De antichrist  (hoofdpagina)

Recensie in het blad Profetisch Perspectief, door ds. G. Hette Abma (juli 2013)  -  pdf

   Wat weet een doorsnee bijbellezer of een modaal kerklid af van de antichrist? Meestal is dat bedroevend weinig. Dit hoeft niemand te verwonderen. Naar een bekende uitspraak van C. S. Lewis heeft de satan een tweeledige strategie. Aan de ene kant probeert hij de mensen onwetend te houden, want zo is het hem mogelijk ongestoord zijn sluwe plannen ten uitvoer te brengen. Als de mensen toch lucht krijgen van zijn listen en bedrog heeft hij een andere pijl op zijn boog, dan probeert hij hen zoveel mogelijk de stuipen op het lijf te jagen.
   Wanneer we in de buurt van de grote tegenstander van God komen, wagen we ons al snel op glad ijs. Vandaar dat het belangrijk is beslagen ten ijs te komen. Met het oog daarop verdient het aanbeveling kennis te nemen van de - intussen al wat oudere - studie van de bekende Engelse puritein Arthur Walkington Pink (1886-1952): De antichrist. Vorig jaar zomer in een Nederlandse vertaling uitgegeven door de heer E. W. J. Maatkamp.
   In een woord vooraf schrijft dr. Cyrill J. Barber dat christenen niet altijd oog gehad hebben voor de belangrijke rol van de antichrist. Daar is volgens hem wel alle reden toe, want zij worden immers aangespoord hun blik te richten op de Here Jezus. Daarom hebben velen het bijbels onderwijs over Satan en zijn trawanten verwaarloosd en worden geconfronteerd met een hele serie valse leringen (en niet weinig spot) over het onderwerp van de antichrist. Wie met de bestudering van de Bijbel begint kan al snel in verwarring raken bij alles wat er over de duivel en de antichrist te lezen valt. Gelukkig hoeft dat geen dilemma meer te vormen, sinds Arthur Pink voor bijbelstudenten ‘een duidelijke en volledige samenvatting’ heeft gegeven van alles wat het Woord van God leert over de antichrist.
   Zelf schrijft de auteur heel bescheiden dat er nog wel meer in de Bijbel valt te bestuderen. Terwijl Pink openhartig meedeelt dat hij maar liefst gedurende twaalf jaar ‘ijverig en biddend’ alles bestudeerd heeft wat de Schrift over de pseudochristus zegt. Voor zover hij ertoe in staat was, heeft hij geprobeerd een begrijpelijk overzicht te geven. Wat nog is overgebleven kan de geïnteresseerde lezer en bijbelstudent zelf onderzoeken. Daarbij gaat het er niet om onze nieuwsgierigheid te bevredigen, maar de Schrift ernstig te onderzoeken zodat ieder houvast vindt in de unieke Verlosser. Helaas steunen velen op het drijfzand van hun eigen gevoelens, voornemens en inspanningen tot verbetering.
   Om te beginnen weerlegt Pink de misvatting dat de paus de antichrist zou zijn. De fout van Luther en zijn tijdgenoten om de profetieën over de antichrist op Rome toe te passen is volgens hem de oorzaak van hun post-chiliastische beschouwingen. Er zijn veel bijbelteksten die ons verhinderen te geloven dat het pausdom en de antichrist identiek zijn. Het zal duidelijk worden dat de zoon des verderfs zulke vreselijke daden zal verrichten dat zelfs de meest beestachtige praktijken van welke paus ook daarbij verbleken. Ook nog andere heel nuchtere overwegingen kunnen ons ervan overtuigen dat we met een misvatting te maken hebben. Slechts één voorbeeld wil ik daarvan geven. Als de apostel zegt dat de mens der zonde zich in ‘de tempel van God’ zal zetten (2 Thess. 2:4), kunnen we toch onmogelijk aannemen dat met die tempel de St. Pieter in Rome bedoeld wordt? Het zal de door de Joden herbouwde tempel zijn. Die zal niet in Italië staan, maar in Jeruzalem. Pink toont aan dat de Rotskoepel, het islamitische heiligdom van Omar op de tempelberg, ooit vervangen zal worden door een herbouwde tempel, voordat Christus naar de aarde terugkeert. Zo is het mogelijk te duiden wat de profeet Daniël bedoelt met zijn constatering dat de antichrist ‘slachtoffer en spijsoffer doet ophouden’ (9:27).
   Zo komen we bij een volgend punt van interpretatie van de figuur van de antichrist terecht. Volgens Pink zal dit welhaast zeker een Jood zijn. De uitgever van de Nederlandse editie van De antichrist heeft aan ds. Willem Glashouwer gevraagd een woord vooraf te schrijven. Daarin geeft mijn collega aan dat hij soms bij de opvattingen van Pink vraagtekens wil zetten, zoals Pinks suggestie dat de antichrist bijna zeker een Jood zal zijn. Deze aarzeling begrijp ik. Toch onderbouwt Pink zijn visie met diverse argumenten. Opmerkelijk is ook dat de vroegchristelijke auteurs allemaal geloofden dat de antichrist een Jood zal zijn, die Jezus Christus zal imiteren alsook weerstaan. Van een volbloed Jood kan worden verwacht dat hij het Joodse volk kan wijsmaken dat hij hun langverwachte Messias is. Overigens gaat Pink zorgvuldig te werk: ‘Ik moet er echter op wijzen dat de Bijbel nergens uitdrukkelijk met zoveel woorden zegt dat deze schaamteloze rebel een Jood zal zijn, maar er wordt zeker op gezinspeeld.’ De naam ‘antichrist’ is op zichzelf al een sterke aanwijzing dat hij een Jood zal zijn. ‘Hij stelt zich tegen Christus op en zal een karikatuur van Christus zijn. Hij doet zich voor als de ware Messias van Israël. Daarom moet hij een Jood zijn.’ De meeste christenen in de eerste vier eeuwen waren ervan overtuigd dat de antichrist uit de stam van Dan zou komen. Dit laat de auteur in het midden. De stam Dan is wel de meest mysterieuze van alle stammen van Israël, merkt hij veel veelbetekenend op.
   Helaas komen we bij Pink christelijke vooroordelen tegen. Ook daar legt Glashouwer terecht de vinger bij. Het is schokkend als gesproken wordt over de vermeende hebzucht en geldzucht van de Joden. Gemakshalve wordt vergeten dat de Joden in de Middeleeuwen gedwongen werden zich met de geldhandel bezig te houden! Bovendien is Pink de overtuiging toegedaan dat God de Joden heeft geoordeeld en gestraft vanwege hun verwerping van Jezus. Het is historisch onjuist te beweren dat de Joden Jezus hebben vermoord. Ook al kunnen we in veel opzichten onze winst doen met wat Pink heeft geschreven, toch moeten we zijn studie oordeelkundig lezen. Hij was bepaald geen antisemiet, maar na de Tweede Wereldoorlog werken zijn vooroordelen wel vervreemdend.
   Ten slotte heeft Pink het frequent over de ‘dispensationele waarheden’, de overtuiging dat er in de heilsgeschiedenis bepaalde bedelingen worden onderscheiden. Een gedachte die ontwikkeld is door John Nelson Darby (1800-1882), de geestelijke vader van de Vergadering der gelovigen. Onvermijdelijk is aan die voorstelling van zaken de verwachting van de opname der Gemeente verbonden. Gelukkig wijst Glashouwer erop hoe ongerijmd de voorstelling is dat de Gemeente vóór de grote verdrukking zal worden opgenomen en dat Israël dan ‘de volle laag’ krijgt. De uitgever heeft er goed aan gedaan een essentiële passage uit een recente publicatie van Glashouwer Waarom eindtijd? als bijlage achter in het boek op te nemen. Dit betreft het hoofdstuk over ‘de grote verdrukking en Israël’. Hij gaat daar in op de bezwaren die mensen regelmatig inbrengen tegen de steun die Christenen voor Israël verleent aan Joden die naar het beloofde land willen terugkeren. ‘Doe dit niet! Israël zal ooit nog eens een groot Auschwitz worden, wanneer daar straks tijdens de grote verdrukking twee derden uitgeroeid worden.’ Instructief te lezen hoe hij dergelijke bezwaren ontzenuwt.
   Helemaal aan het eind van het boek is ook een passage uit een van de werken van Watchman Nee opgenomen: De opname. Hij gaat daar in op de gedachte van de pre-trib en de post-trib. Waarschijnlijk is de juiste visie volgens Watchman Nee dat er een groep gelovigen vóór de grote verdrukking zal worden opgenomen, terwijl een andere groep door de grote verdrukking zal gaan en daarna wordt opgenomen. Goed om al deze suggesties te lezen. Het kan helpen tot een weloverwogen standpunt te komen. Zelf neem ik aan dat er helemaal geen opname van de Gemeente zal zijn, maar dat de gelovigen zullen uittrekken om de Redder in te halen om op aarde zijn glorieuze bestuur te vestigen.
   Het boek gaat over de antichrist als de grootste manifestatie van de satanische godslastering. Voor ons is de aangelegen vraag of we die figuur zullen herkennen. Daartoe wil ik graag de bestudering van de heruitgave van die oude publicatie aanbevelen. Naar mijn besef heeft de auteur teveel teksten uit de Bijbel met die figuur uit de eindtijd in verband gebracht. We moeten - net als destijds de gemeenteleden uit Berea - onderzoeken of het wel allemaal klopt wat er gezegd wordt. Dit is van belang als we ons realiseren dat wij zomaar met de antichrist te maken kunnen krijgen. Opmerkelijk genoeg is dat volgens de schrijver niet het geval: ‘De antichrist zal zijn loopbaan van ongeëvenaarde boosheid en verdorvenheid pas beginnen, nadat de christenen opgenomen zijn.’ Voor mij is dat een tegenstrijdigheid.


Recensie in het blad Uitdaging, door Eric Leijenaar (oktober 2012)  -  pdf

   De antichrist is een man met twee rode, puntige hoorntjes op zijn hoofd. Dat is wel zo gemakkelijk, want als hij verschijnt, herkennen we hem dus feilloos ...
   Helaas. De afbeeldingen die Google je voorschotelt, hebben het mis. Faliekant mis. De antichrist is allesbehalve een bloeddorstig monster dat je op kilometers afstand herkent. Het is waarschijnlijk een hele vriendelijke, aimabele man. Een genie. Iemand die geweldige oplossingen heeft voor wereldwijde problemen. Zozeer zelfs dat bijna iedereen in mateloze bewondering achter hem aan zal lopen.
   ‘Deze komende wereldverleider en -misleider zal een genie zijn op vrijwel elk gebied: intellectueel, oratorisch (een geweldig redenaar), militair, politiek, commercieel, bestuurlijk en religieus - een man die de wereld op elk gebied zal verenigen en een schijnvrede zal bewerkstelligen’, schrijft Uitgever Maatkamp in een voorwoord van het boek De antichrist. Maatkamp zal er niet ver naast zitten.
   De antichrist is niet iemand die je herkent aan zijn rode hoorntjes, noch aan het getal 666 dat op zijn voorhoofd getatoeëerd staat. Hij heeft geen bloeddoorlopen ogen en er komen geen rookwolkjes uit zijn neusgaten. Maar als die antichrist dan kennelijk zo moeilijk te herkennen is, hoe kunnen we dan weten of we er ooit mee te maken hebben? De Bijbel leert ons heel veel over de antichrist. En dat beperkt zich niet alleen tot het Bijbelboek Openbaring. De Bijbel heeft heel wat meer over de antichrist te zeggen dan een paar strofen over ‘het beest’.
   ‘Meer dan twaalf jaar heb ik ijverig en biddend alles bestudeerd wat de Schrift over deze pseudochristus zegt’, schrijft Arthur W. Pink in een inleiding op zijn boek De antichrist. En naarmate hij dieper in de materie dook ‘nam mijn verbazing toe over de prominente plaats die de Bijbel aan deze zoon des verderfs geeft.’ Hij constateert dat er ‘zeer veel details’ over de antichrist opduiken, die ‘zorgvuldig verzameld en geordend, een duidelijke biografie opleveren’ van de man die eens op het toneel zal verschijnen en een wereldregering zal leiden. De antichrist (door Pink consequent met een hoofdletter geschreven, maar waarom zou je hem zoveel eer geven?) is ‘niet alleen de volledige belichaming van het menselijk kwaad, maar ook de laatste en grootste manifestatie van satanische godslastering’.
   Er is veel over deze tegenstander Gods geschreven, ‘maar onder de vele boeken die ik over dit onderwerp gelezen heb (en ik heb lang gezocht), lijken er maar weinig te zijn die een compleet beeld van deze vorst der duisternis schetsen’. Pinks beeld van de antichrist is zo niet compleet dan toch wel zeer uitgebreid. De satan heeft er, naar zeggen van Pink, ‘belang bij om de wereld onwetend te houden over de komende supermens, en het laat geen twijfel dat hij niet alleen verantwoordelijk is voor de algemene verwaarlozing van de studie van dit onderwerp, maar ook voor de tegenstrijdige theorieën van degene die erover spreken en schrijven.’ Het boek ontstond uit een serie losse studies van Pink. Die werden gebundeld en al in 1923 uitgegeven. Pas na zijn dood in 1952 werden de werken van Pink populair. De antichrist mag dan al bijna 90 jaar geleden voor het eerst verschenen zijn, het boek heeft aan actualiteit niets ingeboet. Het behoort inmiddels wel tot de klassiekers in haar genre. Christenen hebben lang niet altijd oog gehad voor de belangrijke rol van de antichrist in de Bijbel. Zij worden geacht hun blik op de Here Jezus te richten en het werk van de Heilige Geest in hun leven toe te laten. ‘Daarom hebben velen het Bijbels onderwijs over satan en zijn trawanten verwaarloosd en worden we geconfronteerd met een overvloed aan valse leringen’, schrijft Pink. Het is zijn verdienste dat hij de blik wel richt op de antichrist, zonder ook maar enig moment in sensatie te vervallen.
   Pink wandelt de hele Bijbel door, op zoek naar de antichrist en vindt hem op vele plaatsen. Dat begint al in Genesis 3:15, waar wordt verwezen naar het ‘zaad der slang’. In bijkans elk Bijbelboek treft Pink de antichrist wel aan. Niet altijd onder die naam, maar wel herkenbaar. Zo verwijst de naam Assur in de profetie van Bileam (Numeri 24:22) naar de antichrist. Hij toont in het boek omstandig aan dat Assur en de antichrist dezelfde persoon zijn. Namen te over voor de antichrist: kronkelende slang, man van bloed en bedrog, de boze, man van de aarde, de machtige held, de geweldenaar, de tegenstander, de rechter van vele volkeren, de kwaadwillige, etc. Habakuk omschrijft hem als ‘de bedrieglijke trotsaard die zijn muil openspert als het dodenrijk en onverzadelijk is als de dood, zodat hij alle volkeren tot zich verzamelt en alle natiën tot zich brengt’.
   Pink wijdt een compleet hoofdstukken aan alleen al de namen van de antichrist. In latere jaren zouden tal van mensen worden aangewezen als zijnde de antichrist - van Churchill tot prins Charles, van Henry Kissinger tot Bush of Obama - maar Pink laat zich gelukkig niet in met dat soort onzinnig gebeuzel. Wel merkt hij op: ‘Veel profetieën, zo niet de grote meerderheid daarvan, niet alleen profetieën over de antichrist, maar ook profetieën over andere belangrijke gebeurtenissen, hebben tenminste een tweevoudige en soms drievoudige vervulling. Zij hebben een plaatselijke en directe vervulling, een voortdurende, geleidelijke vervulling en een definitieve, volledige vervulling.’
   Hij weerlegt in zijn boek dat het pausdom de antichrist zal voortbrengen, en denkt dat de antichrist een Jood zal zijn, maar de vraag of die uit de stam Dan zal voortkomen laat hij onbeantwoord. Hij gelooft dat de antichrist een fysieke zoon van Satan zal zijn. Pink besteedt wel veel aandacht aan de relatie tussen de antichrist en Israël. Van het Jodendom moet Pink niet zo veel hebben. Hij is zeer zeker niet antisemitisch of anti-Joods, maar schuift de Joden wel in de schoenen dat ze ‘hebzuchtig en geldzuchtig’ zijn. Hij neigt er naar de Gemeente op de eerste plaats te zetten en Israël een ondergeschikte rol toe te bedelen. Dat is jammer, maar het doet niets af aan het feit dat Pink met zijn boek een wereld ontsluit die menig christen grotendeels onbekend is.
   Pink denkt aan een opname van de Gemeente voor de Grote Verdrukking: ‘De antichrist zal zijn loopbaan van ongeëvenaarde boosheid en verdorvenheid pas beginnen nadat alle christenen opgenomen zijn, want onder hem, hun leider, zullen alle goddeloze legermachten zich verzamelen om hun ondergang tegemoet te gaan’. Uitgever Maatkamp biedt gelukkig tegenwicht door in de Nederlandse uitgave twee uitgebreide bijlagen op te nemen. Een van de hand van ds. Willem Glashouwer, die vraagtekens zet bij de opvatting dat de antichrist een Jood is - ‘de uit de dood verrezen Judas Iskariot’ - en die moeite heeft met Pinks opvatting dat de Gemeente voor de Grote Verdrukking wordt opgenomen ‘zodat Israël de volle laag krijgt’. In een andere bijlage bespreekt de grote Chinese bijbelleraar Watchman Nee de opname. Die twee bijlagen zijn een verrijking van het boek.


NBD|Biblion recensie - ds. C. A. den Hertog

   Voor het eerst verschijnt een Nederlandse vertaling van dit oorspronkelijk in 1923 uitgegeven boek. In zestien hoofdstukken geeft de auteur een overzicht van allerlei bijbelse gegevens over de herkomst, de identiteit, het werk en de ondergang van de antichrist, de grote tegenstander van Christus in de eindtijd. Het concept is sterk opgebouwd vanuit de leer van de bedelingen, het zogenoemde dispensationalisme. Er zijn twee bijlagen: 'De opname' van Watchman Nee en 'De grote verdrukking en Israël' van ds. Willem J.J. Glashouwer. In dit boek gelooft de schrijver nog in een persoon als antichrist (later kwam hij daar op terug). Het boek bevat tal van negatieve passages over de Joden. Zo zal de antichrist een Jood zijn en tegelijk een zoon van Satan. De grauwzwarte omslag is illustratief voor de inhoud, die voor de moderne lezer moeilijk te bevatten is. Uitgave van dit gedateerde boek na de Tweede Wereldoorlog is discutabel. De auteur (1886-1952) is geboren in Engeland en werkte als evangelist en bijbelleraar in Amerika en Australië.


Reactie uitgever

   Men hoeft het met de inhoud uiteraard niet eens te zijn, al geloof ik dat de NBD|Biblion recensie het boek te kort doet en wellicht onbedoeld verkeerde sentimenten creëert omdat het een halve waarheid als hele waarheid neerzet. Bijvoorbeeld: wanneer de recensent concludeert dat Pink zich negatief uitlaat over de Joden 'omdat de antichrist een Jood zal zijn en tegelijk een zoon van Satan is' (zoals Jezus Zoon van God en Zoon des Mensen is - twee naturen, uitg.), zegt dat natuurlijk niets over de Joden zelf; Stalin is bijvoorbeeld ook niet het ultieme beeld van de Russen. Hij had daar beter andere passages voor kunnen gebruiken, waarvan sommige inderdaad negatief zijn (gierigheid), maar juist om die reden is het voorwoord van ds. Glashouwer eraan toegevoegd, om die sentimenten wat in te dammen en wat meer overeen te laten komen met de visie van de uitgever. Daarover zegt de recensent niets. En het verhaal zou pas compleet zijn wanneer de recensent had aangegeven dat in het laatste hoofdstuk 'heel Israël' gered wordt.
   De opmerking dat heruitgave discutabel is 'omdat het boek gedateerd is', lijkt me geen goed argument; dan zouden we vandaag de dag alleen nog maar moderne boeken lezen, en er worden nog zo veel oude boeken gelezen, ook van voor de oorlog, denk aan Spurgeon. En er is een groep lezers die juist blij is met uitgaven van 'oude broeders'. Daar komt bij dat de werken van Arthur Pink pas ná zijn dood in 1952 populair werden. Dus de term 'gedateerd' heeft blijkbaar niet bij iedereen evenveel zeggingskracht. En wat de grauwzwarte omslag betreft: ik begrijp dat bij abstracte kunst het idee niet altijd duidelijk is, maar hier moet het 'chaos' uitbeelden - de chaos die de antichrist in de wereld teweegbrengt. Toch heb ik die kritiek ter harte genomen en heeft het boek nu een andere omslag gekregen.
   Positief van Pink is dat hij in zijn eigen voorwoord aangeeft dat de lezer natuurlijk niet zomaar zijn uitleg moet aannemen. Citaat: 'Ik weet dat met dit boek het onderwerp nog niet volledig uitgediept is, maar nu de tijd van de verschijning van de mens der zonde nadert, zou God misschien genegen zijn om ons meer inzicht te geven in die delen van Zijn Woord die gaan over 'hetgeen weldra geschieden moet'. Ik hoop van ganser harte dat er anderen opstaan die een nog grondiger studie van dit onderwerp maken, en ik hoop en bid dat God mijn boek zal gebruiken om dat te bewerken. Moge Hij wat in dit boek in overeenstemming is met Zijn Woord tot Zijn eer gebruiken, en de lezer openbaren wat Hem in dit boek niet welgevallig is.'


Recensie in het RD, door dr. P. de Vries (24 januari 2013)  -  web  -  pdf

   Om De antichrist van de Engelse puritein Arthur W. Pink (1886-1952) goed te kunnen plaatsen is het nodig eerst iets over Pink zelf te weten.

   Pink heeft een zeer vruchtbare pen gehad. ‘De soevereiniteit van God’ was een van zijn eerste werken - om precies te zijn: het derde - en verscheen in 1918. Vele andere studies volgden. De meeste daarvan waren oorspronkelijk als vervolgstudies in het door Pink geredigeerde en uitgegeven blad ‘Studies in the Scriptures’ verschenen. In 1987 verscheen voor het eerst een werk van Pink in Nederlandse vertaling; het ging om ‘De soevereiniteit van God’. Wie de werken van Pink bestudeert, dient te beseffen dat Pink in theologisch opzicht een ontwikkeling heeft doorgemaakt. Die ontwikkeling kwam tot een afronding in de jaren dertig van de vorige eeuw. Van de theologische inzichten die hij vanaf die tijd huldigde, is Pink niet meer afgeweken. Pink werd geboren in Nottingham in England en kwam uit een milieu dat nu in de Angelsaksische wereld als conservatief-evangelicaal getypeerd zou worden. Als jonge man raakte hij in de ban van de theosofie, een religieuze filosofie die stelt dat alle religies pogingen van een goddelijke macht zijn om de mensheid tot grotere perfectie te brengen. Waarschuwende woorden van zijn vader werden door de Heere echter gebruikt om hem tot inkeer te brengen.


Verkiezing

   Pink studeerde een aantal jaren theologie aan het Moody Bible Institute in Chicago en diende in de jaren daarop een aantal gemeenten in de Verenigde Staten. In deze tijd kwam hij in aanraking met de puriteinen. Pink werd getroffen door hun getuigenis over Gods verkiezing dat zo anders was dan wat hij aan het Moody Bible Institute had gehoord. Zijn boek ‘De soevereiniteit van God’ is een vrucht van de kennismaking met de puriteinen. Daarbij moeten we wel beseffen dat Pink in een reactie op het arminianisme in dit werk niet of nauwelijks aandacht schenkt aan het appel tot geloof en bekering. Dat zou hij later, nadat hij geconfronteerd was met het hypercalvinisme, zeer nadrukkelijk wél doen. Wie De antichrist, dat oorspronkelijk in 1923 verscheen, leest, moet beseffen dat Pink aanvankelijk een calvinistische genadeleer combineerde met de zogenaamde bedelingenleer. De wortels van deze leer zijn te vinden bij John Nelson Darby (1800-1882), een van de geestelijk vaders van de zogenaamde Broeders of Vergaderingen van Gelovigen. Kern van de leer van de bedelingen is dat er voor Israël en de christelijke gemeente twee aparte goddelijke plannen zijn. De christelijke gemeente is vanuit het perspectief van het Oude Testament een niet voorzien intermezzo. De bedeling van de gemeente eindigt met de opname. Dan breekt de zevenjarige jaarweek van Daniël aan. In het midden van die week openbaart zich de antichrist in de herbouwde tempel van Jeruzalem. In de kringen van de Broeders is de bedelingenleer een zeer wezenlijk onderdeel van de geloofsleer.


Judas

   Op het vasteland van Europa is deze leer buiten de kringen van de Broeders nooit erg populair geworden. Dat ligt in de Engelstalige wereld en met name in de Verenigde Staten anders. Pink werd ervoor ingewonnen tijdens zijn studie aan het Moody Bible Institute. In meerdere opzichten heeft Pink zich aanvankelijk sterk op geschriften uit de kring van de Broeders georiënteerd. Behalve aan de leer van de bedelingen valt hierbij te denken aan zijn visie op geloofszekerheid. De bedelingenleer is voluit terug te vinden in Pinks De antichrist. Daarbij neemt hij aan dat de antichrist de gereïncarneerde Judas is. Bij de leer van de bedelingen zijn echter tal van zeer kritische vragen te stellen en dat heeft Pink later ingezien. Ten aanzien van Openbaring houdt deze leer in dat op de eerste drie hoofdstukken na het boek niet op de christelijke gemeente in de huidige bedeling van toepassing is. Echter, Johannes schreef het hele boek Openbaring om de christelijke gemeenten in Klein-Azië die model staan voor de Kerk van alle eeuwen, in hun strijd te vertroosten. Wie het boek Openbaring naast Daniël legt, ziet dat de laatste halve jaarweek van Daniël de slotfase van deze geschiedenis is. Daarna volgt het einde of, voor de ware gelovigen uit oude en nieuwe bedeling, het begin. De laatste halve jaarweek van Daniël begint dan ook niet in de toekomst, maar is begonnen met de verhoging van Christus of eventueel de val van Jeruzalem. De profetie van de beesten uit de zee en de afgrond heeft in de loop van de geschiedenis al meerdere vervullingen gehad. De eerste was die van de Romeinse keizer met de verering van de keizer als God.


Afstand

   Pink heeft zelf in de jaren dertig van de vorige eeuw heel duidelijk afstand genomen van de leer van de bedelingen. Hij ging inzien dat het uit elkaar trekken van een bedeling voor Israël en voor de gemeente exegetisch niet te rechtvaardigen was. Wie de bedelingenleer huldigt, moet telkens weer bij tal van Schriftgedeelten de vraag stellen of een passage voor de gemeente dan wel voor Israël is bedoeld. Pink ging inzien dat dit zeer onvruchtbaar is. Ook het zogenaamde klassiek prechiliasme (Christus keert lichamelijk terug op aarde waarna het duizendjarige vrederijk, een bloeitijd van de kerk, aanbreekt), waarvan onder anderen Spurgeon en Ryle vertegenwoordigers waren, wees Pink af. Hij heeft daar echter nooit publiekelijk voor gewaarschuwd, omdat deze vorm van prechiliasme, in tegenstelling tot de leer van de bedelingen, naar zijn overtuiging geen fundamentele Bijbelse waarheden aantastte.

   Het is duidelijk dat De antichrist niet aansluit bij Pinks latere en rijpere theologische inzichten. Het is daarom jammer dat de Nederlandse uitgever en vertaler daar niet mee hebben gerekend. Was dat wel het geval geweest, dan was deze uitgave er niet gekomen.


Reactie uitgever

   Mijn reactie betreft vooral de laatste alinea, waarin gezegd wordt dat ‘als er rekening gehouden was met de gewijzigde visie van Pink, deze uitgave er niet was gekomen’. Dan voelt m.i. de recensent de auteur toch niet goed aan, want dat is naar mijn mening niet de redenatie van een man als Pink, die zich bij het schrijven van dit boek zeker bewust was van zijn eigen feilbaarheid als Schriftuitlegger, en zich er dus terdege van bewust moet zijn geweest dat hij zich kon vergissen, ook met betrekking tot de bedelingenleer, die, waneer onjuist, inderdaad vrijwel alles in het boek overhoop haalt. Toch weerhield dat hem er niet van zijn visie aan het papier toe te vertrouwen! Dat risico heeft hij bewust genomen. Dat is ‘het risico van het vak’. Als Pink zijn menselijke ‘interpretatie’ als onfeilbaar had beschouwd, dan zou hij waarschijnlijk wel bezwaar hebben gemaakt tegen een heruitgave. Pink had een heel ander doel met het boek. Daarover straks meer. Dr. de Vries zegt ook dat de bedelingenleer 'op het vasteland van Europa buiten de kringen van de Broeders nooit erg populair geworden is'. Dat is niet waar. Ook buiten de Vergadering is deze leer wijd verbreid, met name in de evangelische beweging, waartoe ikzelf ook behoor.

   Overigens, wie zegt dat zijn latere visie de juiste is? En wie zegt dat als hij nog honderd jaar langer geleefd had, hij niet weer teruggekeerd zou zijn naar zijn oude visie? De Schrift blijft waar, maar mensen wijzigen hun interpretaties wel vaker. Wie de - in eigen ogen - ultieme waarheid wil verkondigen, moet geen boeken schrijven. Ik geloof dus niet dat Pink dit boek geschreven had als het echt zijn bedoeling was geweest een boek te schrijven dat de absolute waarheid over de antichrist zou bevatten. Hij zegt in zijn eigen voorwoord:

   ‘Ik hoop van ganser harte dat er anderen opstaan die een nog grondiger studie van dit onderwerp maken, en ik hoop en bid dat God mijn boek zal gebruiken om dat te bewerken. Moge Hij wat in dit boek in overeenstemming is met Zijn Woord tot Zijn eer gebruiken, en de lezer openbaren wat Hem in dit boek niet welgevallig is.’

   Pink wilde m.i. dus niet de absolute waarheid verkondigen over de antichrist; hij wilde juist aanzetten tot verdere studie. Wij moeten dus, in navolging van Pink, zijn latere, zogenaamd 'rijpere' interpretatie niet claimen als de ultieme waarheid, en op grond daarvan bezwaar maken tegen heruitgave van een boek dat een oudere visie van hem bevat. Pinks latere visie sloot inderdaad beter aan bij die van een man als William Tyndale, die niet in een persoonlijke antichrist geloofde, maar deze zag als een geestelijke antichristelijke kracht die door alle eeuwen heen al werkzaam was geweest. Ik probeer met deze uitgave niet Pink ‘iets anders te laten zeggen dan hij later geloofde’. In het voorwoord van dr. Cyril J. Barber wordt ook duidelijk aangegeven dat Pink later van visie veranderde. Dat laat ik gewoon staan. Ik ga alleen uit van de mogelijkheid dat die latere interpretatie onjuist is, en als mocht blijken dat Pinks ‘rijpere’ visie inderdaad verkeerd was, hoe blij zou hij dan zijn dat het opnieuw wordt uitgegeven! Dr. Barber schrijft in zijn voorwoord:

   ‘Pink gelooft dat de antichrist de fysieke zoon van Satan zal zijn - een andere visie dan die hij in zijn latere werken aanhing, waarin hij te veel met de typologie aan de haal ging.’

   De reden dat ik het boek heb uitgegeven is natuurlijk omdat ik het met zijn eerdere visie eens ben, als aanhanger van de bedelingenleer, die - op dit moment - in mijn ogen de juiste is, maar ook om het onderwerp opnieuw onder de aandacht te brengen, en niet omdat ik geloof dat Pink hierin de ultieme waarheid verkondigt. Ook ik geloof bijvoorbeeld niet dat ‘Judas de geïncarneerde antichrist’ zal zijn. Ik begrijp dat de recensent vanuit zijn ‘hersteld hervormde visie’ op de bedelingenleer niet enthousiast wordt van deze uitgave, en dat is zijn goed recht, maar of hij daarin gelijk heeft, is een tweede. In dat licht is zijn laatste opmerking een beetje flauw. En het woord ‘rijpere’ in de frase ‘Pinks latere en rijpere inzichten’, betekent niet automatisch ‘beter’. Een visie kan ook ‘overrijp’ zijn. En hier betekent ‘rijper’ wat mij betreft niets anders dan ‘vergeestelijken’ en overmatig ‘typologiseren’.

   Gelukkig heeft geen enkele kerkelijke denominatie de absolute waarheid in alles. Als wij af en toe eens over de kerkmuren van onze eigen groepering heen kijken, kunnen wij misschien een glimp opvangen van de ‘veelkleurige wijsheid Gods’.