, waarbij alle deskundigen, dus ook ervaringsdeskundigen, aan het woord komen, en deze wet opnieuw onder de loep wordt genomen. Zoals bij alle medische behandelingen hoort ook bij orgaandonatie informed consent toegepast te worden, dat wil zeggen: alleen een behandeling toepassen als de betrokkene volledig en juist is geïnformeerd en alleen als op basis van die kennis uitdrukkelijk toestemming is gegeven.
   Het boek Orgaandonatie begint met de eigen ervaring van Ruud van der Ven als coassistent. Hij wordt op de afdeling neurologie gevraagd om iedere tien minuten de pols en de bloeddruk te meten bij een jonge vrouw die daar in coma ligt met een hersenbeschadiging ten gevolge van een ernstig verkeersongeluk. Hij beschrijft de tijd die hij naast haar zit als ‘vervreemd’, een ‘niet meer te behandelen’ jonge vrouw, die er ogenschijnlijk nog heel levend uitziet terwijl zij beademd wordt. Hij is er ontdaan van. Hoe het verder is afgelopen met deze vrouw heeft hij niet vernomen.
   In dit boek komen alle aspecten van orgaandonatie aan de orde, vanuit het perspectief van de (familie van de) donor - Van der Ven geeft een realistisch verslag van de gang van zaken - en vanuit de ontvanger, de zieke mens die zonder dit orgaan niet in leven kan blijven. De geschiedenis van orgaandonatie wordt uitvoerig beschreven. Aanleiding was de eerste harttransplantatie in 1967. In 1968 werd het begrip ‘onherstelbaar coma’ in zeer korte tijd en zonder uitgebreid wetenschappelijk onderzoek veranderd in ‘hersendood’, waarmee het mogelijk werd organen ‘te oogsten’ uit een lichaam dat voor een groot deel in leven werd gehouden en beademd. De eerste jaren was afstoting van organen een groot probleem, maar door de ontdekking van ciclosporine (1977) werd dit probleem opgelost. Sindsdien heeft orgaantransplantatie een enorme vlucht genomen.
   Helaas constateert Van der Ven dat er wereldwijd ook orgaanhandel plaatsvindt die zich onttrekt aan overheidstoezicht en waarbij heel veel geld wordt verdiend, naast het ‘geknoei’ met diagnoses om allerlei redenen dat tot een groot schandaal leidde.
   De vraag is en blijft: wanneer is iemand écht dood, en is hersendood ‘dood’? Na een uitleg over de definitie en operatie van donatie na hersendood (DBD) en donatie na circulatiestilstand (DCD) stelt Van der Ven de vraag: is iemand echt dood als het grootste deel van het lichaam nog leeft? Hij wijst erop dat potentiële donoren ook na de diagnose ‘hersendood’ alsnog bijkwamen en volledig herstelden! Er zijn getuigenissen van mensen die precies na konden vertellen wat er gebeurde tijdens hun diepe coma en hoe zij tevergeefs probeerden te reageren (‘NEE!’) toen er werd gesproken over orgaandonatie.
   Een andere belangrijke vraag, die moeilijk te beantwoorden is: wanneer verdwijnt het bewustzijn uit het lichaam? Er zijn veel aanwijzingen dat het stervensproces veel langer duurt dan de vijf minuten hartstilstand, o.a. door het werk van Pim van Lommel (Near-death experience in survivors of cardiac arrest: a prospective study in the Netherlands) en volgens veel oude tradities kan het stervensproces zelfs dagen duren.
   Van der Ven pleit ervoor om veel betere zorg te geven aan mensen met een hersenletsel - en hen niet direct als mogelijke donor te beschouwen - en noemt daarbij veel technieken en gezondheid bevorderende behandelingen die de kans op volledig herstel kunnen vergroten.
   Collega Van der Ven gaat in een van de hoofdstukken dieper in op zijn eigen geloofsovertuiging en bijbelse overwegingen, goed gescheiden van de overigens zeer uitgebreid onderbouwde wetenschappelijke feiten.
   Als positieve uitzondering op bovenstaande bezwaren tegen orgaandonatie noemt hij het doneren van organen bij leven, zoals het schenken van een nier aan een naaste.
   Hij heeft goed onderzoek gedaan naar de uiteindelijke resultaten van orgaandonatie en de kwaliteit van leven van de ontvangers. Deze resultaten zijn helaas lang niet altijd gunstig. Ook noemt hij alternatieven voor orgaandonatie - de techniek heeft zich ook op dit gebied verder ontwikkeld - die ethisch gezien minder problemen opleveren, waarbij het probleem van afstoting minder vaak op zal treden en daardoor ook minder medicatie vereist, medicatie die zeer vervelende bijwerkingen kan hebben.
   Ruud van der Ven heeft met dit boek een knap stuk werk geleverd en een bron gecreëerd waaruit iedereen, zowel arts als leek, kan putten die de vraag moet beantwoorden of hij/zij wel of geen donor wil zijn.


Recensie door drs. W. J. A. Pijnacker Hordijk (docent godsdienst), voor Promise Magazine (27 april 2022)


   De overrompelende vraag om orgaandonatie is wel de meest ongelukkige vraag op het meest ongelukkige moment (op de grijze grens van leven en dood) aan de meest ongelukkige familie. Voormalig huisarts, auteur en theoloog Ruud van der Ven vraagt zich af hoe wij na 100 of 200 jaar zullen terugkijken op dit tijdperk van transplantatiegeneeskunde: als een heroïsch tijdperk of als een zijweg van de geneeskunde die we uiteindelijk verlaten hebben?
   Dit uitgebreid gedocumenteerde boek schudt ons wakker, maar van der Vens oorspronkelijke studie, die ten grondslag ligt aan zijn boek, is nog wetenschappelijker en uitgebreider. Hij concludeert dat het publiek eenzijdig en verkeerd voorgelicht wordt, en zijn forse boek biedt niet alleen een noodzakelijk, maar ook een levensbelangrijk tegenwicht.
   Van der Ven begint zijn boek met een gefingeerd maar realistisch voorbeeld uit de wereld van de orgaandonatie, geënt op ware informatie van praktijkcasussen vol van dilemma’s.
   De schrijver verweert zich tegen de eenzijdige en veel te rooskleurige informatie ten aanzien van orgaandonaties, die onvolledig en soms onjuist is. Volgens de auteur wordt er veel te weinig gedaan om de donor te beschermen en vreest hij een verdere commercialisering van de orgaandonatie. De kosten hiervoor zijn gigantisch, terwijl lang niet alle patiënten in de wereld toegang hebben tot gezondheidszorg.
   De een zijn dood (…). Een patiënt die een orgaan nodig heeft, hoopt dat spoedig een donor overlijdt zodat hij zelf kan verder leven, hoewel hij nooit echt genezen zal zijn en dus een patiënt blijft wiens leven alleen maar gerekt is. De rest van zijn leven zal hij medicijnen moeten slikken, o.a. omdat zijn lichaam het vreemde orgaan blijft proberen af te stoten.
   Als een kerk orgaandonatie beschouwt als een teken van naastenliefde, is dat niet alleen manipulatief, maar ook discutabel. Is de donor zich wel bewust van het feit dat hij bij gebrek aan verdoving bij zijn donatie pijn lijdt en dat hij zijn leven inderdaad in eenzaamheid opoffert voor een ander? Commerciële belangen en belangen zoals status en eer van de chirurg spelen ook een grote rol. Een arts die organen uit de donor haalt, handelt dan niet naar de door hem afgelegde eed van Hippocrates: geen kwaad doen aan de patiënt. De apneutest (dat is een medisch onderzoek om te kijken of een beademde patiënt nog spontane ademhalingsactiviteit vertoont) bijvoorbeeld is heel schadelijk voor een patiënt en het uitnemen van een hart voor transplantatie is voor de donor uiteindelijk dodelijk …


Hersendood

   De traditionele eigenschappen (zoals geen hartslag, geen ademhaling, geen pupilreflex, het lichaam voelt koud aan, lijkstijfheid, lijkvlekken enz.) van een overleden persoon zijn vervangen door een nieuw doodscriterium: de hersendood. De auteur verwerpt dit criterium met klem en onderbouwt zijn mening met een lawine aan medische feiten, die voor niet-medisch onderlegden niet altijd te volgen zijn. Het moet wel tot nadenken stemmen dat medische deskundigen het onderling lang niet eens zijn in het beantwoorden van de cruciale vraag wanneer iemand precies echt dood is. Er blijken maar liefst meer dan veertig verschillende hersendoodcriteria te worden gehanteerd! Sterven is een fluïde proces. Er zijn levende spiercellen gevonden in lijken die al 2,5 weken dood waren. Hoe bestaat het dat een zwanger lijk wel een levend kind kan voortbrengen? Hersendoden kunnen wel waarnemen, maar niet communiceren en blijken na dagen weer tot leven te kunnen komen. Mensen met een hulpmiddel als een pacemaker, dialyse- en beademingsapparaat, kunsthart enz., zijn ook nog steeds levende mensen, net zo goed als slapende mensen en mensen zonder hersenfunctie. Bovendien zijn mensen reanimeerbaar.
   Alleen een levend persoon kan beademd worden, een stoffelijk overschot niet. Een stoffelijk overschot dat beademd wordt, wordt opgeblazen! De heftige reacties van zogenaamd dode patiënten bij de uitname van hun organen zijn analoog aan de heftige reacties van embryo’s bij abortus provocatus en wijzen erop dat het ten minste waarschijnlijk is dat de ‘hersendoden’ iets kunnen waarnemen. We kunnen hersendood beter hersenfalen noemen.


Mensbeeld

   Een orgaandonor wordt gereduceerd tot een beademd stoffelijk overschot en een reserveonderdelendepot. Zo is er sprake van een materialistisch, reductionistisch mensbeeld: een lichaam bevat allerlei reserveonderdelen voor de recycling. Niet voor niets wordt familieleden van een orgaandonor sterk afgeraden om hun dode nog een keer te zien …
   Indrukwekkend is de beschrijving van de uiterst complexe levende cel. Geniaal! Wat een bewonderenswaardig groot geloof moet iemand hebben om vol te houden dat dit gewoon spontaan en vanzelf ontstaan is.


Veelzijdig

   Het boek is vanuit de donor, de familie van de donor, de ic-verpleegkundigen en ic-artsen (die vaak zelf geen donor willen zijn …) geschreven. Ook schenkt de auteur aandacht aan alternatieven voor orgaandonatie, zoals een kunsthart, een steunhart, kunstalvleesklier (deze kunstorganen worden niet afgestoten) en de inzet van stamcellen.


Conclusie

   Kortom, dit degelijke en voorwaar levensbelangrijke boek met onthutsende feiten is een must ter heroverweging voor alle voorstanders die zich al als donor hebben aangemeld, zoals D66, met als boegbeeld Pia Dijkstra. Maar ook de twijfelaars en onverschilligen ten aanzien van orgaandonatie doen er verstandig aan om tijdig kennis te nemen van de in dit boek opgesomde consequenties. Kortom, lees dit boek vóórdat je actief of passief een orgaandonor blijkt te zijn.


Recensie door Hubert Luns, voor deze website (15 februari 2022)  -   PDF

   Drs. Ruud van der Ven is oud-huisarts, ex-natuurarts en theoloog. Hij was docent aan de Evangelische Theologische Hogeschool en de Evangelische Toerustingsschool. Hij verzorgt lezingen en spreekbeurten over onderwerpen rond geloof en gezondheid. Hij heeft verschillende boeken op zijn naam staan, zoals de wetenschappelijke publicatie Complementaire en alternatieve zorg in de Nederlandse ziekenhuizen: beschrijving van een ontwikkeling.

   Aan de basis van Orgaandonatie staat een wetenschappelijke uitgave, maar om het toegankelijk te maken voor een breder publiek is voor deze opzet gekozen. Het is zo geschreven dat niet alleen iemand die normaliter geen betrokkenheid heeft bij het ziekenhuiswezen zich hierin thuisvoelt, maar ook artsen, verplegend personeel, ja zelfs mensen uit het universitaire milieu. Want alles kan worden geverifieerd aan de hand van meer dan honderd pagina’s referenties. Het taalgebruik is onderkoeld. De feiten spreken voor zich. Terecht zegt de schrijver dat de transplantatiegeneeskunde met levende organen (van mens of dier) een voorbijgaande fase is en de professie na 55 jaar praktijk niet anders dan tot de conclusie moet komen dat de verkeerde weg is bewandeld, al was het op grond van de vaststelling dat een getransplanteerd orgaan altijd als lichaamsvreemd wordt erkend met alle complicaties van dien, waardoor de ontvanger een lage levenskwaliteit heeft en soms verzucht: ‘Was ik er maar nooit aan begonnen.’ En de levensverwachting is na transplantatie zeer beperkt. De succesverhalen die in de krant komen, zijn hoogst uitzonderlijk en niet maatgevend. En dan hebben we het niet eens over het feit dat het mensen vergund moet zijn om op een waardige manier te sterven.

   De discussie rond orgaandonatie laaide weer hoog op in Nederland. De nieuwe wet sedert 1 juli 2020 houdt in dat wanneer iemand geen keuze in het landelijke Donorregister vastlegt, dit automatisch leidt tot een ‘geen bezwaar’-registratie. Desondanks bestaat er ruimte voor de partner of familie om in samenspraak met de artsen tot een andere beslissing te komen. De Nederlandse kerken, inclusief die van de gereformeerde gezindte, staan positief ten opzichte van de verworvenheden van de transplantatiegeneeskunde. Er zijn ook andere geluiden uit kerkelijke hoek, maar dat zijn uitzonderingen. Opmerkelijk is dat soms zware kritiek vanuit de medische professie komt en van toonaangevende medische ethici (professoren). Te denken geeft dat mensen die zelf betrokken zijn bij transplantaties zich vaak niet beschikbaar stellen. Slechts 57 procent van de artsen en verpleegkundigen zou zich in een noodgeval laten explanteren. Daarentegen zou 85 procent van de bevolking dit doen.

   Dit boek probeert klaarheid te brengen in deze zaak van leven en dood. Het is een wereldprimeur in termen van volledigheid, want nog nooit eerder is een publicatie verschenen waarin alle facetten van orgaandonatie besproken worden. En dat wordt telkens met zeer overtuigende argumenten gedaan en goed onderbouwd, een onvoorstelbare prestatie waarvoor we Ruud van der Ven dankbaar mogen zijn. Dit boek is het is waard om in het Engels te worden vertaald. Het is een ‘evergreen’. Jazeker, het belooft een klassieker te worden. Ik hoop dat ook politici hier kennis van nemen en dat de wet op orgaandonatie spoedig zal worden herzien, want het is niet alles goud wat er blinkt.

   Het zou mij verbazen als iemand na lezing van dit boek zich nog graag als donateur beschikbaar stelt of zijn kind daartoe beschikbaar stelt na bijvoorbeeld een verkeersongeval. Het is dramatische literatuur voor iemand die in het verleden een geliefde of naast familielid overgegeven heeft zien worden voor een zogenaamde uitnameoperatie: ‘Als ik dat had geweten! Maar de coördinerend arts had mij toch van alle ins en outs op de hoogte gebracht!?’ Ja, maar een zeer kostbaar transplantatieteam stond al klaar, en om de familieleden gerust te stellen en de vereiste toestemming te verkrijgen, wordt routinematig onvolledige en onjuiste informatie verstrekt. De witte doktersjas blijkt gerafeld, en niet zo’n klein beetje ook.

   De kern van de zaak is dat levende organen gebruikt moeten worden om in een ander lichaam te kunnen worden overgebracht. Een dood orgaan is nergens goed voor. Toen Christian Barnard in 1967 de eerste harttransplantatie deed, was nodig de wet aan te passen omdat volgens de toen heersende juridische termen een levend persoon werd vermoord tijdens de uitnameoperatie, en de chirurg vervolgd kon worden. Heel spoedig werd toen een artificiële definitie voor de dood vastgesteld: hersendood, en later werd daar hartstilstand aan toegevoegd waarna de patiënt tot lijk was gereduceerd. Vervolgens werd het lichaam aan de beademing gelegd en het hart weer op gang gebracht. Echter, een dood lichaam kan niet beademd worden, want zoiets wordt alleen maar opgepompt (daar hoef je niet voor te hebben gestudeerd om dat te begrijpen). Zegt Van der Ven (p. 107): ‘Alleen met de traditionele duizenden jaren oude criteria die met het gezonde menselijke verstand overeenstemmen - namelijk de volkomen instorting van alle vitale functies - kunnen we de dood vaststellen. En dus is iemand na een hartstilstand bij een DCD-donor (Donation after Circulatory Death) die nog te reanimeren is na de 5 minuten ‘no touch’-tijd, niet dood te verklaren. Het leven is nog in hem, en dus ook zijn ziel, want hij is nog te reanimeren. Hij moet nog sterven, en dat doet hij tijdens de uitnameoperatie.’

   Wat het hersendoodcriterium betreft is onze kennis sinds 1967 dienaangaande reusachtig verbeterd. Wat blijkt: hersendood is helemaal niet dood, maar een levensbedreigende neurologische situatie. Iemand kan officieel hersendood zijn, maar toch contact houden met de buitenwereld. Hij wil roepen: ‘Hier ben ik!’, maar hij kan het niet. Hij verkeert in een ‘winterslaap’, meestal in gang gezet door een verminderde bloedtoevoer. Het lichaam is een totaliteit en de persona is meer dan de hersenen. De ziel is drager van de persona en het is door de ziel dat iemand functioneert, denkt en ziet. Hoe vaak gebeurt het niet dat iemand tijdens een operatie onder volledige narcose waarneemt wat er gezegd en gedaan wordt, tot in de kleinste details!

   In principe is de diagnose hersendood omkeerbaar en vaak te voorkomen wanneer een gerichte behandeling wordt gegeven met o.a. hormonen en lichte onderkoeling van het lichaam, maar volgens de huidige protocollen mogen die niet gebruikt worden omdat daardoor het donorpotentieel daalt. Het niet reageren op impulsen bewijst geen onherstelbare schade en zelfs indien de hersenen niet meer tot bewustzijn gereanimeerd kunnen worden, zoals destijds met Mia Versluis (een uitzonderlijk geval wegens de lange duur van het coma: 1966-1971), nemen de hersenen samen met de hersenstam nog deel aan de vitale functies van het lichaam en behoren pijnervaringen tot de normale mogelijkheden. Een zogenaamd doodverklaard iemand kan enorm lijden tijdens de uitnameoperatie. Dat is zo duidelijk dat de omstanders daar vaak vreselijke nachtmerries aan overhouden. Als de hersens echt dood zijn, volgt de biologische dood bijna onmiddellijk (zoals bij onthoofding), maar dan is het lichaam ongeschikt als orgaandonor. Als daar verschijnselen bijkomen van wijde, lichtstijve en vervormbare pupillen, lijkstijfheid, lijkvlekken en ontbinding, dan is er geen enkele twijfel meer. Iemand die erbij staat, ziet ‘het breken van de ogen’, het licht verdwijnt uit iemands ogen, het leven vloeit weg. Het lichaam is koud en bewegingloos. Dat is de eindfase. Het sterven is een proces en dat proces is nog niet goed bekend. Het is mogelijk dat iemand meer dan een uur onder het ijs gelegen heeft en toch restloos herstelt zonder enige hersenbeschadiging. Daarom wordt onderscheid gemaakt tussen klinische dood en biologische dood. Het is inderdaad een zaak van leven en dood!


Recensie door Anne Nijburg (15 februari 2022) voor het Logos Instituut   -   web


Introductie orgaandonatie

   Het is te beschouwen als een zaak tussen leven en dood. Bijna een vorm van touwtrekken. Touwtrekken tussen burgers en overheid, tussen patiënten en medici, tussen dood en leven. Touwtrekken om organen binnen te slepen op het moment dat het leven aan een zijden draadje hangt. Orgaandonatie houdt en hield de gemoederen de afgelopen jaren bezig. Alle 18-plussers in Nederland hebben van de overheid tweemaal een schrijven ontvangen waarin burgers worden opgeroepen zich in te schrijven in het Donorregister.


Wat is er aan de hand?

   De overheid, via het ministerie van VWS, wil dat iedereen een keuze maakt en erover praat - praat over orgaandonatie. ‘Uw familie en de mensen om u heen weten dan of u wel of geen donor wilt worden’, zo staat op de site van het ministerie te lezen. Maar je maakt hoe dan ook een keuze, of je wilt of niet, praat of niet. Feitelijk wordt iedereen gedwongen een keuze te maken. Niet kiezen is namelijk toch kiezen, kiezen voor: geen bezwaar tegen orgaandonatie.
   Oftewel: iedereen in Nederland (18+) heeft geen bezwaar en is dus feitelijk orgaandonor, tenzij je aangeeft dat je dat niet wilt. Dus op deze manier kiest de overheid voor de burgers, want vul je niks in, in het donorregister, dan staat er ‘geen bezwaar’ in het register. Dat betekent dan dat je organen na het overlijden naar een patiënt kunnen gaan die ze nodig heeft. De familie moet dan wel van heel goede huizen komen, wil men die donatie kunnen tegenhouden.


Doel van orgaandonatie

   In Nederland wachten meer dan 1000 mensen op een orgaan, zo stelt het ministerie. Orgaandonatie kan zo’n 800 mensen per jaar helpen. Dat betekent dat de wachtlijsten voor transplantatie groeien. Dus zijn er meer donoren nodig. Vandaar waarschijnlijk die actie van de overheid om meer donoren te regelen. Orgaan- en/of weefseldonatie, gebeurt volgens de overheid zorgvuldig. Men stelt de hersendood vast en na 4-12 uur kunnen organen worden uitgenomen. Als het hart niet meer klopt en de bloedsomloop is gestopt is er minder tijd. En dan rijzen vragen als: Wat is dood? Voel ik nog wat als ik hersendood ben? De twijfel slaat toe … en dan verschijnt het boek Orgaandonatie van Ruud van der Ven.


Boek Orgaandonatie

   Ruud van der Ven is oud-huisarts, ex-natuurarts en theoloog. Hij heeft verschillende boeken geschreven over onder meer alternatieve geneeswijzen en zorg in Nederland. In het verlengde van deze boeken komt nu het boek Orgaandonatie uit. Van der Ven blijkt zijn huiswerk en onderzoek goed te doen, zo blijkt uit zijn boek. Het werk neigt naar een wetenschappelijke beschouwing van orgaandonatie, gezien de 525 voetnoten, 114 pagina’s met referenties of verwijzingen en de vele medische termen waar de leek soms wel een (medisch) woordenboek voor nodig heeft. De auteur gaat in op de vele vragen van de twijfelaars. Het is een boek waar je echt voor moet gaan zitten; dit kun je niet op je nachtkastje leggen en gaan lezen voor het slapen gaan om je te ontspannen.


Nieuwe geneeskunde

   Allereerst schrijft Van der Ven over de grote veranderingen in de geneeskunde. Het waren met name de ontwikkeling van de beademingsmachine en de reanimatie in de jaren ’60 die zorgden voor een revolutionair kantelpunt in de geneeskunde. De levensverwachting nam enorm toe, verdubbelde bijna. In die jaren ontwikkelde zich ook een nieuwe loot aan de medische stam: de transplantatiegeneeskunde. Allereerst wijst Van der Ven erop dat twee Franse neurologen in 1959 al spraken over een coma dépassé, een onherstelbaar coma. Later werd dit ‘hersendood’ genoemd.
   Daarnaast was het Christian Barnard die op 3 december 1967 als eerste hartchirurg een harttransplantatie uitvoerde. Het hart van een diep comateuze jonge vrouw, als gevolg van een ernstig verkeersongeval, werd overgeplaatst in het lichaam van een oudere man. Maar het hart van de jonge vrouw klopte nog normaal. Was hier soms sprake van moord? Jaren later openbaarde de broer van de hartchirurg het geheim: het hart van de vrouw werd door middel van een injectie tot stilstand gebracht. Dit is in feite actieve euthanasie. Een Amerikaanse commissie introduceerde het concept en definieerde: bij onherstelbare coma’s is er sprake van hersendood. Het hart kan blijven kloppen, dat is goed voor de organen die gaan worden geoogst. Medisch en juridisch is de patiënt dood.


Wat is dood?

   ‘Ben ik wel dood als ik donor ben?’, is één van de prangende vragen op de site van VWS. Het antwoord van de overheid is: ‘Jazeker. Organen en weefsels worden pas uitgenomen als artsen 100% zeker zijn dat iemand is overleden. Het vaststellen van de dood gebeurt volgens strenge regels. En door meerdere artsen.’ Van der Ven schrijft: ‘De dood werd traditioneel-medisch en juridisch eeuwenlang gekenmerkt door het permanente einde van de lichamelijke functies, in het bijzonder de ademhaling en de hartslag. Op medische en juridische basis werd een nieuw doodscriterium geïntroduceerd: de hersendood.’
   Vanaf die tijd zijn er dus medisch en juridisch twee soorten dood te onderscheiden. Dood na circulatiestilstand en hersendood. Dit onderscheid was een grote doorbraak voor de transplantatiegeneeskunde. De traditionele dood, waarbij het hart stil gaat staan, er geen pols en ademhaling meer zijn en lijkvlekken verschijnen op een koud en star lichaam, is duidelijk voor iedereen. Bij de hersendood klopt het hart nog, is er bloedruk en andere lichaamsfuncties werken nog. Dat is dus winst voor de kwaliteit van de organen die uitgenomen gaan worden.


Paradigmaverschuiving

   De medische wereld had en heeft goede en doorbloede organen nodig voor transplantatie. De oude definitie van ‘dood’ heeft nadelige gevolgen voor het verkrijgen van die goede organen. De nieuwe definitie werd ingegeven door belangen van de transplantatiegeneeskunde: hersendood. In een opvallende passage maakt de auteur duidelijk hoe de eerste paradigmaverschuiving, een verandering van denken, werd beïnvloed door een geheim CIA-project, waarbij gebruik gemaakt werd van de ervaringen in concentratiekampen als Dachau.
   Hersendood werd gezien als het lijk met het kloppende hart. Door anders te definiëren, werden begrippen als ‘dood’ en ‘leven’ met andere ogen bekeken. De tweede paradigmaverschuiving heeft te maken met de voorbereidende handelingen om organen te verbeteren. Handelingen die plaatsvinden in en aan het lichaam van de hersendode mens, waar het hart nog van klopt en die aan de beademing ligt.


De feiten

   De vraag is nu of ‘hersendood’ wel echt dood is. Van der Ven komt met 4 onderbouwde argumenten of feiten, waaruit blijkt dat een lijk niet te beademen is. Allereerst stelt hij vast dat een ‘beademd stoffelijk overschot’ zichzelf tegenspreekt. Als iemand dood is, is er sprake van een stoffelijk overschot en dat kan begraven of gecremeerd worden. Ten tweede vertonen ‘hersendoden’ volop levensverschijnselen die bij een dode niet vast te stellen zijn. Dus leeft de persoon nog. In de derde plaats overlijdt een hersendode niet binnen een week. Na een ongeval kunnen hersenen zijn uitgeschakeld ter bescherming. Ten slotte is er bij hersendood geen sprake van een totale uitval van de hersenen, de hersenstam en het verlengde merg. Oftewel: onderzoek toont aan dat veel ‘hersendode’ patiënten nog steeds enige hersenfuncties behouden. Daarom voldoen zij niet aan het gehele brein criterium van ‘dood’. De diagnose ‘hersendood’ blijkt niet solide te zijn. Theologisch en ethisch kleven er duidelijk bezwaren aan de diagnose. Dit is mooi verwoord door de Duitse artsenverenigingen, die onder meer schreven: ‘Gij zult (stervenden) niet doden, gij zult niet de onwaarheid vertellen (‘totes Leben gibt es nicht’), gij zult niet begeren uws naasten goed (orgaan).’ Eén van de voorbeelden is het groeiend aantal ‘hersendoden’ die dankzij het weigeren van orgaandonatie nog springlevend zijn. Ook noemt de schrijver vele voorbeelden van hersendode patiënten die van alles voelden en konden navertellen wat er in de operatiekamer gebeurde en bij wie de uitname uiteindelijk niet doorging. De familie moet dan wel van heel goede huizen komen, wil men die donatie kunnen tegenhouden.


Aanbeveling

   Veel van het geboden in het boek Orgaandonatie maakt duidelijk dat de overheid in de wervingsacties en de voorlichting, verzuimd alle informatie te geven. Er wordt niet gesproken over het feit dat ‘hersendode’ patiënten nog wel degelijk in leven zijn. De wet kan wel zeggen dat iemand dood is, maar de feiten liggen anders. In feite gaan patiënten twee keer dood. De eerste keer bij de hersendoodverklaring, de tweede keer dood nadat de organen zijn verwijderd en het kloppende hart is uitgenomen. Mensen kunnen dus levend dood zijn. Het verdient aanbeveling de keuze, via het donorregister, nog eens tegen het licht te houden.


Ten slotte

   Ruud van der Ven behandelt in zijn boek nog veel meer aspecten van orgaandonatie. Zo houdt hij orgaandonatie tegen het licht van de Bijbel. Ook behandelt hij mogelijke interventies bij mensen met ernstig hersenletsel.

   Ten slotte biedt hij alternatieven voor orgaandonatie. Hij concludeert dat niet alles is gedaan voor de potentiële donor en gaat voor échte geneeskunde.