Wat is de mens? Adam, alien of aap?  (hoofdpagina)

Boekbespreking door Pieter de Boer in Sophie, 8e jaargang nr. 4 - augustus 2018

   De auteur, emeritus hoogleraar materiaalkunde in Londen, ging in zijn vorige boek Wie heeft God gemaakt? in op de aloude vraag waar God vandaan komt. In zijn nieuwe boek gaat hij op zoek naar waar de mens vandaan komt. Hij gaat de strijd aan met wetenschappers als Hawking, Mlodinow en Rees. Een drietal onderwerpen passeren de revue.


De mens en het universum

   In het eerste deel gaat hij uitgebreid in op de fijnafstemming van het heelal. Natuurkundige constanten zijn wel heel nauwkeurig op elkaar afgestemd. Op basis van toeval is dat rekenkundig niet te verklaren. Interessant is ook zijn betoog over de natuurwetten; zijn deze wetten ‘eeuwig’ zoals Hawking betoogt? Was er bijvoorbeeld eerst de zwaartekracht en schiep het heelal zichzelf toen uit niets? Deze wijze van redeneren noemt Andrews het kolderkatargument (uit Alice in Wonderland - de kat verdween en de grijns bleef achter). Zelfs al zou dat mogelijk zijn, blijft de vraag wie de natuurwetten heeft gemaakt en waar ze dan werden opgeslagen. De discussie over het multiversum noemt Andrews pseudowetenschap. Hij vraagt zich af waarom serieuze wetenschappers zich hiermee bezighouden. Het SETI-project (de zoektocht naar buitenaards leven) noemt hij een moderne poging om de toren van Babel te bouwen. De mens wil een naam maken voor zichzelf; een eigen identiteit vormen, los van God. Andrews stelt de vraag: ‘Waarom zou je op zoek gaan naar leven buiten deze aarde? Is het niet logischer om rustig achterover te gaan zitten en te wachten totdat geavanceerde aliens een ‘bel-ons-niet-wij-bel­len-u’-benadering gebruiken?’


De mens en de biosfeer

   In het tweede deel stelt de auteur heel helder dat ‘geloven dat een mens van een aap afstamt’ geen bewijs is, maar een vooronderstelling. Men gaat uit van evolutie en zoekt verwoed naar mogelijkheden om dat te bewijzen. Daarbij worden vele vreemde redeneringen gebruikt - bij de vermelding dat een mens en een chimpansee 98% van hun genen delen, wordt meestal niet verteld dat genen slechts ongeveer 3% van het menselijk genoom uitmaken en dat het verschil tussen het complete menselijke genoom en dat van de chimpansee wel tot 30% kan oplopen. En zelfs al zou het genoom grote overeenkomsten vertonen, dan kan er toch iets heel anders uitkomen, denk maar aan de rups en de vlinder - zij hebben een identiek genoom. Met een boeiende analogie laat de auteur zien dat deze wijze van vergelijken niet wetenschappelijk is. Stel je gaat twee boeken over bijen en twee romans met elkaar vergelijken. Dan zal blijken dat de boeken over bijen een veel grotere overeenkomst met elkaar vertonen dan de romans. Ze gebruiken veel vaker dezelfde woorden. Maar daaruit kun je niet afleiden dat beide boeken over bijen een oudere gemeenschappelijke bron hebben geraadpleegd, en je kunt al helemaal niet spreken van plagiaat. Oftewel, ook al hebben mensen en dieren overeenkomend DNA of overeenkomende genomen, is dat geen bewijs dat ze van elkaar afstammen. Ze bezitten alleen enkele gelijke bouwstenen die nodig zijn om een levend wezen te maken.


De mens en de Bijbel

   Ten slotte gaat de auteur in op de historiciteit van Adam. Het scenario van meerdere Adams wijst de auteur af. Het is helemaal niet nodig om meerdere voorouders te hebben voor de huidige wereldbevolking. Als een vrouw gemiddeld voor haar 40e vier kinderen krijgt, heb je al na 33 (1320 jaar) generaties een bevolking van 7,5 miljard mensen -het huidige aantal bewoners van onze planeet. Ook voor de genetische diversiteit heb je geen duizenden Adams nodig. Meerdere Adams maakt het probleem van de oorsprong alleen maar groter. Andrews schreef opnieuw een boeiend boek dat een sterk beroep doet op de logica en een overzicht geeft van vele voors en tegens bij de verschillende visies op de afstamming van de mensheid.


Recensie door prof. dr. ir. Wim de Vries (persoonlijk hoogleraar WUR), 28 mei 2018

   Sinds het einde van de zeventiger en het begin van de tachtiger jaren zijn er nimmer zoveel boeken in het Nederlands verschenen rond het thema ‘schepping of evolutie’ als in de afgelopen jaren. Het begon met de verschijning van het spraakmakende boek van prof. dr. Gijsbert van den Brink (En de aarde bracht voort) in juni 2017. Kort daarna verschenen in datzelfde jaar opnieuw twee boeken van hoogleraren, de een is hoogleraar in de theologie en de ander in de biomedische wetenschappen. Ik doel op het boek van prof. dr. Mart-Jan Paul met als titel Oorspronkelijk. Overwegingen bij schepping en evolutie en van prof. dr. Jan van Bemmel met als titel Waar was je? Geloven na Darwin en Hubble. Vervolgens liet begin 2018 de bekende prof. dr. Willem Ouweneel van zich horen met het boek Adam, waar ben je? En wat doet het ertoe? Een theologische evaluatie van de nieuwe evolutionistische hermeneutiek. En vrijwel tegelijkertijd werd het boek vertaald van prof. dr. Edgar Andrews met als titel Wat is de mens? Adam, alien of aap? Het boek is de opvolger van een eerder verschenen boek in 2012, uitgegeven door Uitgeverij Maatkamp, Wie heeft God gemaakt. Op zoek naar een allesverklarende theorie. De boeken van al die vier hooggeleerde heren gaan op verschillende wijzen lijnrecht in tegen de kernboodschap die van den Brink afgeeft: de boodschap dat evolutie ijzersterke wetenschappelijke papieren heeft en vooral ook dat aanvaarding ervan geen grote gevolgen heeft voor het christelijk geloof. Daarbij belichten de boeken van Paul en Ouweneel vooral de theologische gevolgen en gaat van Bemmel meer in op de vragen rond een uitdijend heelal en de grote aanwijzingen voor ontwerp bij alle organismen. Het boek van Andrews is echter een mengeling van al die aspecten. Dat blijkt ook uit de ondertitel die de thematische indeling van het boek bepaalt. Maar Andrews doet dat dan wel in een andere volgorde, namelijk ‘Alien, aap of Adam’.


De mens en het universum

   In deel 1, ‘De mens en het universum’, gaat de auteur in op de overtuiging dat de mens een wezen is dat een buitenaardse oorsprong heeft, oftewel een alien is, zodat er in het heelal mogelijk nog meer leven te ontdekken is. Feitelijk gaat het in dit deel om de vraag: hoe is ooit het leven begonnen uit dode chemische materie en hoe is het universum ooit ontstaan?
    Chemische evolutie. Als het gaat om de oorsprong van het leven uit dode chemische materie spreekt men wel van chemische evolutie. Andrews geeft aan dat water, hoewel essentieel voor het voortbestaan van leven ‘een serieus probleem is voor de oorsprong van het leven, omdat water de chemische links verbreekt die nodig zijn om DNA te bouwen, of eiwitketenmoleculen’. In het eerdere boek van hem, Wie heeft God gemaakt?, wijst hij ook op een ander probleem voor chemische evolutie en dat is dat eiwitten uitsluitend uit zogenaamde linksdraaiende aminozuren bestaan. De kans dat een functioneel eiwit met louter linksdraaiende aminozuren via toeval zou ontstaan is simpelweg nihil.
    Fijnafstemming. Wat de oorsprong van het universum betreft wijst hij erop dat honderd jaar geleden de meeste kosmologen nog geloofden dat het universum eeuwig is. Maar dat veranderde in 1916, toen Albert Einstein zijn algemene relativiteitstheorie publiceerde en met name toen de astronoom Edwin Hubble in 1929 aantoonde dat het universum uitdijt en de theorie ontstond dat het universum een begin heeft gehad vanuit een ‘hete oerknal’. Dus toch een begin. Nog onrustiger werden seculiere wetenschappers van het feit dat er sprake bleek te zijn van een ongelooflijke, zogenaamde ‘fijnafstemming’ van het heelal die het bestaan van planeten en leven mogelijk maakt. Wat blijkt namelijk: er zijn 15 constanten in de natuurwetten, waarbij je o.a. moet denken aan de zwaartekrachtconstante binnen de wet van de zwaartekracht en aan verschillende constanten met betrekking tot de elektromagnetische kracht en de sterkte en zwakte van nucleaire krachten, die zeer precieze waarden hebben. In de woorden van Martin Rees: ‘Als een van deze constanten er ook maar een paar miljoenste van een procent naast zou zitten, of in sommige gevallen een paar biljoenste van een procent, zou het universum niet zo zijn geworden als wij het nu zien. Materie zou zich niet samenvoegen, er zouden geen sterren, geen sterrenstelsels, geen planeten of mensen bestaan.’ Van deze wetten en constanten zijn er zes die het meest bepalend zijn, en Andrews gaat daar met name uitgebreid op in, met veel aansprekende voorbeelden.
    Wegverklaring. Maar hij gaat ook in op de wegverklaring van die fijnafstemming. Hij noemt daarbij o.a. de Britse Astronoom Martin Rees, die in zijn boek Zes getallen beschrijft hoe de natuurkundige wetten en constanten van ons universum bewust ‘fijn afgestemd’ lijken te zijn en die zich dan afvraagt of dit wijst ‘op de voorzienigheid van een goede Schepper’. Rees ontkent dit en zegt: ‘Er kunnen best een oneindig aantal andere universa bestaan waar deze [zes] getallen een andere waarde hebben.’ In de woorden van Andrews: ‘Rees gaf de eer van die fijnafstemming niet graag aan een immateriële Schepper (dat is God). En daarom zocht en vond hij de nooduitgang die hem een uitweg bood uit deze situatie, namelijk dat onder een oneindig aantal mogelijke universa ons universum de ‘gelukkige’ is waarin de wetten en constanten toevallig geschikt zijn voor intelligent leven.’ Uitgangspunt van al die gedachten is uiteindelijk het materialisme (alleen datgene bestaat wat wij kunnen zien en waarnemen). De wetenschap kan alleen maar dingen ‘verklaren’ door waarnemingen, gebeurtenissen, processen enzovoort te relateren aan de wetten van de natuur. Maar waar die natuurwetten dan vandaan komen?
   Zoals Andrews uitgebreid aantoont zitten die theorieën, waaronder die van de beroemde Stephen Hawking, vol duidelijk vernuft, maar ook ‘vol inherente zwakheden en ongerijmdheden en … zijn de problemen die ze creëren groter dan de problemen die ze moeten oplossen’. In dit deel van het boek is Andrews, als eminent natuurkundige, duidelijk enorm goed ingevoerd.


De mens en de biosfeer

   In deel 2, ‘De mens en de biosfeer’, gaat Andrews in op de gangbare wetenschappelijke visie dat de mens door evolutie uit aapachtige voorouders is voortgekomen.
    Verschillen in DNA. Voor de aanhangers van de evolutiegedachte is de overeenkomst in het DNA van apen (chimpansees) en mensen een zeer sterke aanwijzing daarvoor. De algemene gedachte is dat die overeenkomst wel 96 procent is. Maar dat betekent niet noodzakelijkerwijs dat apen en mensen gezamenlijke voorouders hebben. Wie ziet op de vele overeenkomsten in biologische functies en gelooft in God de schepper zal het niet verbazen dat er ook grote overeenkomsten zijn in DNA. Andrews geeft aan dat we ook 88 procent van onze genen met muizen delen, 73 procent met zebravissen en 60 procent met fruitvliegjes. In zijn woorden: ‘Wat die informatie ons allereerst zegt is dat een organisme om te kunnen leven bepaalde onmisbare eiwitten nodig heeft.’ Ons DNA komt overigens ook voor meer dan 50 procent overeen met het DNA van een banaan, maar niemand hangt de hypothese aan dat we van bananen afstammen. Waar Andrews verder op wijst, is dat de methoden die gebruikt worden om genen en genomen te vergelijken uit selectieve procedures bestaan waarbij delen van het DNA die geen gelijkenis vertonen, genegeerd worden als ‘junk (afval)-DNA’.
   Uit de identificatie van het menselijk genoom (de complete genetische samenstelling van de mens) is echter gebleken dat veel van het zogenaamde junk-DNA wel degelijk een biologische functie heeft. Uit de meest recente informatie volgt dat genen slechts ongeveer 3 procent van het menselijk genoom uitmaken en dat het verschil tussen de complete genomen van chimpansee en mens daardoor wel kan oplopen tot 30 procent. Dat komt tot uiting in ongeveer 35 miljoen verschillen in bouwstenen (zogenaamde nucleotiden, bestaande uit een base, een fosfaatmolecuul en een suikermolecuul) in het DNA. Kortom, de vermeende grote genetische verwantschap tussen aap en mens blijkt bij nadere beschouwing helemaal niet zo groot te zijn.
    Verschillen in eigenschappen. Een ander punt waar Andrews op wijst, is dat de verschillen in eigenschappen van mensen en mensapen vele malen groter zijn dan velen voor waar willen houden. Hij haalt een artikel aan uit ‘Genome Research’ dat ruim tweehonderd verschillen noemt, waaronder 58 culturele en gedragsmatige verschillen, 23 cognitieve (mentale) en sociale verschillen, maar ook vele verschillen in wat men noemt ‘anatomie, fysiologie, voortplantingsbiologie, embryologie, biochemie, biomechanica, celbiologie, endocrinologie, farmacologie, pathologie (ziekten), orale biologie (gebit), huid, voeding, neuroanatomie, neurobiologie en neurochemie’. Terecht schrijft Andrews dat je niet hoeft te weten ‘wat al die woorden betekenen om de enorme verschillen tussen apen en mensen te kunnen herkennen die de evolutie, als zij waar is, moet verklaren’. Daarnaast wijst hij erop dat het wel heel merkwaardig is dat mensen zo veel hoger ‘ontwikkeld’ zijn dan chimpansees als beiden voortkomen uit een gemeenschappelijke voorouder in een vergelijkbare tijdsperiode en de mutatiesnelheden van de mens en de chimpansee gelijk zijn. Op onmiskenbaar humoristische wijze schrijft hij dan: ‘Er zijn slechts twee mogelijke antwoorden. Of er was geen gemeenschappelijke voorouder, of chimpansees hebben hun gunstige mutaties verspild aan fit blijven en nageslacht verwekken. De mens daarentegen, die zijn immunologische genen en zijn voortplantingssysteemgenen niet negeerde, gebruikte ook zijn kleinere set mutaties om vuur te leren maken en gebruiken, om taal uit te vinden, om muziek te schrijven, om wiskunde te leren, om DNA te ontdekken, en om dierentuinen te bouwen zodat hij daar chimpansees kon onderbrengen. We kunnen dit grote verschil zeker niet aan natuurlijke selectie toeschrijven, want zowel mensen als chimpansees ‘groeiden op’ in grotendeels dezelfde omgeving. Evolutie is werkelijk een eindeloze bron van verbazing.’
    De taal van fossielen en ons verstand. Verder wijst Andrews erop dat we weinig over onszelf kunnen zeggen aan de hand van de fossiele overblijfselen van mensachtigen (zogenaamde hominiden en homininen) omdat de paleontologie volledig steunt op interpretatie, in tegensteling tot de experimentele wetenschappen. Hij verwijst daarbij naar de beroemde paleontoloog Stephen J. Gould die zei dat ‘de meeste hominide fossielen, ook al dienen ze als basis van eindeloze speculaties en zorgvuldig uitgewerkte verhalen, slechts fragmenten van kaken en stukjes van schedels zijn’. Daardoor is het mogelijk dat verschillende experts verschillende interpretaties geven. Toegang tot fossiele overblijfselen kan ook nog ontzegd worden aan wetenschappers die kritisch staan tegenover de interpretatie van de eigenaar van het fossiel. Feitelijk kan dit onderzoek nauwelijks de term ‘wetenschappelijk’ dragen en is het allerminst een bewijs voor evolutie van aapachtige voorouder tot mens. Heel overtuigend is ook zijn analyse van het verstand, dat volgens seculiere wetenschappers niet meer is dan een bijproduct van de bewegingen van atomen in ons brein. Hij citeert evolutiebioloog John Haldane die aangeeft dat je dan de tak waarop je zit afzaagt, want dan is er geen reden om te veronderstellen dat onze overtuigingen een logische grond hebben. Ons verstand is dan volledig onbetrouwbaar. Met name C. S. Lewis heeft hier heel heldere dingen over gezegd en het was mede een reden dat hij christen werd (hij was tot dan toe atheïst).


De mens en de Bijbel

   In deel 3, ‘De mens en de Bijbel’, behandelt Andrews de bijbelse openbaring dat de mens door God is geschapen naar Zijn beeld. En dat hij uniek Adam en Eva als eerste mensenpaar geschapen heeft, waaruit wij allen zijn voortgekomen. Dit in tegenstelling tot hen die Genesis 1-3 als mythe zien, en dat geldt dan automatisch ook voor Genesis 1-11. Niet alleen de schepping van Adam en Eva en de zondeval, maar ook de doodslag van Abel door Kaïn, de wandel van Henoch met God, de zondvloed en de redding van Noach en zijn gezin, de spraakverwarring bij de toren van Babel zijn dan allemaal mythische verhalen. Terecht wijst Andrews er op dat geloof hierin een integraal deel is van de bijbelse wereldbeschouwing en dat dit blijkt uit vele passages in het Oude en Nieuwe Testament. Hij noemt hier verschillende voorbeelden en die zijn nog met vele anderen aan te vullen. Je kunt denken aan de verwijzing naar Kaïn in 1 Joh. 4:12, naar Abel in Hebr. 12:24, naar Henoch (de zevende van Adam) in Judas vers 14, naar de zondvloed door Christus (o.a. Matt. 24:38) en door Petrus (1 Petr. 3:20, 2 Petr. 3:6). Die opvatting is ook in directe tegenspraak met wat Christus ons leert in zowel Mattheüs 19 als Marcus 10 als de Farizeeën, tot Hem komen en Hem vragen of het een man geoorloofd is zijn vrouw te verlaten. Dan antwoordt Jezus: ‘Hebt u niet gelezen, Die van het begin de mens gemaakt heeft, dat Hij ze gemaakt heeft man en vrouw? En gezegd heeft: Daarom zal een mens vader en moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot een vlees zijn.’
   Dit is een letterlijke aanhaling van Gen. 1:27 en Gen. 2:24. Ontkenning van de historische werkelijkheid van Adam betekent ook dat het geslachtsregister van Christus geen betekenis heeft: ‘(…) de zoon van (…) David, (…) de zoon van Abraham (…) de zoon van Enos, de zoon van Seth, de zoon van Adam, de zoon van God’ (Luc 3:36-38). Waar Andrews ook heel terecht op wijst is dat uit de ontkenning van de unieke schepping van Adam en Eva volgt dat we niet naar Gods beeld zijn geschapen. Over dit beeld van God schrijft hij een heel waardevol hoofdstuk. Verder is er dan ook geen sprake van zonde, in de zin dat we Gods gebod hebben overtreden. En zoals hij terecht aangeeft vormt dit het hart van de bijbelse leer van het kwaad, van de dood, van oordeel en verlossing. Een kerngedeelte is hier wat Paulus leert in Romeinen 5:12-21: ‘Want, gelijk door de ongehoorzaamheid van één mens (namelijk Adam) zeer velen zondaren geworden zijn, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van één (namelijk Christus) zeer velen rechtvaardigen worden’ (Rom. 5:19). En daarnaast Paulus’ verhandeling over dood en opstanding in 1 Korinthiërs 15: ‘Want, dewijl de dood er is door een mens, is ook de opstanding der doden door een mens. Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden’ (v. 21-22). In dit laatste deel staat nog veel meer over het verlossingswerk van Christus en de betekenis van Zijn opstanding, zijn wederkomst en de uiteindelijke bestemming van de mens. Feitelijk behandelt Andrews daarin kort de kern van de twaalf artikelen van het geloof.
   Naast natuurkundige kennis blijkt prof. Andrews dus ook over een grondige bijbelkennis te beschikken en dat komt tot uiting in klassiek christelijke en heldere theologische inzichten in het derde deel van het boek. Daarmee is een mooie balans ontstaan tussen natuurkunde, biologie en theologie. Andrews heeft bovendien een zeer heldere en prettige schrijfstijl die wordt gecombineerd met sprekende voorbeelden. In het algemeen slaagt hij erin om ook complexe materie voor een breed publiek begrijpelijk te maken. Maar sommige delen blijven, hoezeer Andrews ook zijn best doet het eenvoudig te houden, niet altijd gemakkelijk te volgen voor leken. Maar dat ligt dan aan de complexiteit van de materie.
   In het algemeen zou ik zeggen: neem en lees dit vervolg op Wie heeft God gemaakt? Opnieuw heeft Uitgeverij Maatkamp het 384 pagina’s tellende boek in een uitstekend handzame en leesbare vorm uitgegeven. Ik kan het om zowel de inhoud als de vorm van harte aanbevelen.


Recensie door prof. dr. Marc de Vries (9 april 2018)

   Dit boek is het vervolg op het eerder verschenen Wie heeft God gemaakt, waarin het gaat om de redelijkheid van het geloof in God ten overstaan van de moderne natuurwetenschap. In dit nieuwe boek gaat het over de oorsprong van de mens. De titel stelt drie mogelijkheden: (1) hij is door God afzonderlijk geschapen naar Zijn beeld en kreeg daarbij de naam Adam om zijn individualiteit aan te geven, (2) hij is een wezen dat een buitenaardse oorsprong heeft, zodat er in het heelal mogelijk nog meer mensachtigen zijn, en (3) hij is door evolutie voortgekomen uit de aapachtigen. Wie het eerste boek van Andrews gelezen heeft, kan gemakkelijk raden voor welk alternatief hij in dit boek gaat. In principe ligt de wording van de mens zoals die in de evolutietheorie beschreven wordt, op het terrein van de biologie, en Andrews is natuurkundige. Maar de auteur heeft zich in dit boek netjes bij zijn stiel gehouden, want hij gaat in zijn zoektocht naar de oorsprong van de mens zo ver terug dat hij meer op het gebied van de kosmologie zit dan van de biologie. Bovendien gebruikt hij ook niet primair argumenten vanuit biologische waarnemingen, maar laat hij de argumentatiefouten zien die er in de disciplines die evolutionair denken over de wording van de mens gemaakt worden. Daardoor kan hem in elk geval niet aangewreven worden dat hij zich als een charlatan uitspreekt over een discipline die hij niet beheerst. Je kunt het met zijn stellingen nog oneens zijn, maar dan zul je de discussie met hem moeten aangaan op zijn eigen vakgebied.
   Bijna de helft van het boek gaat over kosmologie: de vraag naar de oorsprong en ontwikkeling van het heelal, en van de aarde als een plaats waar alles zich precies zo ontwikkelde dat daar leven mogelijk was. De auteur laat zien dat zuiver naturalistische verklaringen tekortschieten om deze wording te verklaren. De gedachte van meerdere universa (het multiversum), bedoeld om het argument van de fijnafstemming van het universum te weerleggen, gaat precies mank aan wat de naturalisten inbrengen tegen theïsten, namelijk dat er geen enkele empirische evidentie voor is. Zo slaagt Andrews erin om de tegenargumenten van naturalisten op hun eigen hoofd te laten neerkomen.
   Vervolgens gaat Andrews over op de uniciteit van de mens, die een evolutionaire verklaring van zijn ontstaan op zijn minst problematisch maakt. Hij laat uitvoerig zien dat de vermeende grote genetische verwantschap tussen aap en mens veel te simplistisch wordt voorgesteld en dat bij nadere beschouwing blijkt dat die verwantschap helemaal niet groot is. Ook de vele speculaties in de paleontologie, waarin op grond van onderzoek naar fossielen geprobeerd wordt een relatie tussen mens en aap te leggen, bespreekt Andrews op een redelijk toegankelijke manier. Het meest lastige punt voor een evolutionaire verklaring voor de wording van de mens wordt door Andrews uitgebreid aangevoerd als argument voor een unieke schepping van de mens.
   Het laatste deel gaat in op de grote rol van wereldbeschouwingen in de wording van wetenschappelijke theorieën. Andrews laat zien dat wereldbeschouwingen aan wetenschap voorafgaan en niet door wetenschap gerechtvaardigd worden, maar dat ze wel een invloed hebben op de manier waarop we, ook wetenschappelijk, naar de werkelijkheid kijken. De laatste paar hoofdstukken gaan in op wat de Bijbel zegt over de aard van de mens; deze hoofdstukken staan wat verder af van de hoofdlijn van het boek. Ondertussen worden er wel mooie dingen in geschreven.
   Al met al een boek dat het lezen waard is. Of het evolutionisten zal overtuigen weet ik niet, maar in elk geval geeft het hen veel stof tot overdenking. Veel evolutionisten slaan helaas bij voorbaat helemaal dicht als zulke argumenten naar voren gebracht worden. Over objectiviteit gesproken. Een recensie van Taede Smedes van het eerdere boek van Andrews was zo vooringenomen dat ze zelfs door NBD|Biblion weer werd ingetrokken en vervangen door een evenwichtigere. Het valt sommige evolutionisten niet mee hun emoties in te houden bij het beoordelen van argumenten tegen evolutie. Het boek van Andrews zal ongetwijfeld de nodige irritatie bij zulke mensen oproepen. Wie het boek met een ‘open mind’ leest, zal moeten toegeven dat er zeer veel dingen in staan die het waard zijn om op in te gaan en die niet bij voorbaat als creationistische onzin kunnen worden afgeserveerd.


Recensie door Nathan van Ree (20 maart 2018)

   Een verhelderend antwoord op misschien wel de meest prangende vraag. Wat is de mens? Dr. Edgar H. Andrews (1932) is een gerenommeerd wetenschapper. Hij is natuurkundige, oprichter van de afdeling materiaalkunde aan de universiteit van Londen (Queen Mary College), emeritus hoogleraar materiaalkunde, en oud-decaan van de faculteit technische wetenschappen. In zijn boek Wat is de mens? Adam, alien of aap? neemt hij de lezer aan de hand in een goed onderbouwde zoektocht naar het antwoord op deze vraag. Vanuit diverse vakgebieden wordt een deskundige blik geworpen op de diverse mogelijke antwoorden in de ondertitel. Het boek leest prettig en biedt een aantal originele invalshoeken. De vlotte schrijfstijl wordt gecombineerd met sprekende voorbeelden, zodat Andrews erin slaagt zeer complexe materie voor een breed publiek begrijpelijk te maken.
   Uitgever Maatkamp heeft met zijn lezerspubliek meegedacht en dit vervolg op Wie heeft God gemaakt? in een uitstekend leesbaar jasje gestoken: het boek ligt ondanks de 384 pagina's erg prettig in de hand dankzij de dunne bladzijden, en waar van toepassing heeft de vertaler nuttige voetnoten toegevoegd. Samen met het stijlvol gekozen lettertype zorgt de degelijke uitgave dan ook voor maximaal leesplezier.


Bij de tijd

   Wat meteen opvalt bij het lezen van Wat is de mens? is dat Andrews veel actualiteit in zijn boek verwerkt. Hij refereert aan de nieuwste onderzoeken en de laatste inzichten. Het wordt tijdens het lezen duidelijk dat we te maken hebben met een zeer up-to-date boek. Zo verwijst Andrews naar recente uitgaven als The Paradigm Shifters en Evolution 2.0 - Breaking the Deadlock Between Darwin and Design, beide uit 2015, en noemt hij de suggestie uit 2017 van een 'omnigenisch model' waarin fenotypische eigenschappen niet bepaald worden door een handvol genen, maar door de gecoördineerde actie van honderden verschillende genen die met elkaar samenwerken (pag. 176).1
   Ook geeft de auteur er blijk van goed op de hoogte te zijn van hedendaags creationistisch onderzoek, zoals het werk van Jeffrey Tomkins en Andrew Snelling, en dat van ID'ers als Douglas Axe. En voor de liefhebbers: ook sciencefictionfilm The Matrix (niet meer zo nieuw overigens) wordt aangehaald.


SETI, fijnafstemming en de oerknal

   De auteur besteedt maar liefst vier hoofdstukken aan kosmologie (het onderzoek van het heelal als geheel2) en kosmogonie (verklarende modellen voor de vorming en ontwikkeling van het universum3). Omdat Andrews hier kennelijk veel belang aan hecht, gaan we hier wat dieper op in.
   Om te beginnen: wat heeft het heelal te maken met het antwoord op de vraag Wat is de mens? Een tipje van de sluier wordt in de ondertitel al opgelicht, want een van de mogelijke antwoorden luidt: alien. Een van de oudste ideeën over het ontstaan van het leven op aarde is 'panspermie' - het leven werd uitgezaaid vanuit de ruimte en is wellicht wijdverbreid in het universum. Een idee dat al in de vijfde eeuw voor Christus werd geopperd door de Griekse filosoof Anaxagoras4 en dat in 2008 door Richard Dawkins in een interview met Ben Stein5 nog tot de mogelijkheden werd gerekend. Andrews bespreekt onder meer het SETI-onderzoek (Search for Extra-Terrestrial Intelligence): een speurtocht naar buitenaardse intelligentie die in de jaren '60 van de vorige eeuw begon. In 2011 stopte de Amerikaanse overheid met de financiering van dit peperdure project, maar in 2015 werd het project 'Breakthrough Listen' gelanceerd (waarvoor 100 miljoen dollar is vrijgemaakt) en in 2016 werd FAST, de grootste radiotelescoop ter wereld, in gebruik genomen (kosten: zo'n 160 miljoen euro). Wat deze gigantische kostenpost al die decennia heeft opgeleverd? Helemaal niets.2
   Een ander uitvoerig besproken aspect is de fijnafstemming van het universum. De natuurkundige wetten en constanten van ons universum lijken bewust 'fijn afgestemd' om leven te kunnen ondersteunen (pag. 85). Met sprekende voorbeelden (zoals de plakkracht van vershoudfolie om de 'sterke kernkracht' uit te leggen) zet Andrews hier een selectie van zes factoren uiteen - een bewuste beperking, want het zijn er veel meer. Gelukkig laat de auteur het niet na ook in te gaan op enkele veel gehoorde 'wegverklaringen' van deze fijnafstemming.
   Velen proberen deze fijnafstemming ongeveer als volgt 'weg' te verklaren: 'Als het anders was, waren wij er niet om erover te praten.' Geheel correct, maar daarmee behoeft de fijnafstemming nog steeds een verklaring. 6 Het gaat immers om een zeer onwaarschijnlijke combinatie van factoren waar we mee te maken hebben.
   Een veel gehoorde verklaring is het zogenaamde 'multiversum'. Ook deze noot weet Andrews gemakkelijk te kraken, en daarin staat hij niet alleen. Uit seculiere hoek is er ook de nodige kritiek op deze feitelijk onwetenschappelijke hypothese. 7 Waarom is dit van belang? Omdat het aantoont dat prof. Andrews' kritiek niet voortvloeit uit enkel religieuze overwegingen, maar omdat de wetenschap zelf niets met deze verklaring kan.
   Niet alle 'wegverklaringen' komen overigens aan bod. Zo wordt wel geopperd dat de fijnafstemming van het heelal geen verklaring behoeft, omdat het niet het heelal is dat is afgestemd op het leven, maar het leven dat is afgestemd op het heelal. 8 Wiskundigen, astronomen en biologen lijken soms wat gemakkelijk over de kwestie 'het ontstaan van het leven' heen te stappen (in de huidige evolutiebiologie mag het ontstaan van het leven niet eens meedoen), maar wie een scheikundige als dr. James Tour9 van Rice University vraagt naar de onmogelijkheden van een naturalistisch ontstaan van leven, bedenkt zich daarna wel twee keer alvorens met een dergelijk argument de fijnafstemming teniet te doen. Bovendien gaat dit hele argument al a priori uit van een natuurlijk ontstaan van leven gevolgd door evolutie, wat nu juist niet binnen het idee past van een Schepper Die 'hemel en aarde gemaakt heeft, en al wat daarin is' - al is daarover tegenwoordig ook weer een heleboel discussie.10
   Een ander wel gehoord 'wegwuifargument' is dat van de 'kaartenpakvergelijking'. Er wordt gesteld dat wanneer we een pak kaarten schudden en de kaarten vervolgens precies 'op volgorde' liggen (van aas naar 2, per kleur gesorteerd), hiervoor een verklaring nodig is, omdat de kans hierop zo enorm klein is. Men vergelijkt dit dan met de enorm onwaarschijnlijke fijnafstemming van het heelal. En argument hiertegen is dat deze volgorde op zich in feite niets bijzonders is. Wij zouden simpelweg de vooronderstelling van een canonieke volgorde hebben en daarom hechten wij bijzondere waarde aan de uitkomst, terwijl die deze bijzondere waarde op zichzelf niet heeft. 8 Het klinkt vernuftig, maar wanneer het om het universum gaat, is de ene volgorde de andere niet, zoals prof. Andrews in zijn boek duidelijk laat zien. De eenvoudigste verklaring is dat God het universum bewust zo geschapen heeft. Aangezien er voor de fijnafstemming nog steeds geen duidelijke wetenschappelijke reden is, is de eenvoudigste verklaring wellicht ook nog steeds de beste.
   Wie niet goed leest, kan wel even schrikken. In Wat is de mens? legt Andrews namelijk uit waarom de oerknal geen argument vormt tegen het bestaan van God. Pleit hij dan voor de oerknal? Nee, dat niet. Andrews schrijft op pagina 94: 'Het is bijvoorbeeld heel logisch om te beweren dat de oerknal nooit heeft plaatsgevonden - dat het universum simpelweg fijn afgestemd is omdat God het de novo (heel direct, vanaf het begin, als nieuw) zo gemaakt heeft, zodat er gewoon niets is om over te discussiëren. (…) Velen die net als ik in een goddelijke schepping geloven, hechten veel waarde aan de discussie waar we aan begonnen zijn. Waarom? Omdat het werken met de bewijzen die de seculiere wetenschap ons biedt, ons in staat stelt om argumenten voor de schepping te vormen die zelfs niet door sceptici zomaar aan de kant geschoven kunnen worden.' Zoals de Engelsen zeggen: beat them at their own game.


Evolutie

   Wat heeft een natuurkundige te vertellen over de evolutietheorie? Een terechte vraag, maar wie zich zorgen maakt over Andrews' kennis van de evolutietheorie kan gerust ademhalen. Zoals in het onderwijs wel gezegd wordt: je kunt het pas goed aan een ander uitleggen als je het zelf begrijpt. De lezer van Wat is de mens? krijgt heldere uitleg voorgeschoteld, vergezeld van een gezonde dosis goed gefundeerde kritiek. De auteur maakt ook gebruik van hostile witnesses: evolutiebiologen die zelf aangeven welke problemen er met hun theorie zijn. Wie zich hiervan af wil maken met de beschuldiging van quote mining (het uit context of gedeeltelijk citeren van iemand om een bepaald effect te bereiken) kan de bronnen waarnaar keurig verwezen wordt er gerust zelf op naslaan.
   Sprekend is vooral de casus die Andrews schetst wanneer de lezer zelf op een fossiel van een 'op een mens gelijkend wezen' zou stuiten vanwege een 'onbedwingbaar verlangen' naar het vinden van de zogenaamde missing link (ja, zelfs Ernst Mayr gebruikte de term - dit voor wie meent te moeten struikelen over deze 'onwetenschappelijke beschrijving'). Op humoristische wijze komen alle te verwachten valkuilen aan bod, waarbij ook radiometrische en koolstofdateringsmethoden niet onbesproken blijven.


De mens en de Bijbel

   Dit is de titel van het derde een laatste deel van Wat is de mens? Hierin bespreekt prof. Andrews hoe we de mens vanuit bijbels oogpunt moeten duiden. Een onderwerp dat nog steeds actueel is, gezien de recente boeken die eraan gewijd zijn.11, 12, 13, 14
   Heeft Andrews nog wel iets nieuws te bieden dan? Wel, om te beginnen weer een sprekende vergelijking, waarmee hij de verschillende mogelijkheden duidelijk uiteenzet. Verder gaat hij in op enkele veelgehoorde argumenten tegen de mens als schepsel naar Gods beeld, zoals de vermeende 'cirkelredenering' bij het gebruik van de Bijbel om de Bijbel te verantwoorden en 'leentjebuur spelen' bij scheppingsverhalen uit het Nabije Oosten, en bespreekt hij de nodige argumenten tegen de opstanding van Jezus Christus.
   Naast natuurkundige kennis blijkt prof. Andrews ook over een grondige bijbelkennis te beschikken en de verhelderende theologische inzichten die het boek in het derde deel biedt, maken dat er een mooie balans is ontstaan tussen natuurkunde, evolutie en de Bijbel.
   Wie inmiddels nieuwsgierig is geworden naar het antwoord op de vraag Wat is de mens? kan ik dit boek van harte aanbevelen. Het is typisch zo'n boek waarvan je na het lezen zou willen dat iedereen het zou lezen. Een verrijking van het spectrum, zeker ook op Nederlands taalgebied.


Noten:

1 www.theatlantic.com/science/archive/2017/06/its-like-all-connected-man/530532

2 Schilling, G., Handboek sterrenkunde (Amsterdam: Fontaine Uitgevers, (2016)

3 https://nl.wikipedia.org/wiki/Kosmogonie

4 Redfern, M., 50 Inzichten. Aarde. Onmisbare basiskennis (Diemen: Veen Media, 2012)

5 Sullivan, J. (producent), Craft, L. (producent), Ruloff, W. (producent), & Frankowski, N.
   (regisseur), Expelled: No Intelligence Allowed (Salt Lake City, Utah: Rocky Mountain Pictures, 2008)

6 http://www.leaderu.com/offices/billcraig/docs/barrow.html

7 www.npr.org/sections/13.7/2018/01/22/579666359/scientific-theory-and-the-multiverse-madness

8 https://arxiv.org/pdf/1505.05359v2.pdf

9 https://www.jmtour.com/

10 https://logos.nl/en-aarde-bracht-voort-christelijk-geloof-en-evolutie/

11 Van den Brink, G, En de aarde bracht voort (Utrecht: Uitgeverij Boekencentrum, 2017)

12 Visser, R., Gelukkig geen mythe (Tesselaren, 2017)

13 Paul, M. J., Oorspronkelijk (Apeldoorn: Labarum Academic, 2017)

14 Moreland, J. P. (redacteur), Meyer, Stephen C. (redacteur), Shaw, C. (redacteur) Gauger, A. K. (redacteur), & Grudem, W. (redacteur),
   Theistic Evolution. A Scientific, Philosophical, and Theological Critique (Wheaton, Illinois: Crossway, 2017)


Recensie door Eppie (pseudoniem) - voor het Logos Instituut (5 maart 2018) - web

   Met veel plezier en interesse heb ik het boek van de hand van Edgar Andrews getiteld Wat is de mens? Adam, alien of aap? gelezen. Het boekje is recent verschenen bij uitgeverij Maatkamp en behandelt de herkomst van de mens vanuit christelijk wetenschappelijk perspectief. In het afgelopen jaar verschenen in de Nederlandse taal onder andere de boeken van prof. Van den Brink, prof. Paul en prof. van Bemmel. Daar is nu een boek aan toegevoegd van prof. Andrews. Alweer een boek over het thema schepping en evolutie? Voegt dat nog wat toe? Toch wel. Wat is de mens? belicht de vraagstelling rond schepping en evolutie van een andere kant. Waar de één vruchteloos naturalisme en heilsgeschiedenis zoekt te verbinden, de ander uitdiept hoe de standpunten van eerdere en latere schrijvers zich verhouden tot de Bijbelse boodschap, een derde zich verwondert over de schoonheid en het vernuft in de schepping, daar stelt Andrews verleden, heden en toekomst van de mens centraal.
   Wie is Andrews? Andrews is belijdend christen en emeritus hoogleraar materiaalkunde aan de universiteit van Londen. Hij heeft zich gedurende vele jaren verdiept in de vraagstukken rond schepping en evolutie en daarbij gediscussieerd met bekende atheïsten als Richard Dawkins. Andrews is wetenschapper en een goed schrijver met een bijbelse boodschap die hij uitnemend weet te verwoorden. Wat is de mens? stelt zeer terecht dat de visie op de herkomst van de mens sterk samenhangt met de visie op de huidige mens en op de toekomst van de mens. De titel is goed gekozen. Het boek heeft een thematische indeling. Het eerste deel gaat over de mens en het universum; is de mens een alien? Het tweede deel gaat over de mens en de biosfeer; is de mens een aap? Het derde deel gaat over de mens en de Bijbel; is de mens Adam? En dat is de mens.


Alien

   De inhoud van het boek is breder dan de titel doet vermoeden. Het handelt niet alleen over de aard van de mens maar begint met een analyse van onze kennis over het ontstaan van het universum. Onze generatie is al zo gewend aan het concept 'oerknal' dat we veelal niet meer beseffen dat tot voor enkele decennia geleden naturalisten ervan uit gingen dat het universum eeuwig bestond. De ontdekking dat het universum een begin zou hebben gehad stuitte op grote weerstand. Iets wat eeuwig bestaat heeft geen oorzaak nodig. Iets wat begint te bestaan wel. Van niets tot iets bestaat niet. Een ander facet aan het universum is, dat het wonderbaarlijk goed toegesneden is op het huisvesten van intelligent leven. Een aantal natuurconstanten heeft een waarde die precies goed is. Andrews bespreekt de belangrijkste: de zes getallen van Martin Rees. Om de afstelling van deze constanten te verklaren postuleren bepaalde wetenschappers dat er een welhaast oneindig aantal universa bestaat met wisselende constanten waaronder dus ook die van ons waarin de constanten toevallig exact goed zijn. Binnen ons universum en binnen ons zonnestelsel op deze aarde zijn de omstandigheden ook zeer voordelig voor het leven. De aarde is uniek. Toch wordt er veel geld gestoken in het zoeken naar buitenaards leven. Volgens Andrews is deze inspanning sterk gedreven door de vraag naar de herkomst van de mens zelf. Bijbelse antwoorden zijn daarbij voor de seculiere mens, ook al is hij wetenschapper, niet wenselijk. Het is goed om te beseffen dat we bij het argumenteren voor een Schepper vanuit de afstemming van de natuurconstanten al snel argumenten gebruiken waarbij een miljarden jaren oud heelal aangenomen wordt. We hoeven daarmee echter de oudeaardeleer zelf niet aan te hangen. Andrews stelt:


   'Het is bijvoorbeeld heel logisch om te beweren dat de oerknal nooit heeft plaatsgevonden – dat het universum simpelweg fijn afgestemd is omdat God het de novo zo gemaakt heeft, zodat er niets is om over te discussiëren…Velen die net als ik in een goddelijke schepping geloven, hechten waarde aan de discussie… Waarom? Omdat het werken met de bewijzen die de seculiere wetenschap ons biedt, ons in staat stelt om argumenten voor de schepping te vormen die zelfs niet door sceptici zomaar even aan de kant geschoven kunnen worden.'


Aap

   Met betrekking tot de eigenheid van de mens, is het een kernvraag, of de mens van een aap afstamt of niet. Voor evolutionisten is dit een duidelijk gegeven. Het 'bewijs' is de vermeende zeer grote overeenkomst tussen de chimpansee en de mens. Verschillende percentages overeenkomst in het DNA worden genoemd. Die liggen dan steevast ergens achter in de negentig. Andrews laat zien dat in het wetenschappelijk onderzoek waarin deze hoge percentages genoemd worden een groot deel van het genetische materiaal genegeerd wordt - juist het DNA met veel verschil. Daarnaast kan het DNA op verschillende manieren afgelezen worden, wat ook gereguleerd is en leidt tot grote soortverschillen. Onderzoek naar fossielen van mensachtigen (paleoantropologie) kan zich over het algemeen in grote belangstelling verheugen. Wie waren wij? Hoe zagen onze voorouders er uit? Het onderzoek naar fossielen van hominiden en homininen is zeer gevoelig voor interpretatie en kan de term 'wetenschappelijk' eigenlijk niet dragen. Vrij onderzoek vindt niet plaats; fossielen worden door de onderzoekers moeizaam uit handen gegeven, en al helemaal niet aan wetenschappers die kritisch staan ten opzichte van de status van het betreffende fossiel.


Adam

   De mens verschilt diepgaand van de hoogst ontwikkelde aap. Hij heeft bewustzijn, besef van leven en dood, van verleden en toekomst, van schoonheid en kunst, van religie en moraal. Bij dieren wordt dit niet aangetroffen. Er is geen idee van, hoe dit zou moeten zijn geëvolueerd. Het verstand is tenslotte wat anders dan een afscheidingsproduct van het brein. Het menselijk verstand heeft zo'n grote capaciteit dat het de inhoud van 4.5 miljard boeken kan bevatten. We gebruiken maar een fractie daarvan, tenminste, ik wel. De mens is geschapen naar het beeld van God. Andrews beschrijft dit in vier tweetallen, te weten ziel en geest, taal en logica, creativiteit en bekwaamheid en wet en liefde. Andrews eindigt zijn boek bij de Mens. De tweede Adam. Dat is goed. Daar moeten we allemaal terecht komen. Bij de schepper die Mens werd. Naar Hem wees de titel, gebaseerd op Psalm 8. Jezus Christus. Waarachtig God en ook waarachtig en rechtvaardig mens.


   'U moet kiezen' zei C.S. Lewis. 'Deze Man was en is de Zoon van God, óf een gek, óf iets ergers.' 'Iets ergers' zou dan betekenen dat Jezus een charlatan was, de meest succesvolle oplichter ooit. Maar als Jezus een slecht mens of een gek was, hoe kunnen wij dan verklaren dat Zijn morele leer ongeëvenaard is? Want over dat laatste bestaat algemene instemming. (…) Het streeft elk ander ethisch systeem voorbij. (…) De ongeëvenaarde, radicale moraal die Jezus Christus onderwees, weerspreekt ontegenzeggelijk de mogelijkheid dat Hij slecht of gek was (of dat Hij zichzelf misleid had) toen Hij aanspraak maakte op een goddelijke status. Sommigen zeggen echter dat Jezus nooit heeft beweerd dat Hij God was, en dat die aura van goddelijkheid gecreëerd is door Zijn bewonderende discipelen. Maar als de discipelen de nieuwtestamentische leer over Christus aanspraken hebben vervalst, hoe kunnen we dan logisch aanvaarden wat zij over Zijn leer schreven? (…) Alles staat of valt met de historische betrouwbaarheid van het Nieuwe Testament.'


   Andrews plaatst de hele discussie in het kader van de orthodoxe drieluik: schepping, zondeval en verlossing. Hierdoor wordt de relevantie van de oorsprongsvragen voor het totaal van het Christelijk geloof aan het licht gebracht. Het boek is niet eenvoudig. De tekst toont aan dat de auteur rijpheid, belezenheid en gevoel voor humor heeft. Andrews gebruikt veel voorbeelden die goed zijn uitgewerkt. Het is duidelijk te merken dat het boek het resultaat is van jarenlange discussies met opponenten op hoog niveau. Het lezen kan enige inspanning vergen, maar loont de moeite. Van harte aanbevolen.


Recensie door Hubert Luns - verschijnt in een volgend nummer van Profetisch Perspectief (20 februari 2018)

   In dit boek, dat het vervolg is op zijn succesvolle boek Wie heeft God gemaakt?, bespreekt professor Andrews op een leesbare en humoristische wijze de eeuwenoude vragen over de aard en oorsprong van de mens. Fanny Moisseieva schreef: 'Wetenschappers, die de natuurwetten ontdekken en bestuderen, zijn zeer verbaasd over de grootsheid van de schepping. Als hun verstand verlicht wordt door de grootsheid van Gods almacht, worden zij met ontzag vervuld. Daarom is een ware wetenschapper nooit een atheïst.' Deze wijsheid gaat op voor Edgar Andrews. Het is een verademing om eens een wetenschapper te vinden die God niet meteen in de prullenmand gooit. Het thema dat door het hele boek heen loopt, en hierbij aansluit, is dat alle pogingen om God weg te verklaren altijd eindigen in een onwelriekend wetenschappelijk en filosofisch moeras.
   Dr. Andrews kruist de degens met wetenschappers die op alle mogelijke manieren trachten aan te tonen dat de schepping een zinloos samenraapsel is dat het leven en de soorten per toeval heeft doen ontstaan. Het paradigma is darwinistische evolutie. Wie dat weigert te slikken, wordt bij voorbaat buiten de roedel van het wetenschappelijk establishment gestoten. Tot vervelens toe serveren de media de meest vreemdsoortige theorieën die hier voedsel aan geven. Op briljante wijze weet Andrews die theorieën stuk voor stuk te onthoofden, net als bij de veelkoppige Hydra (uit de Griekse mythologie).
   Deel 1 bespreekt de mens en het universum. Het bevat veel interessante inzichten. Het laatste hoofdstuk gaat over het multiversum - ontelbare andere universa die alleen in het hoofd van de professoren zitten. Dat hoofdstuk is eigenlijk zonde van het papier, ware het niet dat het nodig is als weerlegging van die theorie. Het multiversum is geklets in de ruimte, want het kan niet worden geverifieerd. Natuurkunde en astronomie gaan over natuurwetten en de toepassing daarvan en niet over hersenspinsels.


Aanvulling van de auteur

   'De expliciete reden die ik in het boek zelf aangeef voor het behandelen van het multiversum is dat Sir Martin Rees (de Britse 'Astronomer Royal' - een Britse eretitel voor een belangrijke Britse astronoom) en vele andere wetenschappers het multiversum voorstellen als verklaring voor de 'fijnafstemming' van het universum om (blijvend) leven mogelijk te maken … natuurlijk inclusief de mens! Ik zou fijnafstemming niet hebben kunnen presenteren als implicatie voor een goddelijke schepping zonder het multiversum te behandelen als een materialistische 'ontsnapping'. Het boek maakt dat heel duidelijk.'


   De oerknaltheorie is wel verifieerbaar middels de astronomische waarnemingen, en die theorie is dr. Andrews uitgangspunt. Er is trouwens een alternatieve benadering van de hand van nobelprijswinnaar Andrei Sacharov (de vader van de Russische atoombom), die later onafhankelijk van hem werd ontdekt door de theoretisch astrofysicus Jean-Pierre Petit (Sacharovs publicatie was in het Russisch, dus moeilijk toegankelijk). Daarin, met instandhouding van Einsteins relativiteitstheorie, bestaat er geen oerknal maar een oneindige reeks naar het beginpunt toe, waarbij de singulariteit (het nulpunt) nooit wordt bereikt en het universum naar de toekomst toe oneindig blijft uitdijen. Alle astronomische waarnemingen die onverenigbaar zijn met de oerknaltheorie worden hier op elegante wijze mee bevestigd. Ook met deze benadering is 'schepping' de enige mogelijkheid, maar dan anders dan iemand ooit had kunnen denken (Sacharov heeft dit niet 'bedacht', want het is de consequente wiskundige toepassing van bepaalde aannames - tijd is dan een ander concept).
   Deel 2, 'De mens en de biosfeer', is voor mij het interessantste. De biosfeer is een moeilijk gebied dat door Andrews heel toegankelijk wordt gemaakt. Het hoofdstuk dat over de genetica gaat en over hoe de laatste vondsten op dat gebied onverenigbaar zijn met de evolutietheorie heeft mij uitermate geboeid. Het laatste hoofdstuk behandelt de vraag wat de relatie is tussen de stoffelijke hersenen en het onstoffelijke verstand. De ouden hadden daar een term voor: het mysterium conjunctionis. Dat duidt op de geheimzinnige band tussen geest en materie als bij een mengsel van olie en azijn. Nog altijd weet men niet hoe het überhaupt mogelijk is dat de geest op de materie inwerkt.
   Deel 3 gaat over de mens en de Bijbel. Een centraal discussiepunt handelt over de schepping van Adam, die, zoals het er staat, door God uit het stof der aarde naar Zijn beeld geschapen werd. Andrews maakt aannemelijk dat we dat letterlijk mogen nemen. Dat verklaart ook de uniciteit van de mens, die we terugvinden in Jezus Christus, de volmaakte mens. Nadat in het begin de verschillende wereldbeschouwingen de revue passeerden, komt ten slotte het bijbelse wereldbeeld aan bod, waarbij het ultieme antwoord op onze vraag 'wat is de mens?' gegeven wordt, een vraag die pas volledig beantwoord zal zijn wanneer de verlossing van de mens voltooid is in de opstanding, in navolging van de opstanding van Jezus Christus. Ik vrees dat atheïsten dat hoofdstuk zullen overslaan. Jammer, want dat is zeker de moeite waard.


Recensie door Cora van Dijk op de site van Boekenmening (20 februari 2018) - web

   Andrews is een gerenommeerd wetenschapper, in het bijzonder wat betreft natuurkunde en materiaalkunde. Hij weet alles van de evolutietheorie. Maar hij gebruikt in zijn werk ook de Bijbel als bron en kan maar tot één conclusie komen: de mens is een uniek schepsel!
   In het eerste deel van het boek bespreekt Andrews vele visies van allerlei wetenschappers, uit het verleden en van nu. Komt de mens echt van de apen af? Zit er logica in de visies van Darwin en zijn volgelingen? Of komt het menselijk leven soms van een andere planeet, zoals huidige wetenschappers wel beweren? Duidelijk legt Andrews uit waarom deze zienswijzen nog nooit bewezen zijn en er dus eigenlijk sprake is van een 'veronderstelling' die niet bewezen kan worden. Er is dus geen sprake van een feit. De missing link tussen aap en mens is nooit gevonden. En zo is er meer waardoor de evolutietheorie wankelt. De auteur beschrijft dit alles zeer wetenschappelijk onderbouwd. Ook de visie dat de mens van aliens afkomstig is dient hij duidelijk van repliek.
   Het tweede deel van het boek gaat helemaal over de bijbelse visie op de mens. Wat een prachtige uitleg! Eens te meer raak ik ontroerd door de uniciteit van het menselijk leven. Zoals hij dat beschrijft, wat zijn wij prachtig geschapen door God. Voortgekomen door Zijn Woord. Maar hier houdt Andrews niet op. Hij vervolgt met de val van de mens en de gevolgen hiervan. Daarbij komt hij uit op de persoon van Jezus Christus. Heeft Hij echt bestaan? Is Hij echt gekruisigd en ook weer opgestaan? Al deze vragen komen op een wetenschappelijk wijze aan bod, waarbij de Bijbel wordt gebruikt als bron, maar ook andere bewijzen worden aangevoerd.
   Zeer grondige uitleg en wetenschappelijke verantwoording, waarbij deze wetenschapper tot de conclusie komt dat de Bijbelse uitleg van het ontstaan en leven van de mens de enige juiste is. Op zich ben ik de mening toegedaan dat we Gods schepping niet hoeven bewijzen, we mogen Gods Woord geloven. Wel kan ik begrijpen dat dit voor een wetenschapper anders ligt. Immers, de wetenschap kan slechts bestaan door onwankelbare feiten en conclusies. Dat er in de wetenschap helaas ook veel gehecht wordt aan veronderstellingen wist ik wel, maar niet over de mate waarin dit wordt gedaan. In die zin heeft dit boek mij de ogen verder geopend. Hoe is het mogelijk dat bijna de hele wereld in een nog niet bewezen wetenschappelijk feit als de evolutie gelooft? Deze mensen zijn dus slechts aanhangers van een visie, een denkbeeld.
   Een prachtig en zeer gedetailleerde uitleg van Edgar Andrews. Er is wat mij betreft slechts één klein minpuntje. Op de cover staat dat het boek toegankelijk is. En heus, de auteur heeft zijn best gedaan om alle moeilijke termen uit te leggen, maar dat is niet helemaal gelukt. Er wordt gebruikgemaakt van zo veel moeilijke woorden dat hij een groot aantal als blijkbaar bekend acht. Ik had toch echt het woordenboek en Wikipedia nodig om zaken te begrijpen, zeker de nogal lastige natuurkundige uitleg. Wel gebruikt Andrews heel alledaagse voorbeelden om iets moeilijks uit te leggen. Daarin is hij prima geslaagd. Ook humor ontbreekt niet in het boek. Verrassend en aangenaam. Aan te bevelen voor een ieder die een pittig boek over het ontstaan van de mens wil lezen.
Wat ik gewoon erg leuk vond is het inkijkje dat je krijgt in de wetenschappelijke wereld, Andrews geeft voorbeelden uit debatten die hij over deze kwestie voerde met de grote wetenschappers der aarde, zoals Dawkins. Een naam die ontbrak, maar die ik zeker verwacht had was Chopra. Chopra en Dawkins zijn het totaal niet eens over lichaam en geest. Voor Dawkins bestaat alleen de materie, maar Chopra erkent dat de geest zeker bestaat. Daar had ik nog wel de visie van Edgar Andrews over willen weten.


Recensie door ds. Jenno Sijtsma (8 februari 2018) - web - in English: pdf

   Het is ontegenzeggelijk een zeer wezenlijke vraag, die de titel van dit boek aangeeft. Nooit eerder is de vraag naar de oorsprong van de mens zo groot geweest als in onze tijd, waarin de evolutietheorie haar miljoenen verslaat en er tegelijk vele miljoenen mensen zijn die met die theorie - zeker ten aanzien van de oorsprong van de mens - helemaal niet uit de voeten kunnen. Het is dan ook een gewichtige zaak als de auteur van dit boek aangeeft dat hij allerlei oplossingen onderzoekt naar wat de mens is door 'het verschijnsel mens' te analyseren in de context van de kosmologie, biologie en psychologie, en daarna kijken we in het laatste deel van het boek naar de bijbelse context.


Auteur

   Eerst maar iets over de auteur, die dit gewichtige onderwerp van diverse kanten heeft bekeken. Dr. Edgar Andrews is emeritus hoogleraar materiaalkunde aan de Universiteit van Londen en een internationaal expert op het gebied van polymeren. Hij is geboren in Didcot (graafschap Oxfordshire) in Engeland op 16 december 1932. Dr. Andrews is opgeleid als natuurkundige (BSc theoretische natuurkunde, PhD experimentele vastestoffysica, DSc natuurkunde). In 1967 richtte hij de afdeling materiaalkunde op aan het Queen Mary College van de Universiteit van Londen (een afdeling van de faculteit technische wetenschappen, waarvan hij later decaan werd). Hij heeft meer dan honderd wetenschappelijke studies en boeken gepubliceerd. Hij schreef ook enkele bijbelcommentaren en verscheidene werken over wetenschap, religie en theologie. Zijn boek From nothing to Nature is in tien talen vertaald. Bekend is zijn boek Wie heeft God gemaakt? Op zoek naar een allesverklarende theorie, waarvan het boek Wat is de mens? Adam, alien of aap? een zelfstandig te lezen vervolg genoemd mag worden.


Indeling van het boek

   Dr. Andrews heeft zijn boek onderverdeeld in drie delen, die achtereenvolgens bestaan uit (1) de mens en het universum, (2) de mens en de biosfeer en (3) de mens en de Bijbel.


De mens en het universum

   Vandaag de dag worden wij geconfronteerd met verschillende plausibele antwoorden op de vraag: wat is de mens? Die antwoorden, zegt Andrews, worden gekenmerkt door twee uitersten: door David in zijn Psalm (8) en door Darwin in zijn evolutietheorie of zijn theorie van 'gemeenschappelijke afstamming'. Binnen die twee uitersten zijn er nog een aantal alternatieven en die worden door Andrews uitvoerig besproken. Als beweerd wordt dat ons bewustzijn op de een of andere manier ontstond of ontwaakte uit een wirwar van neuronen, chemische stromen en elektrische impulsen in wat wij hersenen noemen, zegt Andrews dat een opkomend of ontwakend bewustzijn niet iets is wat bij toeval gebeurt. Ook de bewering dat het universum zichzelf uit het niets schiep en dat de natuurwetten wel tot de spontane schepping van de kosmos moesten leiden, pareert Andrews door de bewering dat 'iets of iemand met een onstoffelijke natuur die natuurwetten dan toch gemaakt moet hebben, en dat zij bestonden in het verstand van een onstoffelijk wezen'. Dat impliceert dat deze atheïstische theorieën logischerwijs tot de noodzakelijkheid van het bestaan van een scheppende God leiden. En dus is de logica van de atheïst ondeugdelijk. Allerlei andere zaken komen ook aan de orde, zoals de kans op buitenaards leven, het uniek zijn van de mens op kosmische schaal, het ontstaan van de kosmos, en het multiversum. Andrews concludeert: het antwoord op de vraag 'wat is de mens?' kunnen we niet vinden in allerlei multiversale ideeën.


De mens en de biosfeer

   We vinden geen enkele materialistische verklaring voor de wonderbaarlijke uniekheid van de mens en dus moet het gezegd: 'De uniekheid van de mens onder de zelfbewuste schepselen is onbetwistbaar.' Dr. Andrews onderzoekt de grote verschillen die er bestaan tussen de mens en onze 'naaste verwant', de chimpansee. Het blijkt dat er meer dan 200 verschillen tussen mensen en chimpansees bestaan, en Darwins theorie van gemeenschappelijke afstamming is een mythe van enorme proporties. Dat betekent ook, zegt Andrews na een spannend en goed leesbaar betoog, dat de chimpansees in de dichtstbijzijnde dierentuin niet uw naaste verwanten zijn, en dat u ze geen verjaardagskaart hoeft te sturen. Ook laat hij zien dat we weinig kunnen over onszelf kunnen aan de hand van de fossiele overblijfselen van primaten, en met de 14C methode van Willard Frank Libby kun je niets meten dat ouder is dan 40.000 jaar. Heel knap is het gedeelte over het verstand en het brein van de mens, en Andrews toont aan dat ons verstand blijft voortbestaan als het lichaam sterft, want: als elk menselijk verstand gearchiveerd is in het verstand van God, overleeft het verstand van de mens de vernietiging van het brein waarin het eens verbleef.


De mens en de Bijbel

   In de voorgaande twee delen stond de auteur stil bij de pogingen van atheïsten, evolutionisten en materialisten om de verklaring voor het leven, het universum en allerlei andere dingen te vinden. Daarbij laten alle theorieën en speculaties God er weliswaar bewust buiten, maar het blijkt dat ze geen van allen een definitieve verklaring kunnen bieden. Ook hierin is de auteur helder, en wat hij beweert staaft hij op grond van de Bijbel en het unieke scheppingsverhaal: de zondeval van Adam en Eva en de gevolgen ervan.
   Hij is goudeerlijk als hij opmerkt dat velen die de eerste hoofdstukken van Genesis als totale fictie beschouwen, het met zijn korte (!) analyse niet eens zullen zijn, maar, en ik citeer: 'De positie die ik uiteengezet heb, is naar mijn mening de enige die ons toestaat om de bijbelse claim serieus te nemen dat (1) God Adam en Eva 'naar Zijn eigen beeld' schiep, en (2) Jezus Christus in de wereld kwam om 'het verlorene te zoeken en te redden.' Deze God onderhoudt nog steeds voortdurend Zijn schepping, en de toekomst - het visioen van Johannes uit het laatste bijbelboek Openbaring - zal laten zien waar de bestemming van de mens uiteindelijk vervuld zal worden. Dat zal ook het laatste en ultieme antwoord zijn op de vraag: Wat is de mens?