Deze tekst is auteursrechtelijk beschermd.



Aan Hem gelijk

door Watchman Nee


Hoofdstuk 1



   Wanneer God Zich in het Oude Testament een volk zoekt, aan niets gebonden en op unieke wijze Hem toegewijd, en wanneer Hij daarom in de brandende braamstruik voor het eerst aan Mozes verschijnt, is het opmerkelijk dat Hij Zich bekendmaakt met een drievoudige benaming: ‘Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Isaäk en de God van Jakob’ (Ex. 3:6). En als God Mozes later naar de Israëlieten stuurt om hen Zijn wil bekend te maken, klinkt dezelfde drie-voudige uitdrukking als een soort refrein door Zijn opdracht heen: ‘Aldus zult gij tot de Israëlieten zeggen: De Here, de God uwer vaderen, de God van Abraham, de God van Isaäk en de God van Jakob, heeft mij tot u gezonden; dit is Mijn naam voor eeuwig en zo wil Ik aangeroepen worden van geslacht tot geslacht. Ga heen, vergader de oudsten van Israël en zeg tot hen: De Here, de God uwer vaderen, de God van Abraham, Isaäk en Jakob is mij verschenen’ (Ex. 3:15-16).

   Het is goed ons af te vragen waarom deze drievoudige uitdrukking steeds terugkeert. Temeer omdat de Here Jezus zelf ook deze benaming gebruikt in een passage die in elk van de eerste drie Evangeliën voorkomt: ‘Wat nu de opstanding der doden betreft, hebt gij niet gelezen, wat door God tot u gesproken is, toen Hij zeide: Ik ben de God van Abraham en de God van Isaäk en de God van Jakob? Hij is niet een God van doden, maar van levenden’ (Matt. 22:31-32). Waarom, vragen wij ons af, gebruikt God deze drievoudige uitdrukking wanneer Hij Zich aan de mensen bekendmaakt? Wat is voor ons, Zijn kinderen, de betekenis van deze drie steeds herhaalde namen? De apostel Paulus verzekert dat wat in de Schrift staat, tot ons onderricht werd geschreven, en hier worden wij nu bepaald bij iets dat zowel in het Nieuwe als in het Oude Testament voorkomt. Dit laat zien dat God zowel in de oude bedeling als in de nieuwe volgens hetzelfde principe te werk gaat.

   In de oude bedeling verscheen God aan Mozes met het doel om Israël uit Egypte weg te roepen en het tot Zijn uitverkoren volk te maken. In de nieuwe bedeling verscheen Jezus in de opstanding aan de eerste mensen van het nieuwe volk dat Hij Zich had verkoren. Als het dus waar is dat wij, die door Zijn genade gered zijn, tot dat volk behoren, mogen wij dan niet vol vertrouwen verwachten dat Hij ook bij ons volgens hetzelfde principe te werk gaat? Vervolgens, wat bedoelt God als Hij in deze tijd over ‘Israël’ spreekt? Heeft deze naam een ruimere betekenis dan wij gewoonlijk aannemen? Laten wij voor het antwoord hierop eens kijken naar het eind van Paulus’ brief aan de Galaten, waar hij schrijft over de nieuwe schepping, waarin noch Jood, noch Griek is (Gal. 6:15), maar waar allen elkaar vinden in het kruis van Christus. Als Paulus allen die van Christus zijn, vrede en barmhartigheid toewenst, gebruikt hij voor hen de merkwaardige benaming ‘het Israël van God’. Ik zeg u, wij die geloven in de Here Jezus zijn het Israël van God, één met het hele, ware Israël, geen apart volk. Maar als God ons heeft uitverkoren om Zijn eigendom te zijn, is het goed onszelf eens af te vragen wat God allemaal met ons moet doen om ons tot Zijn volk te maken. Wanneer wij nu het leven en de wederwaardigheden van deze drie veelbetekende mannen gaan bestuderen, zullen wij ongetwijfeld het antwoord op deze vraag krijgen, want Abraham, Isaäk en Jakob hebben een speciale positie in Gods voorzienigheid, die met geen enkele andere figuur te vergelijken is. Het is alleen voor hen weggelegd, ons allen op een unieke wijze tot God te leiden.

   Laten wij bij het begin beginnen. Zoals wij allen weten, zwichtte Adam voor de verleiding om aan Gods liefde te twijfelen. Zo viel hij van zijn hoge bestemming af en kwam onder de macht van het oordeel en de dood. De koers die hij had ingeslagen, werd gevolgd door zijn hele nageslacht behalve Henoch en Noach. Zij waren rechtvaardige en onberispelijke mannen. Zij vonden genade in de ogen des Heren.

   Toch is Noach een opzichzelfstaand geval; en wij krijgen geen inzicht in de manier waarop God hem zover bracht dat hij ‘wandelde met God’. Hij was rechtvaardig, maar wij krijgen niet te horen of God speciaal hem uitkoos; ook niet op welke wijze God hem rechtvaardig maakte. In dit opzicht kunnen wij dus niet veel van Noach leren, hoewel er natuurlijk wat te leren is uit Noachs geschiedenis. Maar in Abraham krijgen wij het eerste voorbeeld van een man, uitverkoren door God. Abraham was een afgodendienaar, maar God koos hem uit: ‘Aan de overzijde der Rivier hebben eertijds uw vaderen gewoond, Terach, de vader van Abraham en de vader van Nachor, en zij hebben andere goden gediend. Maar Ik nam uw vader Abraham van de overzijde der Rivier en leidde hem door het gehele land Kanaän. Ik maakte zijn nakomelingschap talrijk’ (Jozua 24:2-3).

   Ja, God koos deze afgodendienaar uit, en liet hem niet meer gaan. Hij zei: ‘Hij is van Mij.’ Hij koos hem uit volgens Zijn raadsbesluit. Tegenwoordig zijn al Gods kinderen zo. Zij hebben Zijn liefde beantwoord, zij hebben Zijn heil geproefd, en nu weten zij dat ze door Hem zijn uitverkoren. God heeft een volk ten eigendom, en alles is begonnen met het feit dat Hij hen uitkoos. Uiteraard was Abraham nog geen volk, net zo min als Isaäk. Zelfs Jakob was dat niet, zolang hij niet Israël was geworden. Maar toen Israël uit Egypte werd geroepen, had God ten slotte een volk dat Zijn eigendom was. Zo kunnen wij zeggen dat de oorsprong van Gods volk eigenlijk twee bronnen had: de man Abraham, en het volk Israël. Eerst kwamen de enkelingen, de mannen van het geloof. Toen dezen de weg hadden gebaand, volgde het koninkrijk Israël in al zijn volheid. Wat God deed met Abraham en met zijn zoon en kleinzoon maakte alles mogelijk wat daarna kwam. Daarom kunnen wij zeggen dat de natie op deze pioniers gegrondvest is. Zonder hen zou er geen Israël zijn. De combinatie van wat deze drie elk voor zich van God meegemaakt hebben, verklaart ten slotte de richting waarin het volk van God zich op aarde heeft bewogen.

   Verbaast u de bijzondere positie van Abraham, Isaäk en Jakob? Het heeft alles te maken met het feit dat zij zeer nauw met Gods naam, Gods wezen, zijn verbonden. Hij is hun God. Als God tot de mensen spreekt, zegt Hij dit telkens weer. Wij hebben ook gezien dat Jezus hun namen noemt als duidelijk bewijs van de opstanding. Bovendien zegt Hij in Lucas 13:28: ‘Wanneer gij Abraham en Isaäk en Jakob zult zien en alle profeten in het Koninkrijk Gods.’

   Weer worden juist deze drie alleen met name genoemd. Alles draait om hen. Waarom hebben ze zo’n belangrijke plaats?

   In het verleden hadden ze deze plaats omdat God een volk voor Zich wilde, zoals wij zeiden. En tegenwoordig hebben ze deze plaats omdat Gods huidige doel precies hetzelfde is: een volk voor Zijn naam uit de heidenen te vergaderen (Hand. 15:14). En de geschiedenis van dat volk begint met Abraham, omdat God met Abraham begint. God werkte in het leven van deze man omdat Hij op Abraham een speciale ervaring moest overdragen, en uiteraard geldt hetzelfde voor Isaäk en voor Jakob. Met elk van deze drie had God hetzelfde doel voor ogen, namelijk ze als middelaar te gebruiken om aan Zijn volk een unieke ervaring van Hemzelf door te geven. Bovendien was, hoewel het een feit is dat God begon Zich een volk te scheppen met Abraham, dat volk natuurlijk pas Zijn eigendom toen Jakobs geschiedenis compleet was en de twaalf stammen in zicht kwamen. Daarom zal de som van wat deze drie mannen doormaakten, de geestelijke ervaring moeten zijn van al Gods uitverkorenen. De geschiedenis van maar één of twee van de drie is niet voldoende. Iets eenzijdigs kan aan Gods eisen niet voldoen. Wij mogen niet tevreden zijn met een stukje, wanneer alles voor ons bedoeld is. Als het Israël van God moeten wij de complete ervaring van alle drie hebben, al is het dan ook maar in geringe mate. Gods bedoeling is dat het zover komt dat heel Zijn ware volk kan zeggen: ‘Hij is voor mij de God van Abraham, van Isaäk en van Jakob.’ Natuurlijk kon Ismaël Hem ‘de God van Abraham’ noemen, maar dat is niet voldoende. Esau kon nog verder gaan en zeggen ‘de God van Abraham en van Isaäk’, maar ook dat is niet genoeg. De geestelijke ervaring wordt niet samengevat in Abraham en Isaäk. Jakobs naam moet er evengoed bij. Voor het ware Israël is Hij de God van ál hun aartsvaders.

   Vele kinderen van God zeggen: ‘Ik mis iets; Ik weet dat mij iets ontbreekt; maar wat het is, weet ik niet.’ Zij zoeken op een bepaald moment in hun leven een ‘tweede zegen’ van God, maar meestal hebben ze er geen duidelijk idee van wat zo’n zegen precies is. Laat ik u dan zeggen dat dit niet één ding betekent, maar drie. In de volgende bladzijden zullen wij uit de geschiedenis van de drie aartsvaders proberen duidelijk te maken wat voor drievoudige zegen het is die God voor Zijn volk in petto heeft. God is de ware ‘Schepper uit het niet’, uit wie alles voortkomt wat Hij geschapen heeft. Jezus’ woorden: ‘Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook’ zijn hier toepasselijk. Dit is een les die wij allen moeten leren: dat wij niets kunnen scheppen uit het niet. De Here God is de enige die alles in het aanzijn roept (Gen. 1:1; 1 Petr. 1:3-5). Hoewel dit onze hoogmoed kwetst, is toch de dag waarop wij dit werkelijk gaan ontdekken, een goede dag. Het betekent dat, waar het om eeuwige waarden gaat, wij gaan inzien dat alles van God komt. Abraham was totaal anders dan Noach. Noach lijkt als rechtvaardig man een eenling te zijn geweest te midden van alle mensen om hem heen. Abraham echter was een afgodendienaar, precies als de anderen. Midden in die omstandigheden koos God hem uit. Abraham begon zélf niet, God nam het initiatief. Er is niets zo kostbaar als het soevereine handelen van God. Abraham dacht helemaal niet aan Kanaän als zijn reisdoel. Hij ging op reis zonder te weten waar hij komen zou, maar in antwoord op Gods roepstem.

   Zalig de mens die het niet weet! Deze man ging zelfs verhuizen ‘zonder te weten waarheen’. Als wij werkelijk begrijpen dat God de oorsprong is van al wat belangrijk is in het leven, zijn wij niet meer zo absoluut zeker van wat wij gaan doen. Wij zeggen van harte: ‘Als de Here het wil.’ Zelfs Abrahams zoon kwam van God; hij moest op een speciale wijze gegeven worden. Niets wat uit Abraham zélf voortkwam, zelfs zijn andere zoon Ismaël niet, kon aan Gods doel meewerken. Hij leerde dat God de Vader, de Oorsprong en de Bron van alles is. Zonder God bestaat er helemaal niets. Wij kunnen niets doen tenzij God het doet. Als wij deze les gaan leren, beginnen wij ‘het volk van God’ te zijn.

   Isaäk is vóór alles de zoon. Hij is een goede illustratie van het werk van God in Christus. De apostel Paulus maakt ons dit heel duidelijk in zijn brief aan de Galaten, waar hij zegt dat Isaäk, de erfgenaam, ‘naar de Geest’ verwekt was. Paulus noemt ons, die van Christus zijn, ‘zaad van Abraham en naar de belofte erfgenamen’ (Gal. 4:29; 3:29). Toen de volheid des tijds gekomen was, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, om hen die onder de wet waren, vrij te kopen, opdat wij het recht van zonen zouden verkrijgen. En, omdat gij zonen zijt, heeft God de Geest zijns Zoons uitgezonden in onze harten, die roept: ‘Abba, Vader’ (Gal. 4:4-6).

   Het opvallende aan Abraham is wat hij deed, de grote beweging die hij op gang bracht. Jakob wordt bekend doordat hij zoveel lijden moest. En tussen deze twee groten in staat Isaäk, een heel gewoon mens, aan wie niets bijzonders is dan juist dat hij zo gewoon is. Wanneer u zijn verhaal in Genesis leest, zult u niets opvallends aan Isaäk vinden. Wilt u voorbeelden? Wij horen hoe Abraham zich veel rijkdom vergaarde, dit in tegenstelling tot Isaäk. Het enige wat Isaäk deed was: zijn erfdeel in ontvangst nemen; hij werkte er niet voor en deed ook niets om het in zijn bezit te krijgen. Wat deed hij eigenlijk wel? Wij lezen dat hij een paar bronnen groef, maar als wij dat in Genesis 26 nader bekijken, blijkt hij alleen de bronputten opgegraven te hebben die zijn vader lang tevoren gemaakt had en die met aarde waren dichtgestopt. Wat is dan de les die wij van Isaäk leren? Deze: wij hebben niets dat wij niet gekregen hebben. Als ik zelf niets in het aanzijn heb geroepen, is er ook niets dat ik zelf tot stand heb gebracht. Zoals Paulus zegt: ‘Wat hebt gij dat gij niet ontvangen hebt?’ Abrahams ervaring is een kostbare les voor ons, want het leert ons dat God de Vader is, de Oorsprong van alles wat wij zijn of bezitten.

   Maar Abrahams ervaring zonder die van Isaäk is niet genoeg. God is ook de Zoon, de Gever. Wij weten allemaal dat de vergeving der zonden een gave is die wij moeten aannemen. Hetzelfde geldt voor overwinning op de zonde. Uit onszelf bezitten wij niets dat in de grond der zaak geen gave van God is. En daarom blijkt God precies dat aan Isaäk te beloven wat Hij al aan Abraham had gegeven (Gen. 26:3-5). Isaäk werd in rijkdom geboren. Rijkdom is niet iets waar wij naartoe groeien of wat zich steeds uitbreidt: wij worden erin geboren. En dat geldt van elke geestelijke ervaring die wij als christen hebben. Bijvoorbeeld: ‘De wet van de Geest des levens’ die ‘mij vrijmaakte van de wet der zonde en des doods’, is iets wat ik niet in mijzelf, maar in Christus Jezus bezit. Het is niet iets van mij alsof ik het bereikt zou hebben; het is iets wat ik ontvangen heb. Net als het wonder dat vliegende vogels niet naar beneden vallen ondanks de wet van de zwaartekracht. Het is bedoeld om ons van zonde en dood te bevrijden; en het is Gods gave aan ons. Maar hoeveel christenen kennen werkelijk het geheim ervan? Geen wonder dat de mussen geloven dat wij geen hemelse Vader hebben zoals zij! En toch is het beslist geen probleem om rijk te zijn als je in rijkdom geboren bent.

   Wij zeiden dat het principe van Isaäks leven het principe is van ontvangen. Dit kan men zien aan het verschil tussen de vrouwen van deze drie mannen. Behalve dat ze Abrahams halfzuster was, weten wij niet wie Sara was, noch waar ze vandaan kwam. Wij weten alleen dat hij haar uit Ur der Chaldeeën met zich meebracht. Jakob was iemand die over alles marchandeerde, zelfs over zijn vrouw. Hij maakte zijn eigen keus. Isaäk had Rebekka niet eens gezien voordat de keus op haar viel. Zijn vader zei wat voor vrouw het moest zijn. Hij koos haar uit, liet haar halen en betaalde haar bruidsschat. In zijn rol als zoon ontving Isaäk alles. Zo bezitten ook wij voor God niets, dat niet Zijn eigen gave is. En nu Jakob. In hem krijgen wij nóg een belangrijk principe te zien van de wijze waarop God met Zijn kinderen omgaat. Velen van ons kunnen zien dat God de Bron van alles is. In theorie althans accepteren wij dat wij alles uit Zijn hand moeten ontvangen. Hoe komt het dan dat zo velen de gave niet aannemen, maar doorgaan ervoor te strijden? Het antwoord luidt dat het Jakobsprincipe, namelijk dat wij onze eigen boontjes willen doppen, ons te machtig is. Wij zijn er zo diep van overtuigd dat wij het doel dat God met ons heeft, kunnen bereiken door eigen inspanning. Daarom is geen enkele les over de overwinning op de zonde, en geen enkele leer van de heiliging compleet, als er niet radicaal wordt afgerekend met ons vertrouwen op eigen kracht. Zonder dit essentiële element zijn alle resultaten slechts van voorbijgaande aard.

   Wij die Christus toebehoren, zijn erfgenamen volgens de belofte, maar of wij die erfenis in Christus ook werkelijk aannemen en de weg die God wil dat wij gaan, ook werkelijk gaan in het genot van die erfenis … dat is afhankelijk van de vraag of God ons raakt in ons zelfvertrouwen of niet.

   Jakob was bijzonder slim en handig. Er was niets dat hij niet kon. Hij hield zijn broer voor de gek, bedroog zijn vader en beraamde plannen om zijn oom al zijn bezit afhandig te maken. Maar deze handigheid, dit talent om ten koste van anderen vooruit te komen had niets te maken met Gods wil en Gods plan voor hem. God moest dat alles op een dood spoor brengen, en wat Jakob doormaakt in dit proces is een goede illustratie van de discipline die de Heilige Geest uitoefent.

   Alles wat Jakob onderneemt, loopt vanaf zijn geboorte verkeerd. Wij lezen dat, toen de tweeling ter wereld kwam, Jakob de hiel van zijn broer bleek vast te houden. Toch werd hij niet als oudste zoon geboren. Met een list probeerde hij zich van het eerstgeboorterecht meester te maken, maar hij moest ten slotte zelf het ouderlijk huis verlaten om te vluchten. Hij had zijn zinnen gezet op Rachel als zijn vrouw, maar ontdekte vooreerst met Lea getrouwd te zijn. Hij vertrok ten slotte uit Paddan-Aram met vele bezittingen, het grootste deel op dubieuze wijze verworven, maar op de thuisreis moest hij de bereidheid leren, alles aan zijn broer Esau weg te geven om zo zijn leven te kunnen redden. Dit is de discipline van de Geest. Zolang Jakob vertrouwt op zijn eigen listigheid, ligt Gods hand zwaar als een oordeel op alles wat hij doet. Mensen die buitengewoon slim zijn, moeten soms door veel lijden heen leren, dat wij niet leven door menselijke wijsheid, maar door God. Jakob leerde één grote les. Hij stond op het punt om alles te verliezen, alles wat hij bijeen vergaard had, alles waarvoor hij gewerkt had. Hij was in staat een goede manier te verzinnen om een medemens te ontmoeten, en maakte een plan in de hoop dat het Esau mild zou stemmen, zodat hij althans zijn eigen huid kon redden. Maar toen ontmoette hij God. Hij ontmoette God en werd mank. God zélf had Jakob geraakt. Tot op die dag was hij Jakob, de ‘hielenlichter’ geweest. Vanaf die dag was hij Israël, ‘een vorst bij God’. Dit was het begin van het Koninkrijk. Wij overdrijven niet als wij zeggen dat hij van die dag af een ander mens was. Hij, die anderen bedrogen had, werd nu zelf bedrogen, zelfs door zijn eigen zoons.

   De oude listige Jakob zou hun gedrag gemakkelijk doorzien hebben. De nieuwe Jakob werd finaal voor de gek gehouden. Hij geloofde hen en brak in tranen uit toen hij zei: ‘Het is het kleed van mijn zoon; een wild dier heeft hem opgegeten; Jozef is ongetwijfeld in stukken gereten.’ Hier is de kracht van het eigen ik gebroken. Zover moet het komen met alle kinderen van God. ‘Jakob bleef alleen achter. En een man worstelde met hem totdat de dag aanbrak.’ In het donker konden wij onze eigen boontjes nog wel doppen, maar het licht van God betekent het einde. Dan is het met ons gedaan. Dit is de discipline van de Geest.

   Abraham zag God als Vader. In zijn leven werd het duidelijk dat God de Oorsprong van alles is. Isaäk kreeg de erfenis als zoon. Het is een zegen om van God een geschenk te krijgen. Maar zelfs wat wij ontvangen, kunnen wij in onze hebzucht bederven. Dat probeerde Jakob, en alleen doordat de kracht van zijn eigen ik gebroken werd, bleven de consequenties hem bespaard. Er moet in het leven van elk van ons een dag komen dat ons zelfvertrouwen een knak krijgt. Het kenmerk van hen die God werkelijk kennen is dat zij niet geloven in hun eigen capaciteiten, en niet op zichzelf vertrouwen. Toen Jakob deze les geleerd had, begon er waarlijk een Israël van God te ontstaan.

   Laat ik u nog een hart onder de riem steken. God verwacht geen mensen te vinden die van nature ‘edel geboren zijn’, en daarom zijn ingreep niet nodig hebben. Hij weet best dat die niet bestaan. Hij kiest gewone mensen zoals u en ik, bereid om het geschenk van Zijn genade te ontvangen, en ook bereid zich aan deze discipline te onderwerpen zodat de gave niet misbruikt wordt. Abraham laat ons Gods plan zien in het feit dat Hij ons, zondaars, kiest. Isaäk toont ons Gods leven dat in de gave van Zijn Zoon voor ons beschikbaar wordt. Jakob demonstreert ons Gods methoden, in de manier waarop de Heilige Geest ons aanpakt, om te bewaren en uit te breiden wat wij ontvangen hebben. De Geest legt onze oude eigenwillige aard het zwijgen op, zodat er ruimte komt voor onze nieuwe natuur in Christus die van harte bereid is met God samen te werken. Zo is de Geest bezig om op Zijn wijze Gods doel met elk van ons te bereiken. Dat is het einddoel van al Gods ingrijpen in het leven van de Zijnen.