Deze tekst is auteursrechtelijk beschermd.



Gods medearbeiders

door Watchman Nee


Hoofdstuk 1 - Gods geschoolde vakmensen



   De roeping van God is nooit vaag en algemeen, maar altijd duidelijk en specifiek. Dat kan tot op zekere hoogte gezegd worden van allen die Hij roept. Hun opdracht is altijd persoonlijk, nooit alleen maar algemeen (dat is gericht tot alle mensen).
   Paulus zei: ‘Het behaagde God Zijn Zoon in mij te openbaren.’ Bovendien is het doel ervan altijd duidelijk omlijnd. Hiermee bedoel ik dat, wanneer God u of mij een bediening toevertrouwt, Hij dat niet doet om ons zomaar bezig te houden, maar altijd om door ons iets bepaalds te bereiken. Het is natuurlijk waar dat Zijn gemeente de algemene opdracht heeft om alle volken tot Zijn discipelen te maken, maar God geeft elk lid van Zijn gemeente ook een eigen plaats en taak. Hij heeft voor iedereen een speciaal werkgebied (fig.) op de plaats van Zijn keuze.
   Misschien wil Hij u gebruiken om Zijn volk een bepaald aspect van de volheid van Christus duidelijk te maken, of om op een andere wijze een bepaald onderdeel van het goddelijk plan uit te voeren. Daarom moet iedere bediening tot op zekere hoogte specifiek zijn. Aangezien God niet al Zijn dienaren tot precies dezelfde taak roept, volgt hieruit dat Hij evenmin precies dezelfde middelen gebruikt om hen op hun taak voor te bereiden. God heeft het recht om bijzondere vormen van tucht of training toe te passen, en voegt daar ook dikwijls lijden aan toe, teneinde Zijn doel te bereiken. Want Hij heeft een bediening op het oog, die niet zomaar gewoon of algemeen is, maar die speciaal ten dienste van Zijn volk op dat bepaalde moment is ontworpen. Voor de dienstknecht zelf moet zo’n bediening iets zeer persoonlijks worden; iets wat hij rechtstreeks uit de hand van God heeft ontvangen, en waar hij niet onderuit kan, omdat het direct te maken heeft met het doel van God dat bereikt moet worden. Iedere lezer van het Nieuwe Testament die door de Heilige Geest is onderwezen, zal dit al zijn opgevallen. Ik geloof dat wij in het Nieuwe Testament zeker drie verschillende accenten in de dienst aan God kunnen onderscheiden, en wel in de bediening van drie leidende apostelen. Hoewel deze drie mannen ongetwijfeld veel gemeen hebben, zijn er toch verschillende accenten te zien in hun bedieningen. Die verschillen zijn zo opvallend dat het erop lijkt dat God aan ieder van hen iets bijzonders, iets oorspronkelijks heeft toevertrouwd. Ik doel natuurlijk op de bijzondere bijdragen van Petrus, Paulus en Johannes. In het Nieuwe Testament kunnen wij drie denkwijzen ontdekken, die ongetwijfeld in verschillende mate door alle apostelen tot uitdrukking worden gebracht, maar die vooral door de bijzondere bijdragen van deze drie apostelen worden gedefinieerd en geïllustreerd. Dit hangt ongetwijfeld samen met het feit dat hun geschriften in verschillende tijden zijn ontstaan, waarbij iedere apostel ingaat op de vragen van zijn tijd. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat deze drie mannen met elkaar in conflict zijn, want zij zelf hebben, is een aanvulling op wat de anderen geven. En misschien was er minder verschil tussen hun bedieningen dan blijkt uit wat er voor ons op schrift bewaard is gebleven. Toch geloof ik dat wij duidelijk een lijn van Petrus, Paulus en Johannes in de Schrift kunnen aanwijzen, en dat God deze drie hoofdlijnen voor alle tijden aan Zijn volk gegeven heeft.
   De vele verschillende bedieningen in het Nieuwe Testament - bijvoorbeeld die van Filippus en Barnabas, Silas en Apollos, Timotheüs en Jacobus - samen met de ontelbaar vele (bedieningen) die later volgden, vertonen in verschillende mate de typische elementen van deze drie apostelen. Wij moeten dus proberen te begrijpen wat God door de ervaringen van deze drie mannen tot ons te zeggen heeft. Dat is het doel van deze studie.


‘WERPT UW NET UIT IN DE ZEE’

   Wij beginnen met Petrus. Het wordt algemeen aangenomen dat Marcus bij het schrijven van zijn evangelie eigenlijk de boodschap van Petrus op schrift heeft gesteld. Daarnaast hebben wij de brieven van Petrus zelf en natuurlijk de voorvallen uit zijn leven, die beschreven zijn in de andere evangeliën en in het boek Handelingen. Deze vormen samen de speciale bijdrage van Petrus. Wat was zijn bediening dan? Uit zijn brieven krijgen wij duidelijk de indruk dat alle aspecten van het werk van een apostel bij hem gevonden worden; maar in de verhalende passages springt één ding er toch wel uit. Ik geloof dat de Here hier speciaal de aandacht op vestigde toen Hij bij de roeping van Petrus het woord ‘vissers van mensen’ gebruikte. Dat zou Petrus’ bijzondere taak worden. Hij zou mensen in groten getale het Koninkrijk binnenleiden. Jezus bevestigde dit later toen Petrus Hem bij Caesarea Filippi had beleden als de Christus Gods. De Here zou Zijn gemeente bouwen. Petrus zou later geroepen worden tot de pastorale bediening van het voeden van Zijn schapen; maar met betrekking tot de gemeente waren Jezus’ eerste woorden tot hem: ‘Ik zal u de sleutels van het Koninkrijk der hemelen geven.’ De sleutel duidt onder andere op een opening, een begin. Je komt door een deur binnen. Je gebruikt een sleutel om haar open te doen, of om anderen binnen te laten. Waar nieuwe dingen beginnen, zien wij Petrus. Hij was de eerste die zo’n bediening had. De gemeente in Jeruzalem ontstond, toen drieduizend mensen zijn woord aanvaardden; en de gemeente in Caesarea begon, toen in zijn tegenwoordigheid de Heilige Geest op Cornelius en zijn huis viel. Wij kunnen dus zeggen dat Petrus, toen hij met de elven opstond, de deur opende voor de Joden, en dat hij, toen hij later Christus predikte in dat Romeinse huis, de deur opende voor de heidenen, hoewel in geen van de beide gevallen Petrus alleen was, want de bediening straalde altijd uit naar anderen om hem heen. Al zien wij later dat ook Paulus door God was uitverkoren om een wijdere bediening onder de heidenen te hebben, toch was Petrus in de ware zin de pionier. Historisch gesproken was hij het die de sleutel had en de deur opende. Het was zijn taak iets nieuws te beginnen. Hij was door God aangesteld om deuren te openen. Het hoofdthema van Petrus’ boodschap was verlossing; verlossing niet als doel op zich, maar altijd met het oog op het Koninkrijk in al zijn volheid, en op Jezus, zijn verhoogde Koning. Maar toen hij voor het eerst het Koninkrijk verkondigde, was het onvermijdelijk dat hij de nadruk op het begin legde, en niet op al de andere aspecten. Hij introduceerde het Koninkrijk bij de mensen. Het moest meer dan toeval zijn dat dit in overeenstemming was met de bijzonderheden van zijn eigen roeping. Want Petrus werd onder geheel andere omstandigheden geroepen dan Paulus en ook weer anders dan Johannes. Omdat deze omstandigheden opgeschreven zijn in de Schrift, moeten wij ze niet als onbetekenend beschouwen. Zij zijn onze aandacht waard. Wij lezen dat Petrus geroepen werd terwijl hij bezig was met het belangrijkste onderdeel van zijn werk, namelijk het in de zee werpen van een net. Dat beroep heeft in overdrachtelijke zin zijn hele bediening gekarakteriseerd.
   Hij was in de eerste plaats evangelist. Wanneer je een net in de zee werpt, vang je vis; allerlei soorten vis. Dat is Petrus. Wij mogen niets vergeten van alle andere dingen die hij deed en schreef; wij mogen niettemin zeggen dat het hoofdaccent van zijn bediening, voor zover die voor ons beschreven wordt, hier ligt.


‘ZIJ MAAKTEN TENTEN’


   Nu komen wij bij Paulus. Hij is ook een dienaar van de Here, maar anders. Niemand zal het in zijn hoofd halen te zeggen dat Paulus het evangelie niet heeft verkondigd.
   Natuurlijk deed hij dat. Maar zijn bediening was niet identiek aan die van Petrus. Dat betekent echter niet dat er een conflict bestond tussen de bedieningen van deze twee mensen, of dat de bedieningen van Gods dienstknechten ooit met elkaar in strijd zouden mogen zijn. Paulus maakt het duidelijk in zijn brief aan de Galaten dat de verschillen die er tussen hen beiden waren, te maken hadden met de plaats van hun arbeidsterrein en de mensen tot wie zij zich richtten, en dat er tussen hen beiden een taakverdeling was die niet voortkwam uit een onderlinge overeenkomst maar ingesteld was door God (Galaten 2:7-12). Maar er kwam een dag dat Paulus verder moest gaan. Terwijl Petrus met nieuwe dingen begon, was het Paulus’ taak om op te bouwen. God vertrouwde hem de opbouw van de gemeente toe, of, met andere woorden, de taak om Christus in Zijn volheid aan de mensen bekend te maken, en deze mensen verenigd binnen te leiden in alles wat God voor hen in Christus heeft bereid. Paulus had iets gezien van die hemelse realiteit in al zijn grootheid, en het was zijn opdracht het volk van God hierin op te bouwen.
   Laat ik dit eens illustreren. U herinnert zich het visioen dat Petrus ontving, voordat hij naar de heidenen in Caesarea ging. Hij zag een laken uit de hemel omlaag komen, waarin zich allerlei dieren, reine en onreine, bevonden. Dat visioen symboliseert het universele karakter van het evangelie. Het is bestemd voor ieder schepsel. En hier zien wij opnieuw Petrus ten voeten uit.
   Zijn bediening is een bediening met een laken, waarin hij ‘van alles iets doet’. De bediening is hem door God opgedragen, want ze komt tot hem uit de hemel. Het was zijn opdracht van God, hier in Joppe hernieuwd en bevestigd, om zo veel mogelijk van ieder soort tot de Verlosser te brengen. Maar onze broeder Paulus verschilt hierin van Petrus, dat hij niet een man is die een laken vasthoudt; hij is tentenmaker. Het laken in Petrus’ visioen - ik spreek weer overdrachtelijk - wordt in Paulus’ hand een tent. Wat bedoel ik? Ik bedoel dat een laken iets is wat nog geen vorm is; er is nog niet iets van gemaakt. Maar nu komt Paulus op het toneel als tentenmaker, en onder de leiding van de Geest van God - en ook Paulus had hierover een visioen gehad dat rechtstreeks uit de hemel kwam (2 Korinthiërs 12:2-4; Efeziërs 3:2-10) - geeft hij dat vormeloze (laken) vorm en betekenis. Hij wordt door Gods soevereine genade bouwer van het huis van God. Bij Paulus is het niet een kwestie van het louter toevoegen van zoveel zielen, maar van het geven van een vaste vorm.
   Waarschijnlijk heeft Paulus het nooit meegemaakt dat onder zijn prediking op één dag drieduizend zielen tot geloof kwamen. Dat was het voorrecht van Petrus; maar het was de speciale bediening van Paulus om gelovige mensen op te bouwen in overeenstemming met het hemelse visioen dat God hem gegeven had. Het is God niet genoeg dat Zijn volk alleen bekeerd is, naar de kerk gaat, naar goed voorbereide preken luistert, en het gevoel heeft dat dát hen tot goede christenen maakt.
   Hij is niet eens zozeer geïnteresseerd in hun speciale ervaringen van vervulling en heiliging en bevrijding, of hoe ze het ook noemen - als ervaringen. God heeft veel meer voor met Zijn kinderen dan dit: iets wat genoemd wordt ‘een nieuwe mens’ vanuit de hemel. Het doel dat God in de verlossing voor ogen staat, is de vereniging van Christus, het hoofd, met de gemeente, Zijn lichaam, zodat het geheel, Christus en Zijn gemeente, samen Zijn ene nieuwe mens - ‘de Christus’ - vormt. Het is goed in de Schrift na te gaan wat er geschreven is over ‘de Christus’.
   Hoe geweldig is het dat de ene gedachte van God, Zijn Zoon Jezus Christus betreft. Vele malen lezen wij in de Schrift ‘Jezus de Christus’. Vele malen is het alleen maar ‘de Christus’. Maar als men nauwkeurig leest, ontdekt men dat de term niet alleen gebruikt wordt voor de Zoon van God persoonlijk, maar ook om aan te geven dat anderen bij Christus inbegrepen geacht worden (zie vooral 1 Korinthiërs 12:12). Wat een grenzeloze genade: God brengt vele verloste zonen tot Zich, niet slechts als individuele personen, maar als een volk. En met welk doel? Om van hen, in de Zoon en met de Zoon, een nieuwe mens te maken; een verenigd geheel waarin, door al deze mensen, het hemelse leven en de heerlijkheid van de gezegende zonen van God tot openbaring komen.
   Dat is Gods geweldige doel; en Paulus was degene die door God op een speciale wijze geroepen werd om de beheerder van het mysterie te zijn, zowel om het te verkondigen als om het volk van God erin binnen te leiden. Hiermee willen wij in het geheel niet de bediening van Petrus kleineren. Wij willen zeker niet beweren dat evangelisatie een kleinere plaats zou moeten hebben, omdat dat minder belangrijk zou zijn. Maar wat wij allemaal moeten zien, is dat de speciale bediening van Paulus een noodzakelijke aanvulling is op die van Petrus. Paulus gaat verder dan Petrus, maar dat betekent niet dat Petrus overbodig wordt. Zelfs broeder Petrus, met zijn diepe en groeiende kennis van Gods ‘geestelijke huis’ (1 Petrus 2:1-9), erkende dat Paulus hem in zekere zin was voorbijgestreefd. Het is goed om de laatste verzen van zijn tweede brief te lezen, waarin hij het heeft over de aan Paulus gegeven ‘wijsheid’, en dan vervolgens de brieven van Paulus in één adem noemt met ‘de overige schriften’.
   Petrus heeft hier misschien wel bijzondere genade voor nodig gehad, maar hij was tot het punt gekomen waar hij zag dat het onderwijs van Paulus het zijne aanvulde.
   ‘Wee mij’, zei Paulus, ‘als ik het evangelie niet verkondig.’ In de kracht van God probeerde hij het evangelie te verkondigen tot aan het verste einde van de Romeinse wereld. Waar hij ook predikte, nooit was het hem genoeg als de mensen de eerste beginselen van de verkondiging hadden gehoord; altijd was hij erop uit de heiligen binnen te voeren in de diepere geheimenissen.
   Want hij was vóór alles een bouwmeester. Hij was, in zijn eigen woorden, ‘een kundig bouwmeester’ (1 Korinthiërs 3:10). Hij legde het fundament - dat is Jezus Christus - en ging dan verder en bouwde op dat fundament. Op een ander fundament bouwen was hem volkomen onmogelijk. Maar hij zag ook dat het bouwwerk zelf van belang is. Het maakt veel verschil hoe je bouwt, en met wat voor materialen. In Gods huis mag geen tweederangs werk geleverd worden.
   God wil dat Zijn volk samengebonden is in liefde, en opgebouwd wordt tot een heilige tempel in de Here om de heerlijkheid van Zijn Zoon te openbaren. Dat was het doel dat Paulus in zijn bediening steeds voor ogen had. Al de lessen uit zijn bewogen leven en alle rijke bijdragen van zijn vele brieven hebben dit ene doel: dat Christus voor Zichzelf de verheerlijkte gemeente zou mogen hebben waarvoor Hij was gestorven.


‘ZIJ WAREN BEZIG HUN NETTEN TE REPAREREN’

   Maar na verloop van tijd kwamen er tegenslagen en teleurstellingen. In zijn brief aan de Filippenzen vertelt Paulus ons waarom. ‘Allen zoeken zij hun eigen belang’, zegt hij, ‘niet de zaak van Jezus Christus’ (Filippenzen 2:21). Enige tijd later schrijft hij aan Timotheüs dat de heiligen in de provincie Asia afvallig geworden zijn. Wie zijn deze gelovigen in Asia? Sommigen van hen worden ongetwijfeld door de Here zelf in Zijn Openbaring vermaand. Daar richt Hij Zich tot zeven gemeenten in de provincie Asia, die, naar wij geloven, representatief zijn voor alle gemeenten in deze hele bedeling (Openbaring 1:11). Want in de ogen van God waren alle gemeenten van deze eerste nieuwtestamentische periode al afgeweken, en hadden iets van het goddelijk doel gemist.
   Op dit punt roept God Johannes. Tot op dit ogenblik is hij, althans voor zover dat uit het Nieuwe Testament is op te maken, op de achtergrond gebleven. Na de dood van Paulus brengt God iemand anders naar voren, die een duidelijk nieuw accent legt in antwoord op een nieuwe behoefte.
   De bediening van Johannes is duidelijk anders dan die van Petrus. In tegenstelling tot Petrus was het niet Johannes’ bijzondere opdracht iets nieuws te beginnen. Voor zover wij kunnen nagaan, gebruikte de Here hem in het begin alleen naast Petrus. Er wordt ook niet verteld dat hem de bijzondere taak was toevertrouwd het mysterie van de gemeente bekend te maken. Ongetwijfeld hecht hij evenveel belang aan het fundament als de andere apostelen (Efeziërs 2:20), maar ook in dit opzicht is zijn roeping beslist niet uniek. Op theologisch gebied heeft hij niets toe te voegen aan de openbaring die ons door Paulus gegeven is. In de bediening van Paulus bereikten de dingen van God een hoogtepunt, een climax, en daar kan men niet boven uit. Paulus’ hele belangstelling ging uit naar de volle verwezenlijking van de goddelijke besluiten die al bij de grondlegging der wereld genomen zijn. Wat God Zich in Zijn Zoon had voorgenomen - de verlossing en verheerlijking van de mens - ontvouwde Hij eeuw na eeuw, stukje voor stukje, totdat het ten slotte in deze speciale periode van genade volledig openbaargemaakt werd in de geboorte en de dood, de opstanding en verheerlijking van Zijn Christus. De bijzondere opdracht van Paulus was het bekend maken van dat plan, en het ten volle verwezenlijken ervan in het volk van God.
   Het was zijn taak om, ten dienste van ons allemaal, iets onder woorden te brengen wat uit het hart van God kwam; wat eeuwenlang verborgen was gebleven, maar nu geopenbaard. Om te overtreffen wat God aan Paulus had toevertrouwd, zou men God moeten overtreffen, en dat is ondenkbaar. Het goddelijk plan is absoluut. Waarom werd Johannes dan nog aan Paulus toegevoegd? Welke ruimte is er dan nog voor een andere bediening? Het antwoord is, dat de vijand der zielen tegen het eind van de periode van het Nieuwe Testament ingang vond in het huis van God, en het volk van God, de erfgenamen van de verlossing, verleidde van Zijn wegen af te wijken. Zelfs de gemeente te Efeze, aan wie een bijzondere openbaring over ‘de gemeente’ was toevertrouwd, schoot tekort en viel af. Als u de eerste brief aan de Efeziërs vergelijkt met de tweede brief - die van Paulus met die van Jezus door middel van Johannes (Openbaring 2:1-7) - ziet u hoe het met deze mensen gesteld was. Daar is iets verschrikkelijks gebeurd; en nu komt Johannes met een nieuwe opdracht; waarvoor? Niet om verder te leiden, maar om te herstellen. In het hele Nieuwe Testament kunnen wij zien dat Johannes een bediening van herstel heeft. Hij zegt niet iets heel nieuws of oorspronkelijks (hoewel het waar is dat hij in de Openbaring de dingen tot een nieuw hoogtepunt brengt).
   Wat Johannes onderscheidt, zowel in het evangelie en de brieven als in de Openbaring, is zijn zorg het volk van God terug te brengen naar de positie die het verloren heeft. Dit is ook weer in overeenstemming met de omstandigheden waaronder Johannes geroepen werd om discipel te zijn. Petrus werd geroepen om Jezus te volgen toen hij een net wierp in de zee; Paulus was waarschijnlijk al tentenmaker toen God hem ‘een uitverkoren werktuig in Mijn hand’ noemde; en Johannes werd op een heel andere manier geroepen. Net als Petrus was Johannes een visser, maar hij was niet in het schip maar op de wal op het moment dat hij geroepen werd; en wij lezen dat hij en zijn broer bezig waren hun netten te repareren. Wanneer je iets repareert, probeer je het terug te brengen in zijn oorspronkelijke toestand. Iets is beschadigd of verloren en nu moet het hersteld worden; dat is de speciale bediening van Johannes.
   Deze bewering vraagt misschien om een nadere toelichting, maar die laten wij even rusten. En om de indruk te vermijden dat wij teveel betekenis hechten aan het beroep van deze drie apostelen, willen wij meteen zeggen dat wij deze details, die God natuurlijk niet voor niets heeft laten vastleggen, louter beschouwen als gemakkelijke kapstokken waaraan wij onze gedachten kunnen ophangen, en die ons kunnen helpen de oneindig grotere dingen, die ieder van hen als dienstknecht van God vertegenwoordigde, goed in te prenten.
   Hier hebben wij dus deze drie grote leiders. In de eerste plaats Petrus, die het er vooral om te doen is mensen het Koninkrijk Gods binnen te brengen; dan hebben wij Paulus, de wijze bouwmeester, die bouwt volgens het hemelse visioen dat hij ontvangen heeft; en als mislukking dreigt, is er Johannes die erop wijst dat het oorspronkelijke doel van God onveranderd is. Dat Hij het nooit heeft opgegeven. Er is nog steeds iets wat Hij wil vervullen, en van dat voornemen zal Hij nooit worden afgebracht. Wij hebben met dit alles willen zeggen dat deze drie elkaar aanvullende en onderling verbonden bedieningen nodig zijn om de gemeente volmaakt te maken. Er is de bediening van Petrus nodig om in een bepaalde situatie iets nieuws te beginnen; de bediening van Paulus is nodig om op dat begin voort te bouwen; en de bediening van Johannes om de dingen terug te brengen wanneer dat nodig is, in overeenstemming met Gods oorspronkelijke bedoeling. Er zullen slechts weinigen willen ontkennen dat alle drie bedieningen vandaag de dag nog steeds nodig zijn, en dat er in deze laatste periode van dit tijdsbestel de grootste behoefte bestaat aan de derde, die van het herstel.
   Daarom is het belangrijk dat wij aandacht besteden aan de belangrijkste punten van ieder van deze drie bedieningen om te zien wat wij er voor onze huidige situatie van kunnen leren. Wij zullen in de volgende hoofdstukken achtereenvolgens Petrus, Paulus en Johannes nader bezien; eerst de mannen zelf en dan hun bediening van aanvang, opbouw en herstel. Laten wij daarbij de Geest van God toestaan door hen heen tot onze harten te spreken.