Wie heeft God gemaakt?  (hoofdpagina)

   Voor wie de discussie over dit boek en zijn auteur op het blog van T. A. Smedes heeft gevolgd (waarover u onder aan deze pagina meer kunt lezen), beveel ik van harte deze artikelen van Jan van Meerten aan: T. A. Smedes en de creationisten (pdf) en ForumC en de creationisten (pdf).
   Zie ook onder aan deze pagina, waar u kunt lezen over de achtergrond van de eerste NBD|Biblion recensie van de hand van T. A. Smedes, die na een gegrond verklaarde klacht mijnerzijds verworpen werd en vervangen werd door een recensie van H. Chr. van Bemmel.

Klik hier voor de reactie van Edgar Andrews op de recensie van René Fransen.


Recensie door Dirk Verloop (april 2014)  -  in ‘Visserslatijn’, voor C.S.F.R. Ichthus (pag. 54-55)

   De poging tot het schrijven van een toegankelijk, argumentatief en wetenschappelijk verantwoord boek is bewonderenswaardig. Een groot wetenschapper schrijft een boek vol luchtige anekdotes, sprekende voorbeelden en humoristische opmerkingen. Andrews zoekt de grens op tussen polemiek en wetenschappelijk verantwoord schrijven.
   Het boek neemt duidelijk stelling in het atheïsme-theïsme-debat. Het zoomt in op een onderdeel van dit debat: het duel tussen evolutionisten en creationisten. Andrews is als emeritus hoogleraar materiaalkunde aan de universiteit van London duidelijk in zijn element op dit gebied. Hij strooit met wetenschappelijk onderzoek, komt met diep inhoudelijke argumenten, die hij aannemelijk en duidelijk weet te maken, zelfs aan hen die geen beta-studie hebben gevolgd.
   Als christenwetenschapper neemt Andrews verrassenderwijs niet de positie in van defender. Hij opent de aanval op de evolutietheorie als allesverklarende theorie. Dit doet hij door allereerst te schilderen wat het doel van de natuurwetenschap anno nu is: het zoeken van een allesverklarende theorie. Hij wijst op de tautologie in dit doel van de natuurwetenschap, die vervallen is tot een ‘studie van ‘de werkelijkheid’ die zichzelf als de enige werkelijkheid tegenover de ‘onwerkelijkheid stelt’ (pag. 59). Ook gaat de natuurwetenschap haar boekje te buiten door uitspraken te doen over metafysica, religie en zingevingsvragen, terwijl zij zich bezig dient te houden met natuurwetenschap, aldus Andrews. De natuurwetenschap heeft het logisch positivisme aangenomen, terwijl deze tak van filosofie in haar eigen vakgebied bestreden en verslagen is.
   De rol die de auteur aan de hypothese geeft is interessant. Een hypothese is een stevig fundament, waar je op kunt bouwen; het zijn ‘ideeën of inzichten die ons aansporen tot verder onderzoek, maar die ons ook de redenen daartoe geven’ (pag. 54). Andrews komt met de Godhypothese: met de aanname dat God bestaat, wat het uitgangspunt is voor vragen van alle aard. Deze aanname schept een fundament waarop wij kunnen bouwen, wat getoetst kan worden aan zowel de menselijke ervaring als de wetenschappelijke waarneming (pag. 65).
   Na zijn stelling geponeerd te hebben, gaat Andrews tegenstanders van zijn hypothese aanvallen. Stenger, Dawkins en vele anderen krijgen er in een scherpzinnige analyse van hun denkpatronen en (verzwegen) aannames behoorlijk van langs.
   De oorsprong van de kosmos is een punt dat uitgebreid aan bod komt. Dankzij zijn verstrekkende kennis op zijn vakgebied komt Andrews met een zeer geloofwaardige stelling dat het hoogst onwaarschijnlijk, zelfs wetenschappelijk onverantwoord is om te geloven in een oorsprong van het leven vanuit enkel een oerknal (die zelf al veronderstelt een minuscuul middelpunt te hebben gehad). Het probleem om zowel vorm als uniformiteit van onze kosmos te verklaren, wordt breed uitgemeten. Argumenten uit de kwantummechanica, de speciale relativiteitstheorie en uit een prachtige uiteenzetting van wat tijd is, boren de oerknal als verklarende theorie diep de grond in. Wat Andrews hier en in zijn hele boek doet, is het terugkoppelen naar de Godhypothese om te laten zien dat deze meer verklaart en zelfs voorspelt!
   De structuur van het aanvallen van de tegenstanders om vervolgens de Godhypothese daar als beter alternatief tegenover te stellen, hanteert hij ook bij de onderwerpen wetten, natuurwetten, wonderen, de mens en zijn verstand en het vraagstuk van de moraal. De auteur interpreteert het scheppingsverhaal in Genesis op een verfrissende doch bijbelvaste manier. De schepping ex nihilo, het aanbrengen van orde in de chaos, het boven de tijd staan van God, het inbrengen van energie … het wordt allemaal uitvoerig behandeld.
   Andrews is ook kritisch ten opzichte van sommige medegelovigen die God en de evolutietheorie willen verenigen. Zo keert hij zich fel tegen de Intelligent Design these als verklarende theorie, die onbevredigend is en een filosofisch fundament mist. Ook theïstische evolutie - de opvatting dat God het geestelijke van de mens door middel van een wonder heeft ingebracht (Lewis) - wordt getackeld.
   De auteur slaagt erin om op een geloofwaardige en toegankelijke manier de Godhypothese als een zeer aannemelijk alternatief neer te zetten. Het boek bevat veel verrassende en vernieuwende inzichten over zowel bijbelpassages als wetenschappelijke theorieën. Het technische en argumentatieve gehalte in dit boek is hoog, wat gecompenseerd wordt door mooie citaten, duidelijke voorbeelden en een heldere structuur. Een aanrader voor eenieder die zich in dit onderwerp wil verdiepen!


Recensie door Maarten Hertoghs (19 oktober 2013)  -  voor 'De Kruisbanier' en 'indekerk.be'  -  web

   De Godhypothese is het idee dat God de Schepper en oorsprong van al het leven is. Het doel van Edgar Andrews met Wie heeft God gemaakt is aantonen dat de Godhypothese in veel gevallen aanvaardbaar is. Zij is volgens Andrews zelfs meer dan aanvaardbaar, want op heel wat vlakken is zij logischer dan evolutie. Hij toont dit onder meer aan door uit te leggen wat mutaties zijn en hoe complex cellen in elkaar zitten. Andrews’ stelling is dat wetenschap hypothesen als vertrekpunt neemt, en dat wij het bestaan van God dus ook als vertrekpunt mogen nemen.
   Andrews breekt in zijn boek een lans voor eerlijke wetenschap. Het doel van de wetenschap is het beschrijven van de materiële wereld. Dat is iets anders dan de materiële wereld verklaren. Uitleggen ‘wat iets is’ verschilt van uitleggen ‘waarom iets is’. Mag een wetenschapper niets zeggen over dat laatste? Natuurlijk wel, dat doet Andrews zelf ook, maar een wetenschapper moet eerlijk zijn over wat wel en niet bewezen is. Die fout wordt massaal gemaakt. Wetenschappers doen vaak uitspraken over het ‘waarom’, terwijl ze in feite alleen maar het ‘wat’ onderzocht (en al dan niet bewezen) hebben. Volgens Andrews moeten we tegelijkertijd beseffen dat veel wetenschappers meer twijfels hebben over de evolutietheorie dan ze laten merken.


Sterren zien

   Wie heeft God gemaakt bijt zich stevig vast in de wereld van DNA, moleculen, mutaties, tijd, natuurwetten, cellen, enzovoort. Ik moet toegeven dat ik regelmatig de spreekwoordelijke ‘sterretjes’ heb gezien. Andrews zegt overigens zelf in het boek dat het niet erg is dat je niet alle finesses van een biologische uitleg begrijpt. Waar Andrews naartoe wil, is over het algemeen wel duidelijk.
   Wat vóór dit boek spreekt, is de luchtige manier van schrijven en de consequente uitleg van moeilijke woorden. Waar mogelijk worden natuurkundige principes vergeleken met alledaagse zaken. Zo komen we in het hele boek boterhammen met choco, yoghurt en muesli, uien en fretten tegen. Het blijft natuurlijk wel een stevige brok lees- en denkwerk, maar zoals ik hierboven aangaf, maakt de uitleg een enorm verschil.


Wetenschappelijke bagage vereist?

   Ik heb mijzelf de vraag gesteld of dit boek mij overtuigt. Mocht ik tijdens de lessen biologie en natuurkunde meer interesse aan de dag gelegd hebben, zou dit boek mij wellicht meer aangesproken hebben. Is het dan enkel een aanrader voor mensen met een stevige wetenschappelijke bagage? Ik geloof van niet. Het boek is namelijk geen poging om te bewijzen dat God bestaat en dat Hij de Schepper is. In dat geval zou ik niet aan het boek begonnen zijn, alleen al omdat ik erg huiverig sta tegenover mensen die stellen dat schepping bewezen kan worden. Dat doet Andrews dus niet. Dit boek is een poging om, gebruikmakend van wetenschappelijke ideeën, op diverse terreinen te laten zien dat het zo gek niet is om in een Schepper te geloven. Wat mij betreft is dat een geslaagde poging. Critici zullen tegenwerpen dat ik het boek gelezen heb met een gelovige bril op en dat ik daarom vind dat het een aanrader is. Wellicht klopt dit, maar vergeet niet dat iedereen bij het lezen en nadenken over dit onderwerp een bepaalde bril opheeft.


Conclusie

   Ik ben het enerzijds niet eens met alles wat Edgar Andrews schrijft. Volgens hem kun je een oerknal verenigen met geloof in God en de schepping. Daarin wil ik Andrews niet zomaar volgen. Anderzijds vind ik wel dat de Godhypothese een eerlijke kans verdient! Het zou daarom niet meer dan fair zijn wanneer in media en op scholen genuanceerder gesproken zou worden over wat wetenschap wel en niet bewezen heeft en hoe groot de vraagtekens zijn omtrent evolutie.


Recensie in De Nieuwe Koers, door Aad Kamsteeg (september 2013)  -  pdf

   De ene christen heeft er meer last van dan de ander, maar toch: je kunt als gelovige behoorlijk onder de indruk raken van het evolutionisme van nieuwe atheïsten als de hoogbegaafde Richard Dawkins. In veelbekeken praatprogramma's als Pauw & Witteman wordt de mogelijkheid van een God die de wereld met een bepaald doel schiep niet of nauwelijks serieus genomen. Tegenover zo veel atheïstisch 'geweld' heb je dan de neiging in je schulp te kruipen. Wie kan tegen Dawkins en de zijnen op? Antwoord: Edgar Andrews. Deze Britse emeritus hoogleraar gelooft in de betrouwbaarheid van de Bijbel en is tegelijk een erkend natuurkundige met een groot aantal publicaties op zijn naam. Wetenschappelijke instituten nodigen hem uit om in debat te gaan met activistische atheïsten als Dawkins en Jerry Coyne: 'Wat is betrouwbaarder: de leer van de schepping of het door nieuwe atheïsten als absolute waarheid gebrachte evolutionisme?'
   Wie heeft God gemaakt? is ook voor leken op het gebied van de 'grote moleculen' en materiaalkunde - bij uitstek het vakgebied van Andrews - goed te lezen. Ook al zullen zij, net als ik, zijn technische uiteenzettingen niet altijd helemaal begrijpen. Wat een originele titel overigens. De vraag is favoriet bij niet-gelovigen: 'Als God alles heeft gemaakt, wie heeft God dan gemaakt?' Andrews reageert met een wedervraag: 'Hoe lang is een touwtje?' Die vraag is natuurlijk onzinnig, simpelweg omdat niet duidelijk is over welk touwtje het gaat. Zo zal ook het begrip 'God' eerst gedefinieerd moeten worden. Want stel nu eens dat Hij veel complexer is en over veel meer dimensies beschikt dan wij ... In dat geval hoeft Hij natuurlijk helemaal nooit door een ander te zijn gemaakt. Om met C. S. Lewis te spreken: 'Van het grotere (goddelijke) geschrift is slechts een deel zichtbaar in het kleinere schrift dat het verhaal van deze wereld beschrijft.'
   Maar Andrews blijft niet steken in aannames. In zijn ook qua omvang forse boek wil hij tevens een intellectueel bevredigend alternatief bieden voor het evolutionaire atheïsme. Met een heel scala aan voorbeelden wil hij aantonen dat onze menselijke waarnemingen en ervaringen eerder wijzen op het bestaan van God dan op de afwezigheid van de bijbelse Schepper en Onderhouder van alle dingen. Verschillende uit de apologetiek bekende onderwerpen passeren de revue: waar komt de oerknal vandaan, de natuurwetten, hoe ontstond de moraal, hoe gebeuren wonderen, wie was de eerste 'echte' mens? Andrews waarschuwt dat christenen geen tegenstelling moeten maken tussen wetenschap en bijbels christendom. Ze zijn geen vijanden van elkaar, integendeel: ze bevestigen elkaar. De kracht van Andrews' boek is dat het niet alleen de al overtuigden in hun mening bevestigt, maar ook nieuwe atheïsten aan het denken kan zetten.


Recensie Boekhandel Westerhof, Zwolle, door ds. Jenno Sijtsma (17 juli 2013)  -  pdf

   Als u bovenstaande titel opmerkelijk vindt, kan ik u alleen maar helemaal gelijk geven. Ook ik moest wel even slikken toen ik deze titel zag, en dan ook nog met de ondertitel: Op zoek naar een allesverklarende theorie. Maar nu ik het boek gelezen heb en meerdere pagina’s zelfs meer dan eens, kan ik u verzekeren dat in dit boek ongelooflijk veel materiaal wordt aangeboden dat uitgebreid ingaat op het bestaan van God, wie Hij is en wie de mens is.
   Allereerst iets over de auteur Edgar H. Andrews. Hij is emeritus hoogleraar materiaalkunde aan de universiteit van Londen en internationaal expert op het gebied van polymeren (grote moleculen). In 1967 richtte hij de afdeling materiaalkunde op aan het Queen Mary College van die universiteit. Daar begon hij als rector en later werd hij decaan technische wetenschappen. Hij heeft niet alleen meer dan honderd (!) wetenschappelijke studies en boeken gepubliceerd, maar ook twee bijbelcommentaren en verscheidene werken over wetenschap, religie en theologie.


De Godhypothese

   Over de titel van het boek schrijft prof. dr. ir. Kees Roos - emeritus hoogleraar wiskunde aan de TU Delft - in het voorwoord bij deze Nederlandse vertaling dat die ontleend is aan een favoriete vraag van de sceptici: Als God alles gemaakt heeft, wie heeft God dan gemaakt? Voor de auteur is het geen vraag dat God (er) is, en dat wij door Hem bestaan. Andrews treedt in dit boek in discussie met hedendaagse wetenschappers die het publiek ervan proberen te overtuigen dat de wetenschap heeft aangetoond dat er geen God is.’ Het is niet de bedoeling van de geleerde auteur om het bestaan van God te bewijzen, integendeel zijn uitgangspunt is het bestaan van God. Hij noemt dat de ‘Godhypothese’, en in heel zijn boek toont hij aan dat die hypothese tot een opmerkelijk aantal conclusies leidt die GETOETST kunnen worden aan de menselijke ervaring, en dat zelfs inclusief de wetenschappelijke waarnemingen. Hij bespreekt niet alleen de bevindingen van de moderne natuurkunde (zijn eigen vakgebied), maar gaat ook in op vragen met betrekking tot de oorsprong van het universum. Dat betekent dat er diepgaand nagedacht wordt over het ontstaan van de tijd, de natuurwetten en al hun aspecten, het leven, het menselijk verstand en de moraal. En, zo merkt hij op, ‘op die manier kunnen we de vooronderstellingen van de Godhypothese en die van het atheïstisch naturalisme met elkaar vergelijken’, waarna uiteraard de conclusie luidt dat ‘de Godhypothese zonder meer en in elk opzicht superieur is’. En de wetenschap…?


Geen verklaring

   Wetenschap verklaart niets, zo betoogt Andrews. Neem bijvoorbeeld de zwaartekracht. De zwaartekracht betekent dat we met beide benen op de grond kunnen blijven staan, en we kunnen die kracht ook meten. Maar de wetenschap vertelt ons niet waarom de zwaartekracht bestaat, en ook Einstein heeft daar met zijn algemene relativiteitstheorie geen verklaring voor geboden. De wetenschap, het wetenschappelijk onderzoek en allerlei wetenschappelijke ideeën helpen ons ontegenzeggelijk beter te begrijpen hoe het universum werkt, maar tegelijkertijd stuit men daarbij op grote onverklaarbare geheimenissen - zoals gekromde ruimtetijd waarin we gewoon in wegzakken. Niet voor niets zei de grote geleerde J. B. S. Haldane: ‘Het universum is niet alleen vreemder dan we denken, het is ook vreemder dan we kunnen denken.’


Hypothese nodig

   Elke keer als we iets willen onderzoeken dat buiten het directe bereik van onze zintuigen ligt, beginnen we met een hypothese. Vandaaruit redeneren we en proberen we ertoe te komen dat er conclusies aan verbonden kunnen worden die overeenkomen met de werkelijkheid. Zo gaat de auteur, met de joods-christelijke geschriften uit van de ‘hypothetische’ benadering, waarin het bestaan van God wordt aangevoerd als een aanname, als een fundament, waaruit vervolgens conclusies getrokken kunnen worden. Wij waren er niet bij toen God de wereld schiep en dus moet het ons geopenbaard worden. In en vanuit die hypothetische benadering is openbaring een gegeven en tegelijk bewijst en verklaart die hypothese het bestaan van God niet. (Maar dat geldt voor meer dingen die onverklaarbaar zijn, en de auteur noemt er vier: de oorsprong van het universum, van de natuurwetten, van het leven en van het verstand en de gedachten). Maar, aldus Andrews, de uitspraak in Genesis: ‘In den beginne schiep God de hemel en de aarde’ komt echt 100% overeen met het huidige wetenschappelijke geloof in een oerknal als begin van het universum. Bovendien, we moeten niet vergeten dat de oerknaltheorie of het ‘standaardmodel’ van het universum ‘niet meer is dan een wetenschappelijk model. Het is het scenario dat werd bereikt door met behulp van berekeningen terug te gaan in de tijd aan de hand van het huidige inzicht dat de ruimte uitdijt en overal gelijkmatig doortrokken is van een ‘achtergrond’ van elektromagnetische straling, en wat strookt met een oorspronkelijk, superheet en samengeperst universum’. Wat de oerknal betreft zegt de auteur voorin het boek nog het volgende: ‘De lezer zou zich kunnen afvragen waarom ik niets zeg over de ideeën van creationistische astronomen als Hartnett, Humphreys, Lisle en Setterfield. Ik ben op deze en andere zaken niet ingegaan omdat het een boek is voor ‘de man in de straat’, en het zou averechts werken als ik een impasse creëer door dieper in te gaan op allerlei moeilijke (maar ongetwijfeld waardevolle) creationistische theorieën die door de meeste kosmologen niet aanvaard worden. Ik wil met dit boek laten zien dat de reguliere wetenschap ook middelen heeft die de Godhypothese kunnen bevestigen. Anders zou ik mij schuldig maken aan het houden van een pleidooi voor een specifieke richting. Ik ga dus niet verder op deze dingen in omdat het de gemiddelde lezer zal afleiden van het hoofdthema van het boek, namelijk dat naast de theorie van de macro-evolutie, de bijbelse wereldvisie heel goed kan samengaan met de huidige wetenschappelijke consensus.’


De natuurwetten

   Zonder natuurwetten kan de wetenschap niet bestaan. Maar er dienen zich vragen aan als: waar komen ze vandaan, hoe werken ze, en waarom blijven ze onveranderd van kracht? De atheïsten veronderstellen dat ze de oorsprong van de natuurwetten kunnen verklaren (!) door een beroep te doen op dingen als ‘symmetrie van de lege ruimte’. Maar, zegt Andrews, stel dat het inderdaad zo was, dan blijft de moeilijke vraag: Waarom heeft de ‘lege ruimte’ deze veronderstelde symmetrieën?
   Een andere vraag is waarom de structuur van het stoffelijk universum wiskundig is. Wiskunde is toch alleen maar een product van het menselijk denken? De auteur laat in een prachtig betoog zien dat de Godhypothese op deze vragen een kant-en-klaar antwoord heeft. Want als God de Schepper is van het universum en van de wetten die het besturen, en als de mens naar het beeld van God is geschapen als rationeel, intelligent wezen, dan ‘is het absoluut mogelijk - zelfs noodzakelijk - voor de mens om Gods gedachten te ‘traceren’ of ‘na te denken’ dat is ‘’herdenken’ (Kepler) en ‘de gedachten van God te kennen’ (Hawking). Als God een wiskundige is, moet de mens ook een wiskundige zijn. Maar als er geen God is en de mens een evolutionair ongelukje is, is er geen enkele reden waardoor we in staat moeten zijn om de wiskundige structuur van het universum te begrijpen, laat staan herkennen’.


Conclusie

   Andrews is duidelijk en glashelder in zijn betoog, ook al zijn er soms formuleringen die diep nadenken vragen. Maar hij is helder als hij als het ware zijn conclusie geeft over de bijbelse Godhypothese die drie dingen suggereert. In de eerste plaats stelt zij dat de kosmos ‘beheerst’ wordt door vaste, rationele en universele natuurwetten, die de vrucht zijn van een rationele, almachtige en alomtegenwoordige Schepper wiens aard ‘niet verandert’. In de tweede plaats stelt de Godhypothese dat deze natuurwetten geen op zichzelf staande, onafhankelijke principes zijn die los van hun Schepper bestaan, maar de voortdurende uitdrukking zijn van Zijn wil en verstand. In de derde plaats laat deze hypothese ook toe dat God de vrijheid heeft om ‘van gedachten te veranderen’ en op een andere, wonderbaarlijke manier in de natuurlijke wereld te werken. Gods absolute macht en Zijn absolute volmaaktheid gaan hand in hand.


Ten slotte

   Er komt machtig veel in dit boek aan de orde, vooral waar Andrews duidelijk aantoont dat atheïsten als Dawkins en anderen pertinent de plank misslaan met hun visies en veronderstellingen. Zonder een werkend systeem kan natuurlijke selectie nooit werkzaam zijn en het is zonder meer helder dat de Godhypothese hier de juiste weg wijst. Maar ook dient de lezer te beseffen dat het werk van God ons vermogen om het te begrijpen overstijgt. Het boek van Andrews is rijk aan visie en gedachten, die zeker in deze tijd waarin velen die God niet meer denken nodig te hebben of niet meer in Hem geloven, op wetenschappelijk verantwoorde manier tot een juist inzicht kunnen komen.
   Doe ik de auteur van dit verbazingwekkende, veelomvattende, zeer interessante en bovenal verrijkende boek met mijn woorden recht? De vraag stellen is haar beantwoorden en ik zeg volmondig: nee, ik doe hem geen recht. Maar omdat er zo onnoemelijk veel meer in dit boek aan de orde komt, is bovenstaande uitsluitend bedoeld om u te interesseren voor dit belangrijke werk. Helder verwoordt Andrews het zelf, als hij zegt dat zijn boek een onderzoek is naar ‘hoe de bijbelse Godhypothese voorziet in een begrijpelijke, intellectueel consistente en geestelijk bevredigende visie op het bestaan, die zowel het menselijk leven als het universum en al wat daarin is, omvat’. En dat is naar mijn gevoelen zonder meer waar!


Recensie in Documentum, het blad van Depositum Custodi, door Elsbeth den Braber (25 mei 2013)  -  pdf

   Natuurwetenschappers zijn al decennia lang op zoek naar een theorie die alle natuurkundige processen in het universum verklaart. Zo’n theorie omvat echter alleen de materiële aspecten van dit bestaan. Zou het ook mogelijk zijn om een theorie te vinden die een verklaring biedt voor alle materiële en immateriële zaken in dit universum? Ja, zegt dr. Andrews in zijn boek Wie heeft God gemaakt? Sterker nog, Andrews stelt ‘dat we zo’n theorie al hebben, namelijk een die gebaseerd is op de Godhypothese’(pag. II). Deze Godhypothese is de rode draad in het hele boek. Elke keer komt Andrews hier weer op uit. Deze hypothese wordt dan ook omschreven als ‘een fundament waarop gebouwd kan worden - een aanname die ons tot een hele reeks van conclusies leidt die getoetst kunnen worden aan de menselijke ervaring, inclusief de wetenschappelijke waarnemingen’ (pag. 65).
   Toetsen is ook precies wat Andrews in dit boek doet. In zeventien hoofdstukken komen de meest uiteenlopende onderwerpen aan de orde: van de tien geboden en Einsteins relativiteitstheorie tot en met de genetische code. Wat de onderwerpen bindt, is hun kritiek op het zuiver materialistische denken dat kenmerkend is voor de consequente atheïst. Elke keer wordt duidelijk dat de Godhypothese de meest logische verklaring is voor de ervaringen van de mens.
   In hoofdstuk 6 behandelt Andrews wie God is en wie Hij niet is. ‘God is geen God van de gaten, en dat is Hij ook nooit geweest. Dat beeld van de godheid is een parodie op religie die nooit door enig weldenkend mens is omarmd’ (pag. 94). Ondanks deze ferme woorden ontkwam ik niet helemaal aan het idee dat Andrews’ God toch ook een God-van-de-gaten is. De onderwerpen waartoe Andrews zich in zijn boek beperkt, vertegenwoordigen de hiaten in de natuurwetenschappelijke kennis van onze tijd. Door de focus op deze onderwerpen lijkt de rol van God (onbedoeld) slechts beperkt te zijn tot het opvullen van de gaten in onze kennis.
   De 'natuurwetenschappelijke gaten’ worden overigens op een zeer duidelijke en beeldende manier beschreven. Een groot pluspunt zijn de grijze kaders waarin een overzicht wordt gegeven van wat in het volgende hoofdstuk besproken gaat worden. Hierin worden ook moeilijke woorden uitgelegd die in dat hoofdstuk gebruikt worden. Op deze manier weet je wat je als lezer kunt verwachten en heb je meer grip op de behandelde stof. Dat is geen overbodige luxe: bijzonder ingewikkelde zaken passeren de revue. Toch krijgt Andrews het voor elkaar dat zelfs de grootste leek op natuurwetenschappelijk gebied het boek kan begrijpen. ‘U weet niets van thermodynamica? Dan gaat u er nu iets van leren. Neem een porseleinen soepkom en laat die op een stenen vloer vallen, bij voorkeur zonder de soep erin. […] Veeg nu alle scherven bij elkaar en laat ze nogmaals op de vloer vallen. Zijn ze weer verenigd in de ‘geordende’ vorm die de soepkom eerst had? Nee? Wel, dat is thermodynamica’ (pag. 12, 13). Dit soort voorbeelden kenmerken Andrews’ schrijfstijl. Een keer iets niet begrijpen is overigens ook niet erg. ‘Mijn tweede verontschuldiging is dat u sommige dingen in het huidige en volgende hoofdstuk niet zult begrijpen, omdat we ons met behoorlijk ingewikkelde dingen zullen bezighouden […], om u te bemoedigen wil ik er echter op wijzen dat het ook niet de bedoeling is dat u het begrijpt’ (pag. 20, 21). Deze vleugjes Britse humor maken het boek makkelijker te lezen, alhoewel het voor nuchtere Hollanders soms wat te veel van het goede is. Jammer is ook dat er af en toe verwezen wordt naar onbekende personages uit de Engelse kinderboekenwereld.
   Toch blijft de boodschap van het boek staan als een huis. God bestaat en de natuurwetenschap verwijst terug naar Hem. Dit boek is daarom een absolute aanrader voor iedereen die zich afvraagt hoe je de huidige natuur-wetenschappelijke inzichten en het geloof in de God van de Bijbel kunt verbinden.


Reactie Edgar Andrews (de auteur)

   Hoe ontkomen we aan de vaak gehoorde beschuldiging dat onze God een ‘God-van-de-gaten-in-de-wetenschappelijke-kennis’ is? Het commentaar van de recensent op de ‘God-van-de-gaten’-kwestie is gebaseerd op een (of wellicht meerdere) misvatting(en). Ten eerste: de ‘keuze van de wetenschappelijke onderwerpen’ werd gedicteerd door de status van die onderwerpen. Die onderwerpen bevinden zich namelijk in de voorhoede van de studiegebieden die vandaag de dag belangrijk gevonden worden, hoewel ik ook in het kort een historische beschrijving geef van elk onderwerp, omdat het boek immers in de eerste plaats geschreven is om begrepen te kunnen worden door wetenschappelijke leken. Zo nemen de deeltjesfysica, de snaartheorie en de oorsprong van de kosmos een belangrijke positie in de fysica in, terwijl studies naar de oorsprong van het leven en de aard van het menselijk genoom (inclusief de recente ENCODE-resultaten omtrent het zogenaamde junk-DNA - ik hield in mijn boek al rekening met die resultaten) de belangrijke onderwerpen in de biologie zijn. Ik besef dat mijn keuze van de genoemde belangrijke wetenschappelijke onderwerpen een onbedoeld, bijkomend raakvlak vormt met de wetenschappelijke ‘gaten’ omdat het huidige en toekomstige onderzoek in die vooraanstaande wetenschappelijke gebieden zich als vanzelf op deze onopgeloste problemen zal richten, maar ik denk dat ik genoeg duidelijk heb gemaakt dat naarmate de wetenschappelijke gaten worden ingevuld, de antwoorden van de wetenschap er juist toe neigen het bijbelse wereldbeeld te bevestigen, in plaats van het te ontkrachten.
   Een meer fundamentele misvatting heeft betrekking op mijn bewering dat wetenschap, beschouwd als epistemologie - dat is als middel om kennis te vergaren - fundamentele beperkingen heeft. Het duidelijkste voorbeeld hiervan (waaraan ik een heel hoofdstuk besteed in mijn boek) is dat de wetenschap nooit de oorsprong van de wetten van de natuur kan ‘verklaren’. Waarom niet? Omdat wetenschappelijke verklaringen per definitie een beroep doen op de wetten van de natuur (dat wil zeggen: wetenschappelijke verklaringen ‘reduceren’ fenomenen altijd tot de werking van de wetten van de natuur). Maar de wetten van de natuur kunnen zelf niet op die manier gereduceerd worden, omdat dit zou leiden tot een oneindige regressie waarbij wet A verklaard wordt in termen van wet B, die op zijn beurt weer verklaard moet worden in termen van wet C, die zelf weer door wet D verklaard moet worden, enzovoort. Wij moeten oppassen dat wij de ‘gaten’ in de wetenschappelijke kennis niet verwarren met de ultieme beperkingen van de wetenschap als epistemologie.


Recensie in het Kerkblad voor het Noorden, door Nynke Sikkema-Holwerda (11 mei 2013)  -  web

   Bestaat God? Velen ontkennen dat. Ze gaan ervan uit dat het heelal in een proces van geleidelijke ontwikkeling is ontstaan. Geen God, maar evolutie. Wat moet je daarop antwoorden? Kun je bewijzen dat God bestaat en dat Hij de Schepper is?   Dat is met Wie heeft God gemaakt? niet aan de orde. Hier spreekt een door beide zijden geaccepteerde deskundige. Zijn theorie die alles verklaart, zoals de ondertitel van het boek zegt, is de Godhypothese. Met humor en scherpe argumenten brengt hij deze hypothese onder onze aandacht.
   Volgens Edgar Andrews moet je gewoon aannemen dat Hij bestaat. Dan kun je alles om je heen veel beter verklaren dan wanneer je uitgaat van de evolutietheorie. Ook allerlei menselijke ervaringen en wetenschappelijke inzichten. Wanneer je uitgaat van de evolutietheorie, loop je vast en zeker op een aantal punten vast.


Tegen evolutietheorie

   Volgens Andrews geeft het bestaan van God en wat Hij zegt in zijn Woord een beter inzicht in het ontstaan van het universum. Daarmee kun je ook verklaren dat er orde is in het universum. Je kunt daarin de hand van een Ontwerper zien. Je kunt ook gemakkelijker begrijpen dat de natuur heel complex in elkaar zit. Deze complexiteit is op celniveau al enorm groot. Dat er moraliteit bestaat, dus dat mensen spreken over goed en kwaad, is ook beter uit te leggen. Je hebt dan ook een beter inzicht in de verhouding tussen de menselijke geest (onstoffelijk) en de materie (waarneembaar).
   Sommigen zoeken naar een combinatie. Zij gaan uit van het bestaan van God en nemen tegelijk aan dat het heelal in een proces van evolutie is ontstaan. Dit is de stroming van het zogenaamde theïstisch evolutionisme. Deze stroming meent dat de evolutie een proces is dat door God wordt gestuurd. Hij leidt dat proces. Regelmatig grijpt Hij in dit proces in. Dat heeft Hij bijvoorbeeld gedaan bij de schepping van de mens. Maar verder blijft Hij op de achtergrond. Deze visie vindt Andrews echter onaanvaardbaar. Hij kan dat vanuit de Bijbel niet aanvaarden. Bovendien kan hij dat model niet rijmen met zijn eigen nadenken over deze dingen. Daarnaast wijst hij op een gevaar. Wie de evolutietheorie aanvaardt, zal daar nog iets anders bijkrijgen. Dat is het nihilisme. Het nihilisme gaat ervan uit dat onze wereld bij toeval is ontstaan en daarom uiteindelijk zinloos is. Er is geen ontwerp. Waarom, zo wordt gezegd, zouden we dan waarde toekennen aan de wereld waarin we leven en aan het leven op zichzelf?


Iets uit niets?

   In het gesprek met iemand die niet gelooft, doet Andrews een voorstel: laten we ervan uitgaan dat God bestaat. Dan kun je alle dingen veel gemakkelijker verklaren. De gesprekspartner zal misschien zeggen: 'Maar wie heeft God dan gemaakt?' Op deze vraag is maar één antwoord mogelijk: niemand. Dat zal voor onze gesprekspartner misschien niet zo gemakkelijk zijn. Hij zal zeggen: 'Als niemand Hem heeft gemaakt, kan Hij er niet zijn. Alles heeft een oorzaak. Toch?' Ja, tenzij je aanneemt dat er een geestelijke werkelijkheid is. Volgens Andrews moet je dat wel doen. Er is een geestelijke werkelijkheid waar andere ‘wetten’ heersen dan in onze zichtbare werkelijkheid.
   In onze werkelijkheid heerst de wet van oorzaak en gevolg. Er is niets zonder oorzaak, zo zeggen we. Maar de vraag is of je met dat laatste uitkomt. Als je zegt dat alles zijn oorzaak heeft, moet je doorgaan tot in het oneindige. En dat is toch onmogelijk. Er zal een eerste oorzaak moeten zijn. En dat is God. Hij staat aan het begin.
   Ook wetenschappers worden soms wat terughoudender in het spreken over oorzaak en gevolg. Van sommige dingen is geen oorzaak aan te wijzen. Maar al te vaak staan wetenschappers voor zaken die zij niet kunnen verklaren. Denk bijvoorbeeld aan de allerkleinste deeltjes waaruit atomen zijn opgebouwd. Het zijn deeltjes, maar toch ook weer niet. Ze zijn eerder energie die informatie bevat welke zich in verschillende richtingen kan ontwikkelen. Onvoorstelbaar. Als je naar de macrokosmos, het heelal, kijkt is deze onvoorstelbaar, maar ook als je naar de microkosmos kijkt. Dan schieten wetenschappers met hun verklaringen van oorzaak en gevolg te kort. Op dat niveau lijkt er niet eens sprake te zijn van oorzaak en gevolg! Men kan niet meer doen dan met ingewikkelde berekeningen aannemen dat iets zo en zo in elkaar zit. Dus, zo zegt Andrews, ook in de wetenschap leeft men met wat je moet aannemen. Je hebt het gewoon maar te geloven, deze onzichtbare ‘dingen’, die ten grondslag liggen aan de stoffelijke wereld. Waarom zou je dan ook niet aannemen en geloven dat God de Schepper is?


Verwondering

   Het verwondert mij diep dat de grondstof van onze stoffelijke wereld zelf onstoffelijk is. Niet het atoom is uiteindelijk de basiseenheid van de materie, maar energie en informatie. Sommigen spreken dan ook over een intelligent, denkend heelal. We scheren dan, het kan niet anders, langs het geheim van Gods schepping en instandhouding, waarin Hij zelf nog steeds aanwezig is: denkend, sprekend en daarmee scheppend. Want Zijn denken en spreken zijn bij uitstek impulsen van energie en informatie. Hij sprak: er zij licht. En er was licht.
   Het bevreemdde mij dat Andrews zichzelf positioneert als een dualist. Materie en geest zijn twee niet tot elkaar te herleiden werkelijkheden, stelt hij. Dat hij niet meegaat in de opvatting dat geest een product van materie is, dat begrijp ik. Maar hoe verklaart hij dan de wisselwerking tussen de geest en de materie (lees: lichaam, hersenen)? Het denken heeft invloed op de materie en in het bijzonder op onze hersenen, zo stelt hij zelf. Dus zijn geest en materie heel nauw verbonden. Geest en materie zullen dan toch een onderliggende gemeenschappelijke werkelijkheid moeten delen?
   Andrews schrijft met humor en geeft ook goede uitleg. Het is soms een moeilijk boek, maar toch ook heel leerzaam. Het geeft een beter begrip van de menselijke ervaring en de werkelijkheid, uitmondend in een conclusie over wat de mens van God nodig heeft, een vernieuwd hart.


Recensie in De Band, door Barend Verkerk (juli 2013)  -  Filadelfia Zending

   Ik heb er lang over gedaan om dit boek uit te lezen. Niet dat het niet interessant is, maar omdat het zoveel stof tot (tussendoor) nadenken geeft. We worden vanuit de wetenschappelijke hoek voortdurend bestookt met boeken die beweren en ‘bewijzen’ dat de evolutietheorie hét antwoord is op alle vragen over het ontstaan van het heelal, de aarde, de mens, enzovoort. De boeken die daar tegenin gaan, zijn meestal geschreven door theologen of populair-wetenschappelijke schrijvers. Waarbij je dan vaak de gedachte bekruipt dat ze willen evangeliseren of er wetenschappelijk gezien geen verstand van hebben.
   Dat is met Wie heeft God gemaakt? niet aan de orde. Hier spreekt een door beide zijden geaccepteerde deskundige. Zijn theorie die alles verklaart, zoals de ondertitel van het boek zegt, is de Godhypothese. Met humor en scherpe argumenten brengt hij deze hypothese onder onze aandacht.
   Met hoofdstuktitels als ‘Met een stoommachine naar de sterren’ en ‘Uien pellen’ begrijp je meteen al dat dit boek ook geschreven is voor de gewone lezer, die niet bijzonder wetenschappelijk geschoold hoeft te zijn om door dit boek gefascineerd te worden. Maar als u vanwege de titel denkt dat dit boek voorgoed met God afrekent, is het maar beter dat u uw geld terugvraagt, aldus de schrijver in zijn inleiding.
   Als u nog geen bevredigende antwoorden hebt gevonden op de vragen van het leven: waar kom ik vandaan, waartoe ben ik op aarde en waar ga ik naar toe, dan is de Bijbel natuurlijk het eerste boek dat u kunt lezen, maar dit boek van professor Andrews is dan wel een goede hulp daarbij. Het boek wil (volgens een citaat uit de inleiding) onderzoeken hoe de Godhypothese voorziet in een begrijpelijke (zowel intellectueel als geestelijk acceptabele) visie op het bestaan. Nu ik dit zo opschrijf met nog heel veel vragen in mijn hoofd en hart over dit onderwerp, bedenk ik ook dat ik het boek nog maar een keer ga lezen …


Recensie in Sophie, door Pieter de Boer (februari 2013)  -  pdf

   De auteur, emeritus hoogleraar materiaalkunde in Londen, gaat in dit boek in op de aloude vraag waar God vandaan komt. Hij stelt dat natuurwetenschappers dezelfde zoektocht maken als theologen. Andrews gaat met name in op de discussie die is opgerakeld door de ‘nieuwe atheïsten’. Je zou de redeneertrant van deze beweging de ‘wetenschap van de gatentheorie’ kunnen noemen. Nieuwe atheïsten verwijten christenen in sprookjes te geloven, terwijl je kunt ontdekken dat zij zelf heel veel dingen voor waar aannemen, zonder daar bewijzen voor te hebben. Uitgebreid gaat Andrews in op de verschillende soorten wetten die er zijn. Daarbij tekent hij aan dat de wetten de grenzen bepalen, ze bepalen niet hoe we het spel moeten spelen. Vanuit de wetten kun je daarom niets verklaren over de oorsprong. In schoolboeken waarin gesproken wordt over het ontstaan van het heelal worden diverse wetten als reeds aanwezig verondersteld. Maar als er niets is, is de bijdrage van bijvoorbeeld de zwaartekracht aan het ontstaan van de elementen zeer onwaarschijnlijk. Of je moet aannemen dat de zwaartekracht bij een eventuele ‘big bang’ negatief was, maar dat is natuurkundig lastig te verklaren.
   Over natuurlijke selectie zegt hij dat ‘een vluchtreflex bij een groene kool om te vluchten voor een konijn’ geen vorm van natuurlijke selectie is. Deze selecties kunnen alleen voorkomen in functionerende systemen. Zeker als er gesproken wordt over complexe systemen is er geen sprake van zich herhalende patronen, maar juist van afwijking van het patroon.
   Elk hoofdstuk begint met een samenvatting en uitleg van moeilijke begrippen. Het boek biedt veel stof tot nadenken, ook voor mensen die minder thuis zijn in deze ingewikkelde en tevens boeiende materie.


Recensie in Profetisch Perspectief, door Hubert Luns (herfstnummer 2012)  -  pdf

   Een mooi boek, bestemd voor mensen met een wetenschappelijke belangstelling. Ingewikkelde materie weet Edgar Andrews in toegankelijke taal uit te leggen. Het boek is uitstekend vertaald en heeft een woord vooraf van Kees Roos, emeritus hoogleraar wiskunde aan de TU Delft.
   De auteur heeft de titel van zijn boek ontleend aan een favoriete vraag van sceptici: ‘Als God alles heeft gemaakt, wie heeft God dan gemaakt?’ Edgar Andrews stelt vooraf de hypothese dat God bestaat. Vervolgens bekijkt hij in hoeverre deze hypothese door wetenschappelijk onderzoek wordt bevestigd. In zijn debat kruist Edgar Andrews de degens met bekende coryfeeën zoals Richard Dawkins en Stephen Hawking, die juist het tegenovergestelde beweren (‘God bestaat niet’). Alhoewel God via de Godhypothese niet kan worden bewezen, blijkt het uitstekend verdedigbaar, veel beter zelfs dan de veronderstelling dat God ‘niet bestaat’. Nog altijd zoekt de wetenschap naar de allesomvattende theorie. Krampachtig wordt iedere indicatie naar God uitgeband, zelfs als de logica duidelijk wijst op (goddelijk) ontwerp.
   Voor de Godhypothese, en zo is ook de opzet van dit boek, gaat de schrijver uit van vier dingen die wetenschappelijk onverklaarbaar zijn: 1) de oorsprong van het heelal, 2) de oorsprong van de natuurwetten, 3) de oorsprong van het leven en 4) de oorsprong van het verstand en de gedachten. Deze vier ‘ongerijmdheden’ werkt hij op sublieme wijze uit. Ik noem het derde punt, de oorsprong van het leven. Hier gaat hij in op de basisblokken van het leven zoals die zijn vastgelegd in onze genetische code. Nog nooit heb ik over dit aspect zo’n goed onderbouwd betoog gezien. Edgar Andrews stelt dat chemie, of biochemie nooit informatie op zichzelf heeft; DNA is informatie-drager, dat echter een ‘woordenboek’ nodig heeft om te worden verstaan: op zichzelf beschouwd betekent een combinatie van het een of ander niets. Het is de betekenis die daaraan wordt toegekend die het intelligent maakt. Er is dus iemand nodig geweest, een macht, om die informatie via de chemische verbindingen toe te voegen en werkzaam te maken, of functioneel. Het zij vermeld dat in de oersoep - toen alles begon - aminozuren uiteenvallen (het celvocht is een universum apart), hetgeen een ander onoverkomenlijk probleem schept, indien we de natuur zijn gang laten gaan en God terzijde schuiven. Niettemin ontstaat volgens het chemische script van het DNA het leven in welhaast oneindige variatie en geeft het zich op die manier door aan volgende generaties. Het DNA is de taal van God. Daarom: God sprak ... en creëerde.
   Ik zou graag eens met professor Andrews over verschillende onderwerpen van gedachten willen wisselen. Eén punt wens ik nu reeds te bespreken. Hij beweert dat wiskunde (en dus ook getallen) ‘alleen het product is van het menselijk verstand’ (pag. 171). Daarmee schaart hij zich achter Richard Dedekind. In een geschrift uit 1887 - Wat zijn getallen en wat betekenen ze? - legt de laatste uit dat getallen een product zijn van het menselijk vernuft. Deze opvatting is sindsdien binnen de wetenschap leidend geweest. Deze opinie is gerechtvaardigd indien God ‘niet bestaat’. De atheïst Bertrand Russell stelde dan ook: ‘Natuurkunde is wiskunde, niet omdat wij zoveel over de materiële wereld weten, maar omdat wij er zo weinig van weten: alleen haar wiskundige eigenschappen kunnen wij ontdekken.’
   Ik neem daar stelling tegen. Indien God ‘bestaat’, zou wiskunde de taal van God kunnen zijn waarmede het universum in zijn natuurwetten cohesie krijgt op een manier die vergelijkbaar is met de code die in het DNA-script verankerd ligt. Aldus zijn de wiskundige formules de ultieme verklaring voor de fenomenen die zich aan ons voordoen, zelfs als die formules weinig raakpunten schijnen te hebben met onze zintuiglijke ervaring en ons voorstellingsvermogen.

O ja, u hebt het reeds begrepen, mijn advies is goudomrand. Een uitstekend boek!


NBD|Biblion recensie - dr. H. Chr. van Bemmel

   De auteur is emeritus hoogleraar materiaalkunde aan de Universiteit van Londen. Je zou verwachten dat een natuurkundige het bestaan van een God zou betwijfelen. Maar niets is minder waar. Voor Andrews is de godhypothese ruimschoots bewezen. Dat is zijn conclusie aan het einde van het boek. Hij keert zich daarbij tegen de vrij gangbare evolutietheorie. Wie het daarbij vooral moet ontgelden is Richard Dawkins, de bekende auteur over dit onderwerp. Andrews noemt hem, 'met zijn consorten', de nieuwe atheïst. De auteur gaat daarbij vrij ver in het aanhalen van argumenten om zijn gelijk te bewijzen. Zo heeft hij antwoorden op de theorie van de oerknal. Ook gaat hij in op de door wetenschappers aangehaalde mutaties van genen, maar uiteindelijk keert hij terug naar het bijbelboek Genesis waarin God als Schepper van alles wordt beschreven. Voor velen zal dit een intrigerend boek zijn, zowel voor degenen die in God geloven als voor degenen die Zijn bestaan ontkennen. De vraag is wel of dit uitgebreide betoog veel lezers zal aanspreken. Voorzien van voetnoten, eindnoten en een register.


Recensie in Weet Magazine (herfstnummer 2012)  -  web

   Als God bestaat, moeten daar ook sporen van te vinden zijn in de natuur. Met deze hypothese start Edgar Andrews zijn studie in zijn nieuwe boek Wie heeft God gemaakt? Andrews, doctor in de toegepaste natuurkunde, heeft dagelijks met allerlei hypothesen gewerkt.
   Hij weet dat je eerst je definities helder moet maken voordat je een hypothese kunt opstellen. Zo werkt het ook als je een ‘Godhypothese’ opstelt. Wat bedoel je dan met God? Andrews komt tot de conclusie dat het juiste Godsbeeld in de Bijbel is te vinden. Maar hoe zit het dan met de wetenschap? Kun je daar God in vinden? Gods woord en de werkelijkheid kunnen niet met elkaar in tegenspraak zijn. God is alomtegenwoordig. Volgens Andrews woont God niet in een tempel die bestaat uit een onverklaarbaar gat in de menselijke kennis. De wetenschap dient als hulpmiddel om meer van God te ontdekken en laat volgens hem zien dat de Godhypothese juist is.
   Met enkele voorbeelden illustreert hij dit: Andrews gelooft dat de oerknal heeft plaatsgevonden. Volgens hem wijst het begin door een oerknal op het bestaan van God. Andrews laat de lezer in zijn boek ontdekken dat modellen als Big Bang ‘wijzen op een oorsprong waarin ruimte, tijd en energie voortkwamen uit niets - precies zoals de bijbelse Godhypothese aangeeft’. Hij vraagt zich af waarom natuurwetten door de mens te begrijpen zijn in wiskundige formules. Zijn antwoord is niet moeilijk: ‘Wanneer God dit universum inclusief de wetten gemaakt heeft, dan is het voor de mens, die naar Gods beeld geschapen is, mogelijk om Gods werken te overdenken en dat kan door wiskundige vergelijkingen te maken. Maar als er geen God is, dan is het onverklaarbaar waarom het universum een wiskundige structuur heeft.’ De complexiteit van cellen en het genoom is een argument voor het bestaan van God. Het ontstaan van leven uit niet-leven is niet mogelijk, omdat zelfs de meest simpele cel ontzettend complex in elkaar zit. Het bestaan van moreel gedrag pleit voor het bestaan van de schepper.
   Volgens Andrews is macro-evolutie (van microbe tot microbioloog) niet mogelijk. De verklarende kracht van natuurlijke selectie en mutaties schiet volgens hem tekort. Natuurlijke selectie selecteert op bestaande eigenschappen en kan daarom geen nieuwe, niet-bestaande informatie voortbrengen. Het gros van de mutaties zijn neutraal of pakken zelfs negatief uit. De positieve mutaties die er zijn, brengen geen nieuwe biologische structuren voort of blijken, bij nadere bestudering, toch negatief (degeneratief qua informatie) te zijn. Andrews betoogstijl is helder en begrijpelijk, met af en toe een vleugje humor. Ingewikkelde natuurkundige begrippen legt hij eenvoudig uit. Een minpunt is dat hij het Big Bang-model accepteert zonder daar kritisch naar te kijken. Dit doet echter weinig af van de verdere inhoud van dit boek.


Aanvulling uitgever

   Andrews beschrijft de oerknal in hoofdstuk 7 inderdaad als een scheppingsdaad. De lezer zou zich kunnen afvragen waarom hij niets zegt over de ideeën van creationistische astronomen als Hartnett, Humphreys, Lisle en Setterfield. Andrews: ‘Ik ben op deze en andere zaken niet ingegaan omdat het een boek is voor ‘de man in de straat’, en het zou averechts werken als ik een impasse creëer door dieper in te gaan op allerlei moeilijke (maar ongetwijfeld waardevolle) creationistische theorieën die door de meeste kosmologen niet aanvaard worden. Ik wil met dit boek laten zien dat de reguliere wetenschap ook middelen heeft die de Godhypothese kunnen bevestigen. Anders zou ik mij schuldig maken aan het houden van een pleidooi voor een specifieke richting. Ik ga dus niet verder op deze dingen in omdat het de gemiddelde lezer zal afleiden van het hoofdthema van het boek, namelijk dat naast de theorie van de macro-evolutie, de bijbelse wereldvisie heel goed kan samengaan met de huidige wetenschappelijke consensus.’


Recensie in De Oogst, door Pieter de Boer (september 2012)  -  pdf

   Enige tijd geleden stond er in dit blad een bespreking van het boek Wie heeft God verzonnen? dat inging op vragen van kinderen over God. Het boek Wie heeft God gemaakt? richt zich op volwassenen die hun denken over God willen aanscherpen.

   De auteur is (emeritus) professor Edgar Andrews, een vooraanstaande Britse wetenschapper die op een bijbelgetrouwe manier de wetenschap wil bevragen. Hij zegt dat tegenwoordig veel wetenschappers uitgaan van een multiversum in plaats van een universum. Hierdoor denken ze het probleem van het ontstaan van de tijd en de eeuwigheid van God te kunnen omzeilen. Maar dat is alleen een verplaatsing van het probleem, want waar komen die andere universa vandaan? Je zou kunnen zeggen: het is ‘een wetenschap van de gaten’-verklaring.


Drie soorten wetten

   Veel scheikundeboeken houden jongeren voor dat de meeste elementen zijn ontstaan onder invloed van de zwaartekracht. Daarbij wordt er gemakshalve van uitgegaan dat de materie uit het niets is ontstaan (big bang) en dat de zwaartekracht blijkbaar al bestond. Maar de natuurwetten bepalen juist de grenzen en geven de mogelijkheden van het geschapene aan. Uit wetten kun je niets verklaren over de oorsprong van het heelal. Naast de natuurwetten zijn er de morele wetten, die God heeft gegeven, en de wetten die mensen hebben bedacht om over de aarde te heersen. Veel mensen zien tegenwoordig geen verband meer tussen deze drie soorten wetten, maar vanuit de Bijbel weten we dat ze allemaal vallen onder Gods heerschappij. Andrews gaat uitgebreid in op de verschillen en verbanden. Dat veel wetenschappers God niet ontdekken met hun wetenschappelijke waarnemingen, zegt eerder iets over de wijze van meten dan over Gods bestaan. Een voorbeeld: al zijn er geen wetten voor liefde en haat, daarom bestaan ze nog wel. Vooral Andrews opmerking dat veel wetenschappers God op een verkeerde plek zoeken is veelzeggend. God laat zich namelijk het beste vinden in Zijn Woord, niet in allerlei wiskundige vergelijkingen en berekeningen. Andrews gaat fel in discussie met een aantal hedendaagse atheïstische wetenschappers. Frappant is zijn stelling dat Victor Stengers verklaring over het ontstaan van de natuurwetten in zijn boek God, een onhoudbare hypothese zelf een van de meest onhoudbare hypotheses is. In het laatste hoofdstuk geeft Stengers een reactie op het boek van Andrews.


Zondeval

   Volgens de auteur houden veel evolutiebiologen bij hun onderzoek naar DNA geen rekening met een cruciale gebeurtenis, namelijk de zondeval. Vanaf dat moment is er sprake van verval en achteruitgang van zowel het genetisch materiaal als het leven van dieren. Voor de zondeval aten de dieren geen andere dieren, toen trad de dood in en veranderde het eetpatroon van mens en dier. Al met al een pittig boek, maar niet puur voor filosofen. Het is voor ieder christen de moeite van het lezen meer dan waard om allerlei drogredeneringen over het ‘niet bestaan’ van God te kunnen ontzenuwen.


Recensie in het Katholiek Nieuwsblad, door Henk Rijkers (20 juli 2012)  -  web

   Elke ideologie heeft behoefte aan een simpel vijandsbeeld. Bij communisten was dat 'fascist', bij darwinisten is het 'creationist'. In feite bedoelen ze daarmee iedereen die durft af te wijken van de partijlijn. Dat neemt niet weg dat echte creationisten ook bestaan. Met het juist verschenen Science and Human Origins van Ann Gauger, Douglas Axe en Casey Luskin (wetenschappers die zich rekenen tot Intelligent Design) krijgen zij zelfs weer grond onder de voeten, want dat boek laat zien hoe DNA-onderzoek de afstamming van het mensengeslacht uit één eerste mensenpaar onderbouwt.
   Schrijf intussen die creationisten (de 'echte', bedoel ik nu, die Genesis als pure historie opvatten) niet te snel af. Dit boek van Edgar Andrews (het heeft een eigen website) is een van de beste, scherpzinnigste én toegankelijkste kritieken op het sciëntisme (de ideologisering van natuurwetenschap) die ik de laatste tijd gelezen heb. Zéér Brits in zijn verdraagzaamheid en vriendelijke humor, en tegelijk voortdurend ter zake. Deze oud-hoogleraar is dan ook zeer competent: hij voert zeven wetenschappelijk titels. Hoewel ik zijn creationistische uitgangspunt niet deel, is mijn waardering voor de wijze waarop hij de gangbare academische clichés doorprikt, er niet minder om. Als u zich voor deze materie interesseert, mag u het niet missen.
   Rode lijn bij Andrews is de vraag voor even het uitgangspunt aan te nemen dat de God van de Bijbel werkelijk bestaat. De rest van zijn boek rolt het materiaal uit op een manier die zonneklaar maakt dat dit een coherentere en intellectueel consistentere visie oplevert dan het oppervlakkige sciëntisme voor de massa's van 'nieuwe atheïsten' als Dawkins. Zo bewijst de kreet dat mensen 96 procent van hun DNA delen met chimpansees slechts dat het niet alleen om genen kan gaan, aldus Andrews. En inderdaad blijkt inmiddels het junk DNA, dat voorheen door darwinisten werd aangevoerd als 'afval', en dus 'bewijs' van de evolutie, juist een creatieve hoofdrol te spelen. Het spelt vitale informatie uit. Hoeveel intelligenter wou je het ontwerp nog hebben?
   De kleine letters van intelligent ontwerp zijn bij Andrews niet toevallig. Hij prijst immers Intelligent Design vanwege haar belangrijke bijdragen, maar beschouwt deze beweging van wetenschappers niet als wetenschap, maar als een visie daarop, net zoals zijn eigen Godhypothese. Hij ervaart het daarnaast als een bezwaar dat ID de gepostuleerde intelligentie niet identificeert als de God van de Bijbel. Een echte creationist dus, die Andrews, maar ook een heel boeiende!


Recensie in het RD, door ds. G. A. van den Brink (30 juni 2012)  -  web

   Opmerking vooraf: In de oorspronkelijke recensie noemt van den Brink de auteur een Amerikaanse natuurkundige en theoloog, terwijl hij in werkelijkheid een Engelsman is. En hoewel hij twee bijbelcommentaren en verschillende werken over wetenschap, religie en theologie heeft gepubliceerd, is hij geen theoloog. Het is belangrijk om dit even te vermelden, zodat de lezer niet denkt dat dit gewoon het zoveelste 'Amerikaans-creationistische' boek is (de uitgever).

   In Wie heeft God gemaakt? bekritiseert de Engelse hoogleraar Edgar Andrews het moderne atheïsme. Met behulp van de huidige stand van de wetenschap gaat hij op zoek naar een allesverklarende theorie.
   Er is, gelukkig, een toenemende aandacht voor de vraag naar het bestaan van God. Er vinden debatten plaats en er verschijnen boeken over theïsme en atheïsme. Het is waar, de vraag naar het bestaan van een god is nog ver verwijderd van de vraag naar de God en Vader van Jezus Christus. Toch is die basale vraag van groot belang.
   In de christelijke traditie wordt onderscheid gemaakt tussen Gods openbaring in de natuur en in de Schrift. Het nadenken over de wijze waarop God Zich buiten de Schrift om openbaart, wordt samengevat als natuurlijke theologie. De belangstelling hiervoor neemt de laatste decennia duidelijk toe. Naturalistische theorieën (zoals de evolutietheorie van Darwin) en theologische kritiek (vooral door Karl Barth) hadden de natuurlijke theologie lange tijd verdacht gemaakt. Maar door de indrukwekkende arbeid van apologeten als Swinburne en Plantinga zijn oude argumenten voor het bestaan van God weer fris en frank in het debat present. De atheïst Herman Philipse beschouwt de natuurlijke theologie als de grootste uitdaging voor het atheïsme.


Hypothese

   Van de Engelse natuurkundige en theoloog Edgar Andrews verscheen een Nederlandse vertaling van zijn boek Who Made God? Ook Andrews neemt zijn vertrekpunt in de natuurlijke theologie. Hij doet dit door een God-hypothese te presenteren. In zijn boek stelt hij de vraag: Biedt het bestaan van God een betere verklaring van deze werkelijkheid dan het door natuurwetenschappelijke theorieën geïnspireerde atheïsme?
   Hij presenteert het bestaan van God dus als een theorie, een hypothese. Het zijn vervolgens de feiten en de waarnemingen die beslissen welke optie plausibeler is: die van het theïsme of die van het atheïsme. Daarbij is het wel belangrijk om op te merken dat het hem gaat om een theorie van 'alles': niet alleen natuurwetenschappelijke, maar ook levensbeschouwelijke vragen (zoals de objectiviteit van de moraal en de uniciteit van de mens) moeten door een dusdanige theorie kunnen worden verklaard.
   Sommige theologen vinden dit een gewaagde onderneming. Wat nu als de wetenschap bewijst dat God niet bestaat? Zou het voortschrijdende inzicht deze God-hypothese niet kunnen ontkrachten? Wordt het geloof in God aldus niet een 'God-van-de-gatentheorie'?
   Andrews denkt echter van niet. Hij bespreekt in zijn boek gaandeweg de vijf bekende argumenten die een zuiver materialistische wereldbeschouwing bekritiseren: het ontstaan van het heelal, het ontstaan van leven, de aanwezigheid van moraal, het menselijke zelfbewustzijn en de finetuning van de natuurconstanten. En het moet gezegd: de combinatie van deze vijf zaken leveren een krachtig pleidooi voor de redelijkheid van het geloof in het bestaan van God.


Losse toon

   Volgens de achterflap bespreekt het boek 'moeilijke vragen over wetenschap, filosofie en geloof met verbazingwekkende eenvoud.' In de aanbevelingen voorin roemt iemand: 'Ik heb al veel apologetische boeken gelezen. Dit is een van de meest duidelijke en bruikbare boeken die ik ooit op dat gebied ben tegengekomen.' Dat klinkt veelbelovend. Te veelbelovend, vind ik. 'Wie heeft God gemaakt?' is niet het unieke, definitieve boek waarvoor deze geluiden het willen houden. Waarom niet?
   1. Andrews schrijft op een humoristische manier en in een losse toon. Daar moet je als lezer van houden. Mij sprak het niet zo aan, en dan wordt het al gauw vermoeiend. De grappig bedoelde uitlatingen die ontleend zijn aan Engelse stripfiguren, televisie en liedjes bereiken hun effect niet bij een Nederlandse lezer die de context niet kent.
   2. Het boek had beduidend dunner kunnen zijn. De dikte ervan levert het gevaar op dat lezers gedeelten overslaan of slechts oppervlakkig scannen. Een heldere, beknopte presentatie van de eigenlijke argumenten zou winst zijn geweest. Uiteindelijk moet het immers gaan over de geldigheid van redeneringen, niet over retoriek.
   3. De beloofde eenvoud heeft Andrews niet altijd waar kunnen maken. Of we het willen of niet, sommige zaken zijn razend ingewikkeld. Door te spreken over 'verbazingwekkende eenvoud' zou de indruk kunnen ontstaan dat atheïsten dom en sullig zijn, maar die gedachte dient het debat bepaald niet.
   4. Een belangrijke onderscheiding die Andrews aanbrengt, is die tussen beschrijven en verklaren. Zijn stelling is dat de wetenschap veel van deze werkelijkheid wel beschrijft, maar niet verklaart. Dan is vervolgens wel nodig om duidelijk te maken wat 'verklaren' nu precies inhoudt. Andrews stelt voor om iets als een verklaring te aanvaarden als de aaneenschakeling van argumenten ons terugvoert naar vooronderstellingen die intuïtief of vanzelfsprekend zijn. Dit lijkt me wat al te eenvoudig. Wordt verklaren zo niet een al te subjectieve zaak, afhankelijk van de intuïtie, kennis en kritische houding van ieder individu afzonderlijk?


Touwtje

   Ten slotte nog iets over de vraag in de titel. Veel atheïsten stellen triomfantelijk de vraag aan gelovigen: 'Als God alles maakte, wie maakte dan Hem?' Andrews laat zien dat dit onzinnig is. Het lijkt op de vraag 'Hoe lang is een touwtje?' Dat is een onzinnige vraag, niet omdat er geen touwtje zou bestaan of omdat een touwtje een onbepaalde lengte zou hebben. Maar omdat niet duidelijk is over welk stukje touw we het hebben. Om dezelfde reden is de vraag 'Wie heeft God gemaakt?' niet te beantwoorden, want het woord 'God' is niet gedefinieerd. Andrews schrijft: 'Wat nu als we God definiëren als 'de ongeschapen Schepper van alle dingen?'' Dan wordt de onzinnigheid van de vraag meteen duidelijk: wie schiep de ongeschapene?


Reactie Kees Roos (auteur van het voorwoord)

   Inderdaad is het te betreuren dat dit boek niet het 'unieke, definitieve boek' is over het onderwerp 'wetenschap en geloof'. Maar mogen we zo'n boek wel verwachten? Mij dunkt van niet. Het onderscheidt zich van andere boeken in positieve zin doordat het gezag toekent aan de H. Schrift, en ook nog is geschreven door iemand die zijn sporen in de natuurwetenschap heeft verdiend.

Kees Roos


Recensie in het blad Uitdaging, door ds. Frits Jongboom (mei 2012)

   Wat was er eerder, de kip of het ei? In die vraag ligt veel meer besloten dan je zou denken. Je zou met net zoveel recht de vraag kunnen stellen: Wat was er eerder, niets of iets? De huidige natuurkunde leert immers dat alles uit niets is ontstaan. Maar de vraag zou ook kunnen luiden: Wie was er eerder, God of ...? Want als alles door God is gemaakt, zoals het christelijk geloof leert, wie heeft God dan gemaakt? Dat zijn geen flauwe vragen, om iemand vast te praten. Het zijn hele serieuze vragen waar wetenschappers hun hersenen over pijnigen. Als alles, letterlijk alles, een begin heeft, waar ligt dat beginpunt van God dan? God was er altijd al, zegt u? Maar waar was God dan? Waar ‘woonde’ Hij? Niet in het heelal, want dat was er nog niet, dat heeft namelijk een beginpunt. Wat was er vóór dat beginpunt?
   Het zijn vragen die je, als je er werkelijk over nadenkt, doen duizelen. Toch worden ze gesteld. En heel serieus bekeken en behandeld. Het zijn vragen ook die voor de gemiddelde intelligente mens nauwelijks te bevatten laat staan te beantwoorden zijn. Gevolg is dan wel dat atheïsten er mee aan de haal gaan. Hebben christenen dan helemaal geen antwoord, behalve dat God nu eenmaal de Schepper is van alles? Dat is te simpel gesteld. Ook christenen buigen zich over die indringende vragen. Ook zij zoeken antwoorden. Ook zij zijn op zoek naar een ‘theorie van alles’, een verklaring die alle natuurkundige processen en verschijnselen omvat. Maar anders dan bij niet-christenen, die bij zo’n theorie alleen de materiële wereld in ogenschouw nemen, wijzen christenen er op dat een dergelijke theorie volstrekt onvolledig is als zij niet ook de immateriële dingen omvat.
   Bestaat er een theorie, die niet alleen zaken als ruimte, tijd, materie en energie omvat, maar ook het hart en het verstand, het geweten en de geest? Ja, zegt professor Edgar H. Andrews, emeritus hoogleraar materiaalkunde aan de universiteit van Londen en auteur van het lijvige Wie heeft God gemaakt? Hulde voor Eddy Maatkamp die het heeft aangedurfd dit boek, 407 pagina’s dik, in een Nederlandse vertaling op de markt te brengen. Het is wat de stof betreft niet het eenvoudigste boek om te lezen, maar omdat Andrews allerlei moeilijke termen begrijpelijk uitlegt, is het een boek geworden dat voor iedereen leesbaar is. Af en toe vliegt hij echter wat uit de bocht: Hij schrijft soms wat langdradig en wil af en toe zozeer tot het veronderstelde niveau van zijn lezers afdalen, dat het soms wat al te joviaal wordt. Maar laat u zich daar niet door afschrikken. Het boek is zeer zeker aan te bevelen!


Boekbespreking in Groei Magazine (augustus 2012)  -  img

   Wanneer we nadenken over het bestaan van God of anderen horen spreken over God, dan worden we vaak bepaald bij de vraag welke plaats God eigenlijk in ons denken heeft. De Brit Edgar H. Andrews schreef, als emeritus hoogleraar materiaalkunde aan de universiteit van Londen en als internationaal expert op het gebied van grote moleculen, het boek Wie heeft God gemaakt? Hij schreef het als christen en is zich daarbij bewust dat het geloof in God als Schepper, die alles gemaakt heeft en door wie wij bestaan, altijd spanningen zal opleveren ten aanzien van het wetenschappelijk bedrijf.
   De titel van het boek is ontleend aan een favoriete vraag van sceptici: ‘Als God alles gemaakt heeft, wie heeft God dan gemaakt?’ Het is voor de auteur geen vraag dat God (er) is, maar hij wil in dit boek het serieuze gesprek aangaan met hedendaagse wetenschappers die het bestaan van God ontkennen. Hij doet dit vanuit de ‘Godhypothese’, de bijbelse aanname van het bestaan van God. Citaat: ‘Ik zal niet alleen de bevindingen van de moderne natuurkunde (mijn eigen vakgebied) bespreken, maar ook de diepgaande vragen over de oorsprong van het universum. We zullen onder andere nadenken over het ontstaan van het universum, de tijd, de natuurwetten en al hun aspecten, het leven, het menselijk verstand en de moraal.
   Dit boek wil onderzoeken hoe de bijbelse Godhypothese voorziet in een begrijpelijke, intellectueel consistente en geestelijk bevredigende visie op het bestaan,die zowel het menselijk leven als het universum en al wat daarin is, omvat.’ Daarbij gaat de auteur in op verkeerde beelden van God die een objectief onderzoek in de weg staan, want om te weten wie God is moeten we immers eerst weten wie Hij niet is. Daarbij komen ook aspecten aan de orde zoals eeuwigheid, schepping en openbaring. God, die zich in Genesis 1 openbaart als de God die aan de schepping voorafging. ‘In den beginne schiep God de hemel en de aarde (…).’ Citaat: ‘De stelling in Genesis gaat veel verder dan enkel de bewering dat het universum werd veroorzaakt door een eerste oorzaak die zelf geen oorzaak heeft. Waar komt die extra informatie dan vandaan? Die komt tot ons door openbaring. Omdat wij er niet bij waren, moet God, die er wel was, ons over die dingen vertellen. Anders zouden we het nooit kunnen weten.’ Ook stelt hij: ‘De Bijbel bevat wat theologen ‘voortschrijdende openbaring’ noemen – een geleidelijke onthulling van het wezen en de bedoelingen van God. Na Genesis 1 volgt meer openbaring, bijvoorbeeld dat God de mens schiep als beelddrager en dat deze zondigde. En dat God met de komst van de beloofde Messias, Jezus Christus, Zijn voornemen bekendmaakt om de mens met Zich te verzoenen. De auteur verwijst hierbij naar Hebreeën 1, waarin staat (NBG51): ‘Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in de Zoon, die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door wie Hij ook de wereld geschapen heeft. Deze, de afstraling Zijner heerlijkheid en de afdruk van Zijn wezen, die alle dingen draagt door het woord Zijner kracht, heeft, na de reiniging der zonden tot stand gebracht te hebben, Zich gezet aan de rechterhand van de majesteit in den hoge’.
   Het boek is voor een leek pittig om te lezen, maar de hoofdlijn geeft wel meer inzicht in vragen en ontwikkelingen binnen de wetenschap. Daarbij is de vrijmoedigheid en helderheid van de auteur vanuit zijn geloof en respect voor God als Schepper aansprekend. Hij laat Gods Woord aan het woord, bijvoorbeeld Jesaja 40 vanaf vers 18 en Handelingen 17:22-31. Ook benadrukt Hij de waarde die de mens voor God heeft (Psalm 8). De mens kreeg niet alleen verstand maar ook moraliteit. Hierover ter afsluiting nog een citaat: ‘Het zondige hart kan alleen veranderd worden door een ‘nieuwe geboorte’, waarbij de Geest van God zelf woning maakt in ons hart en verstand, waarin de Geest van God Zijn morele wet ‘optekent’ en de ontvanger ervan in staat stelt God lief te hebben en Hem te gehoorzamen (pag. 342).


Korte opmerking over de (eerste) NBD|Biblion recensie van T. A. Smedes

   Normaal gesproken zeg ik niets over negatieve recensies (die immers ook een positieve uitwerking kunnen hebben), maar nu mijn klacht over de (zeer) ongenuanceerde en duidelijk bevooroordeelde recensie van T. A. Smedes door NBD|Biblion op 31 juli 2012 gegrond verklaard werd, en er een nieuwe recensie is verschenen van dr. H. Chr. van Bemmel, maak ik een eenmalige uitzondering en wil ik over die eerste recensie toch even wat zeggen, ook vanwege de voorgeschiedenis. En daar laat ik het bij, anders ben ik straks in de woorden van een geïnformeerde lezer 'alleen nog maar bezig met naar de vliegen slaan'.
   Op zijn blog schreef dhr. Smedes in eerste instantie een recensie waaruit bleek dat hij het boek niet aandachtig gelezen had. Dhr. Smedes schreef namelijk dat Andrews geen enkele expertise in de natuurkunde heeft - terwijl hij daar drie graden in heeft (BSc - theoretische natuurkunde, PhD - toegepaste natuurkunde, DSc - natuurkunde). Andrews noemt de natuurkunde op pagina II van zijn voorwoord Om u op weg te helpen duidelijk 'zijn eigen vakgebied', en in hoofdstuk 2 en 3 (pag. 24 en 41) zegt hij duidelijk dat hij in de jaren 50 van de vorige eeuw natuurkunde studeerde aan de universiteit van Londen. Hij verwijst er ook nog eens naar in hoofdstuk 7 (pag. 114). Een recensent mag zulke dingen natuurlijk niet over het hoofd zien. Het maakt duidelijk dat hij Andrews' boek niet aandachtig gelezen heeft en zich niet heeft verdiept in de kwalificaties van de auteur. Het duurde ook vrij lang voordat hij die duidelijke fout corrigeerde. Dhr. Smedes, die zelf géén expertise heeft in de natuurkunde, vindt blijkbaar wel dat hijzelf in staat is een boek te bespreken dat bol staat van de natuurkunde. Op die punten kan hij Andrews natuurlijk niet aan, hoewel hij een aantal zwakke pogingen doet. Zijn eerste recensie was natuurlijk geen echte recensie (Andrews vond die recensie niet eens een reactie waard); de echte recensie kwam pas in tweede instantie, maar ook in die recensie spreekt hij zichzelf een aantal keren duidelijk tegen. Andrews zegt over Smedes' tweede recensie:


   'Misschien verbaast het je als ik zeg dat ik het niet eens zo’n slechte recensie vond, maar zijn uitgebreide citaten uit Wie heeft God gemaakt? verraden de voorzichtige matheid van zijn antwoorden, zodat elke aandachtige lezer direct het verschil zal opmerken tussen de kwaliteit van mijn argumenten en de oppervlakkigheid van Smedes' antwoorden.
   Er staan natuurlijk dingen in deze recensie die ik zou willen corrigeren. Hij spreekt zichzelf bijvoorbeeld enkele keren tegen, zoals wanneer hij mij bekritiseert voor het verwerpen van de big-bang theorie, terwijl hij later zegt dat ik die aanvaard als zijnde verenigbaar met de Godhypothese. Zo zegt hij bijvoorbeeld ook eerst dat ik de draak steek met de snaartheorie, terwijl hij later een citaat van me gebruikt waarin ik zeg dat het serieuze natuurkunde is.
   Vervolgens poneert hij de belachelijke stelling dat de Bijbel de zondeval niet leert. Zelfs een evolutionist die niet in de zondeval gelooft, moet toegeven dat deze weldegelijk door de Schrift geleerd wordt ... Dat is één reden waarom ze moeten beweren dat Genesis 1-11 mythologisch/symbolisch is. En dan hebben we het nog niet eens over de vele NTische passages die een letterlijke zondeval van Adam leren, zoals Romeinen 5. Onze vriend Smedes lijkt zijn Bijbel niet te kennen.
   Ik neig er echter naar om niet op deze langere recensie te reageren, maar de recensie gewoon zijn werk te laten doen in het wekken van de interesse bij de lezers, zodat ze het boek zelf gaan lezen en hun eigen conclusies trekken. Bovendien, als het echt zo’n lichtgewicht boek is zoals Smedes beweert, zullen velen zich afvragen waarom hij er zoveel tijd aan besteed om het te recenseren.'


Zie ook het artikel T. A. Smedes en de creationisten (pdf), door Jan van Meerten.

   Wat naar mijn mening nog wel even recht gezet moet worden met betrekking tot een beschuldiging aan mijn adres op het blog van dhr. Smedes (waarbij mijn integriteit ter discussie staat), is het volgende: prof. dr. Vleugels gaf mij achteraf te verstaan dat hij het helemaal niet erg vond dat ik zijn naam op het blog genoemd had met betrekking tot Augustinus' visie op de schepping, want hoewel ik uit een persoonlijk onderhoud tussen hem en mij citeerde, droeg ik er zorg voor dat die citaten slechts over Augustinus gingen en over zijn kwalificatie van het niveau van Smedes' betoog over Augustinus (dat volgens hem niet bijzonder hoog was), en dat vond hij niet erg (dat nam hij me niet kwalijk). Hij vond het alleen vervelend dat zijn naam in een onvolwassen discussie terechtgekomen was. En daarin kan ik hem alleen maar gelijk geven. Er was dus op geen enkele wijze sprake van een persoonlijk verwijt. De andere twee personen die ik citeerde en waarvan dhr. Smedes zei dat hij ze gecontacteerd had, en dat zij hem vertelden dat zij helemaal niet blij waren dat ik hen geciteerd had, deelden mij in een latere mailwisseling mee dat zij zich een contact met dhr. Smedes niet konden herinneren... De reden dat ik deze kwestie hier ophelder en niet op het blog van dhr. Smedes is dat op het artikel ter plaatse niet meer gereageerd kan worden.