Deze tekst is auteursrechtelijk beschermd.

Een levend offer - Basislessen deel 1


door Watchman Nee


Les 3. Alles prijsgeven




   ‘En een hooggeplaatst man vroeg Hem en zeide: Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven? Jezus zeide tot hem: Waarom noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan God alleen. Gij kent de geboden: Gij zult niet echtbreken, gij zult niet doodslaan, gij zult niet stelen, gij zult geen vals getuigenis geven, eer uw vader en moeder. Hij zeide: Dat alles heb ik van jongs af in acht genomen. Toen Jezus dat hoorde, zeide Hij tot hem: Nog één ding komt gij te kort: verkoop alles wat gij bezit, en verdeel het onder de armen, en gij zult een schat hebben in de hemelen, en kom hier, volg Mij. Toen hij dat hoorde, werd hij diep bedroefd, want hij was zeer rijk. En Jezus zag hem aan en zeide: Hoe moeilijk kunnen zij, die geld hebben, in het Koninkrijk Gods ingaan. Want het is gemakkelijker, dat een kameel gaat door het oog ener naald, dan dat een rijke het Koninkrijk Gods binnengaat. En die dit hoorden, zeiden tot Hem: Maar wie kan dan behouden worden? Hij zeide tot hen: Wat bij mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God. En Petrus zeide: Zie, wij hebben het onze prijsgegeven en zijn U gevolgd. En Hij zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, er is niemand, die huis of vrouw of broeders of ouders of kinderen heeft prijsgegeven om het Koninkrijk Gods, of hij zal vele malen meer ontvangen in deze tijd en in de toekomende eeuw het eeuwige leven’ (Luc. 18:18-30).


‘En Hij kwam Jericho binnen en ging erdoor. En zie, er was een man, Zacheüs geheten, die oppertollenaar was, en hij was rijk. En hij trachtte te zien, wie Jezus was, en slaagde er niet in vanwege de schare, want hij was klein van gestalte. En hij liep hard vooruit en klom in een wilde vijgenboom om Hem te zien, want Hij zou daar langs komen. En toen Jezus bij die plaats kwam, keek Hij naar boven en zeide tot hem: Zacheüs, kom vlug naar beneden, want heden moet Ik in uw huis vertoeven. En hij kwam vlug naar beneden en ontving Hem met blijdschap. En toen zij het zagen, morden zij allen: Hij is bij een zondig man binnengegaan om zijn intrek te nemen. Maar Zacheüs ging staan en zeide tot de Here: Zie, de helft van mijn bezit, Here, geef ik de armen, en indien ik iemand iets heb afgeperst, vergoed ik het viervoudig. En Jezus zeide tot hem; Heden is aan dit huis redding geschonken, omdat ook deze een zoon van Abraham is. Want de Zoon des mensen is gekomen om het verlorene te zoeken en te redden’ (Luc. 19:1-10).


‘En allen, die tot het geloof gekomen en bijeenvergaderd waren, hadden alles gemeenschappelijk; en telkens waren er, die hun bezittingen en have verkochten en ze uitdeelden aan allen, die er behoefte aan hadden’ (Hand. 2:44-45).


‘En de menigte van hen, die tot het geloof gekomen waren, was één van hart en ziel, en ook niet één van hen zeide, dat iets van hetgeen hij bezat zijn persoonlijk eigendom was, doch zij hadden alles gemeenschappelijk. En met grote kracht gaven de apostelen hun getuigenis van de opstanding des Heren Jezus, en er was grote genade over hen allen. Want er was ook niet één behoeftig onder hen; want allen, die eigenaar waren van stukken grond of van huizen, verkochten die en brachten de opbrengst van de verkoop en legden die aan de voeten der apostelen; en aan een ieder werd uitgedeeld naar behoefte’ (Hand. 2:32-35).


‘Verzamelt u geen schatten op aarde, waar mot en roest ze ontoonbaar maakt en waar dieven inbreken en stelen; maar verzamelt u schatten in de hemel, waar noch mot noch roest ze ontoonbaar maakt en waar geen dieven inbreken of stelen. Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. De lamp van het lichaam is het oog. Indien dan uw oog zuiver is, zal geheel uw lichaam verlicht zijn; maar indien uw oog slecht is, zal geheel uw lichaam duister zijn. Indien nu wat licht in u is, duisternis is, hoe groot is dan de duisternis! Niemand kan twee heren dienen, want hij zal óf de ene haten en de andere liefhebben, óf zich aan de ene hechten en de andere minachten; gij kunt niet God dienen én Mammon’ (Matt. 6:19-24).


De noodzakelijke voorwaarde

   Om pas tot geloof gekomen mensen te helpen alles op te geven, moet de gemeente allereerst zelf alles opgeven. Zij moet zélf volgens dat principe leven. Wanneer tot de pas tot geloof gekomen mensen wordt gezegd: dit is de weg, wandel daarop, dan zullen ze dat erg moeilijk vinden als degene die hen dat zegt zelf die weg niet gaat. Wanneer de gemeente geen toegewijde gemeente is, heeft ze niet het recht om over toewijding te spreken.
Wanneer zij zich niet van de wereld afgescheiden heeft, is ze niet gerechtigd het woord doop of afscheiding in de mond te nemen. Als de broeders niet alles opgeven, wat voor zin heeft het dan tegen pasbekeerden te zeggen dat zij alles op moeten geven? Gods kinderen moeten dié weg bewandelen die zij anderen proberen te laten bewandelen. Dit sluit niet de mogelijkheid uit dat sommige van de speciale ‘vaten’ die God Zich heeft uitverkoren, een bepaalde weg bewandelen, terwijl de gemeente deze weg niet gaat, maar het betekent wel dat het voor de meesten in de gemeente onmogelijk zal zijn deze weg te gaan. Wanneer de meeste broeders zich geheel overgegeven hebben aan God zal het voor de nieuwkomers gemakkelijker zijn dat ook te doen. Maar als we niet alles opgeven, hoe kunnen we dan van beginnelingen verwachten alles op het altaar te leggen? Om de weg van alles opgeven met volharding te kunnen bewandelen, moet de plaatselijke gemeente zelf op dit punt sterk zijn.


De les van de rijke jongeling

   Laten we beginnen met het voorbeeld van de rijke jongeling in Lucas 18. Hij was een man met een goede levenswandel, hij was geen slecht mens. Hij had alle geboden in acht genomen en hij toonde respect voor de Here Jezus door Hem Goede Meester te noemen. En de Here achtte hem een waardevol persoon want men kwam maar zelden zo iemand tegen. Toen Jezus naar hem keek kreeg Hij hem lief. Maar de Here stelde één voorwaarde. Als iemand Hem wilde dienen moest hij volmaakt zijn. Hoor wat de Here zegt: ‘Indien gij volmaakt wilt zijn (…) nog één ding komt gij te kort’ (Matt. 19:21; Luc. 18:22).
Met andere woorden: de Here wil dat degenen die Hem volgen, Hem op een volmaakte wijze volgen en in niets tekortschieten. Mensen kunnen God niet volgen als zij van de honderd problemen die ze hebben er negenennegentig hebben opgelost maar nog één probleem hebben dat onopgelost blijft. In het volgen van God is ons hele wezen nodig. Het is alles of niets, we geven alles, of helemaal niets. Zeker, deze jongeling had de geboden gehouden van zijn jeugd af. Hij was iemand die het normaal vond God te vrezen, dat was hij gewend. Maar er ontbrak hem nog één ding. Hij moest zijn bezit verkopen en het aan de armen geven. Dan zou de weg voor hem gebaand zijn om de Here te volgen.


1. De Here volgen houdt in dat u alles moet prijsgeven

   Hebt u gezien dat niemand de Here kan volgen als hij niet alles opgeeft wat hij heeft? Deze strenge eis moet goed onder ogen worden gezien en begrepen. Volgens de Bijbel ging de jongeling bedroefd weg toen hij dat hoorde, want hij bezat vele goederen. Terwijl hij zo dicht bij de Here gekomen was en zo duidelijk licht ontvangen had, hield hij zijn zorgen bij zich en besloot hij zijn rijkdom te houden. ‘De geldzucht (…) door daarnaar te haken hebben sommigen zich met vele smarten doorboord’ (1 Tim. 6:10). Mensen kunnen rijkdom vergaren maar geen geluk en blijdschap. Wanneer zij hun rijkdom vermeerderen, vermeerderen zij zorgen en problemen. Dit was een jonge man die zijn rijkdom hield maar niet in staat was de Here te volgen. Als het rijkdom is wat u wilt, dan hoeft u er niet over te peinzen de Here te volgen. Met het vasthouden aan rijkdom houdt u tegelijkertijd vast aan uw zorgen, want rijkdom en zorgen gaan altijd samen.
   Hij die zijn rijkdom opgeeft, is een gelukkig man, terwijl hij die niet van zijn rijkdom afstand wil doen, een ongelukkig en triest mens is. Deze stelling is altijd waar. Zij die begerig zijn naar materiële rijkdom hebben veel zorgen. Moge de pasbekeerde christen zoeken gelukkig te worden door alles los te laten en de Here te volgen. Toen de Here gezien had dat de jongeling bedroefd was weggegaan, gaf Hij het volgende commentaar: ‘Hoe moeilijk kunnen zij, die geld hebben, in het Koninkrijk Gods ingaan.’ De vraag was eerst: ‘Wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?’ Maar nu wordt de vraag gerelateerd aan het ingaan in het Koninkrijk van God. In verband hiermee vraagt Petrus: ‘Maar wie kan dan behouden worden?’ Behouden worden, eeuwig leven hebben, en het ingaan in het Koninkrijk van God zijn alle drie met elkaar verbonden. Als u eeuwig leven wilt hebben, moet u alles prijsgeven wat u hebt, anders wordt u gehinderd. Onthoudt, een rijke (dat is iemand die op zijn rijkdom vertrouwt) kan op geen enkele manier het Koninkrijk van God ingaan. Ja, de Here zal zo iemand redden als hij erom vraagt. Maar, gered zijnde, zal hij van alles afstand doen. Dat betekent niet dat hij gered wordt, door van alles afstand te doen, maar het bevestigt eenvoudigweg dat, wanneer iemand gered is, hij als vanzelf-sprekend van alles afstand zal doen.
   Net zoals het voor een kameel onmogelijk is door het oog van een naald te kruipen, is het voor een rijke onmogelijk het Koninkrijk van God in te gaan. Wij christenen zijn allemaal als kamelen, grote of kleine, maar toch kamelen. Dus toen Petrus deze woorden hoorde, werd hij bang en klaagde: ‘Maar wie kan dan behouden worden?’ Petrus was bijbelleraar. Hij combineerde de uitspraak van de Here tegenover de jongeling met zijn latere commentaar en concludeerde dat de rijken het Koninkrijk van God niet kunnen binnengaan en dat alleen zij die alles verkocht hadden eeuwig leven konden krijgen. Petrus voelde zich niet op zijn gemak met deze leerstelling. Als eeuwig leven wordt verkregen door werken en niet door geloof, wie kan er dan gered worden? Wie is in staat eerst alles te verkopen en dan eeuwig leven te verkrijgen? Wie is in staat zichzelf arm te maken voordat hij of zij gered wordt?


2. Waar het werkelijk om gaat

   De Here Jezus antwoordde met één zin, en in die ene zin vinden we de kern van het hele probleem. Laten ook wij aan dit woord vasthouden: ‘Wat bij mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God.’ Het is overduidelijk dat zoiets als alles prijsgeven om het Koninkrijk van God in te gaan ongekend is in deze wereld. De Here erkent dit als iets wat menselijkerwijs onmogelijk is. Wat er verkeerd was aan de rijke jongeling was niet zijn onvermogen alles op te geven, maar zijn bedroefde aftocht. God weet dat het voor de mens onmogelijk is alles te verkopen en aan de armen te geven. Maar toen de jongeling bedroefd wegging, scheen hij te concluderen dat het ook voor God onmogelijk was dit te bewerken.
   Het is natuurlijk niet goed van mij als ik niet alles opgeef, maar weet de Here er niet alles van? Daarom verklaart de Here: ‘Wat onmogelijk is bij mensen, is mogelijk bij God.’ Hoe kan iemand een kameel door het oog van een naald krijgen? Dat is onmogelijk. Op gelijke wijze zien we ook dat de mensen op deze wereld allemaal rijkdom liefhebben, en hun te vragen alles op te geven is het vragen van het onmogelijke. Als ik echter bedroefd wegga, ben ik echt verkeerd bezig, want dan begrens ik de kracht van God. De rijke jongeling kon niet alles opgeven, maar God kan het doen. Met andere woorden: de Here was bereid de jongeling genade te geven als hij alleen maar geroepen had: ‘O Here, ik kan mijn rijkdom niet loslaten, maar geef mij genade. Wat voor mij onmogelijk is, is mogelijk voor U. Stel mij in staat te doen datgene wat ik niet kan. Here, ik zit gewoon te vast aan mijn rijkdom om het op te geven en het aan de armen te geven en om vervolgens te naderen tot U om U te volgen, maar U kunt mij maken zoals U mij hebben wilt.’ De fout die hij maakte, was het nalaten te bidden, vragen en geloven. Hij had niet bedroefd weg moeten gaan. Het falen van de mens wordt niet veroorzaakt door zijn zwakheid maar door het niet aanvaarden van Gods kracht.
   Het ligt niet aan zijn onvermogen maar aan het God niet toestaan hem ertoe in staat te stellen. Hijzelf kan het niet, maar waarom laat hij zich dan niet door God verlossen? Daar legt de Here hier de nadruk op. De dingen die bij de mens onmogelijk zijn, zijn mogelijk bij God. Onze Here wilde de jongeling laten zien wat God kon doen, maar deze ging weg met de gedachte dat de hele zaak voor Hem onmogelijk was. We moeten daarom zien dat er altijd een weg voor ons open ligt. Als wij net als Petrus met blijdschap alles kunnen loslaten, dan moeten we God daarvoor danken. Maar als we aarzelen, zoals de rijke jongeling dat deed, dan ligt er toch nog een weg voor ons open. We hoeven dan alleen maar onze hoofden te buigen en te zeggen tegen de Here: ‘Ik kan het niet’, en dan zal Hij het voor ons doen.


3. Een christen moet absoluut zijn, geheel voor de Here

   Nadat hij gehoord had wat de Here gezegd had, zei Petrus: ‘Zie, wij hebben het onze prijsgegeven en zijn U gevolgd’, alsof hij daarmee wilde vragen: ‘Wat zal er nu met ons gebeuren?’ Het antwoord van de Here laat zien dat het goed is om alles achter te laten want Hij zei: er is niemand die huis of vrouw of broeders of ouders of kinderen heeft prijsgegeven om het Koninkrijk Gods en om het evangelie, of hij zal vele malen meer ontvangen in deze tijd en in de toekomende eeuw het eeuwige leven. Hij verlangt van ons dat wij Hem volgen en alles voor Hem en voor het evangelie prijs te geven. Dit laat duidelijk de absolute noodzaak zien van het feit dat een christen alles moet prijsgeven en de Here volgen moet.
   Jonggelovigen moeten weten dat zij de Here niet kunnen volgen als zij niet alles opgeven. We zien daar een goed voorbeeld van bij de twaalf discipelen. Toen zij door de Here geroepen werden lieten zij hun boten en netten en alles wat zij hadden achter en volgden de Here met blijdschap. Zij lieten zonder aarzelen alles achter. Hoe danken wij God voor pasbekeerden die net als deze discipelen zijn. En toch, zelfs als sommigen net als de rijke jongeling aarzelen om alles op te geven, wordt hun toch nog een weg getoond om de Here te volgen. Bij mensen is dit onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk. Ter herinnering: van de dertien die geroepen werden, volgden er elf met ijver de Here, één deed alsof hij volgde, en één aarzelde. Degene die deed alsof was Judas en degene die aarzelde was de rijke jongeling. Wanneer het Woord van de Here gepredikt wordt, denk dan niet dat van degenen die reageren er maar één is die de Here waarachtig volgt. Nee, de Bijbel zegt ons dat er slechts één was die bang was om de Here te volgen. Als de gehele Gemeente zo wandelt hoeft men niet bang te zijn al te veel ‘rijke jong-elingen’ te hebben. Zulke mensen bestaan wel, maar men komt ze maar af en toe tegen. Van de dertien waren er elf behoorlijk absoluut.


De les van Zacheüs

   Zacheüs was een Jood maar hij werkte voor de Romeinse overheid. De Joden zagen hem als een verrader, omdat hij samenwerkte met het Romeinse Rijk. Hij hielp het Romeinse Rijk met het inzamelen van de belastingen van zijn eigen volk. Daar komt nog bij dat hij een zondaar was. Hij had niet het goede karakter van de rijke jongeling die alle geboden van zijn jeugd af had gehouden. Net als andere belastingambtenaren was hij gierig en perste hij mensen zoveel mogelijk af. Hij had zijn slechte reputatie zeker verdiend. Maar de Here Jezus kwam voorbij. Zijn kracht om mensen tot Zich te trekken is groot. ‘Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke (…)’ (Joh. 6:44). Deze belastingambtenaar werd dus getrokken door God naar zijn Zoon. Omdat hij klein was, klom Zacheüs in een boom om Jezus te zien. De Here keek naar hem, maar Hij begon niet tegen hem te preken. Hij zei niet: ‘Je moet je bekeren en je zonden belijden’, en Hij gaf hem ook geen berisping vanwege de afpersing waar hij zich aan bezondigde en zijn gierigheid; Hij verlangde ook niet van hem dat hij alles prijsgaf, alles aan de armen gaf, en Hem volgde. Geen leerrede werd er afgestoken, er werden alleen een paar eenvoudige woorden gesproken: ‘Zacheüs, kom vlug naar beneden, want heden moet Ik in uw huis vertoeven.’ Geen enkele vermaning kwam er uit zijn mond.
   Wat vreemd dat de Here het hier niet over de wedergeboorte heeft zoals in Johannes 3, of over het levende water zoals in Johannes 4, of over het licht zoals in Johannes 8, of over de graankorrel zoals in Johannes 12. Hij sprak ook niet over de christelijke handel en wandel die beschreven is in Mattheüs 5 tot 7. Hij gaf preek noch vermaning. Het was gewoon een persoonlijk contact, een persoonlijke ontmoeting. Een hart dat verlangde naar de Here kwam in contact met de Here die hem koos. Zacheüs wist niets van wat voor leer dan ook. De mensen die er omheen stonden, begonnen te mopperen. Ze vonden het erg onrechtvaardig en onjuist dat Jezus van Nazareth naar geen ander huis ging dan dat van zulk een zondaar. Zij allen kenden Zacheüs en wisten wat voor soort mens hij was. Toen zij hoorden wat de Here zei, voelden zij zich gekwetst. Let er ook op waar hier de nadruk op wordt gelegd. De Here verkondigde niet een bepaalde leer maar zei eenvoudigweg: ‘Heden moet Ik in uw huis vertoeven.’ Dat eenvoudige woord echter was genoeg. Hij was eigenlijk nog helemaal niet in het huis van Zacheüs; Hij suggereerde Zijn komst alleen maar. Maar dat was genoeg, want overal waar de Here is, verdwijnt de liefde voor geld.
   Als Hij komt, zijn al deze problemen opgelost. Zijn verlangen om naar het huis van Zacheüs te gaan was zo sterk dat het was alsof Hij er al was. Slechts die eenvoudige woorden: ‘(…) heden moet Ik in uw huis vertoeven’ maakten Zacheüs bankroet, want hij zei: ‘Zie, de helft van mijn bezit, Here, geef ik de armen, en indien ik iemand iets heb afgeperst, vergoed ik het viervoudig.’ De rijke jongeling werd aangemoedigd door de Here, maar hij was niet in staat te gehoorzamen, hij faalde; bij Zacheüs werd er niet eens op aangedrongen en toch voldeed hij volledig aan de wens van de Here. Beiden waren rijk, en in het algemeen kun je zeggen dat hoe ouder een mens is hij des te meer van geld houdt. Maar hier is het de oudere die zijn geld loslaat. De rijke jongeling representeert ‘bij mensen onmogelijk’, terwijl Zacheüs ‘mogelijk bij God’ representeert.
   Alles prijsgeven en de Here volgen is niet gering. Het is niet gemakkelijk om dat te doen want wie zou er al zijn rijkdom willen verzaken? Geen mens zal in één keer van al zijn bezittingen afstand doen, tenzij hij gek geworden is. Maar de geschiedenis van Zacheüs laat ons zien dat wat onmogelijk is voor mensen, mogelijk is voor God. Zacheüs deed wat de Here wilde zonder het horen van een leer. Dit illustreert hoe gemakkelijk het kan worden gedaan.


EEN KAMEEL GAAT DOOR HET OOG VAN DE NAALD

   Als God aan het werk is, gaat de kameel door het oog van de naald. In Lucas 18 drentelt een kameel aarzelend heen en weer voor het oog van de naald en kan er niet doorheen komen, maar in hoofdstuk 19 gaat hij er zonder moeite doorheen. Hoofdstuk 18 zegt ons dat het voor mensen onmogelijk is; hoofdstuk 19 laat ons zien dat voor God alle dingen mogelijk zijn. In de ogen van de wereld is het prijsgeven van alle bezittingen krankzinnig, maar voor degenen die opzien naar de Here kan het snel worden gedaan. Hoe kon Zacheüs dit doen?
   Ten eerste was hij een zoon van Abraham, ten tweede, er was die dag redding aan zijn huis geschonken. Hij deed het niet omdat hij er zelf toe in staat was, noch omdat hij had gehuild en gebeden en gemediteerd over alles wat de Here hem verteld had om daarna tandenknarsend toe te geven. Hij gaf niet vandaag een beetje op en morgen nog een beetje, net zolang tot hij gedwongen werd alles op te geven. Hij deed het ook niet door vastbeslotenheid, door ervoor te worstelen, of door redeneren. Hoe was het dan mogelijk dat hij zijn huis zo kon ‘weggeven’? Had hij niet tientallen jaren lang rijkdom vergaard, vele gevaren het hoofd geboden, en was hij niet in onmin geraakt bij de mensen om zo zijn huis te kunnen bouwen? Maar nu breekt hij het moedwillig af - omdat er aan dit huis redding geschonken was. Hij redde zichzelf niet; het was de Here die hem redde. Wanneer aan een huis redding wordt geschonken komt de kracht van de Here ook in het huis. Lees achtereenvolgens de twee plaatsen waar Zacheüs’ huis genoemd wordt: ‘Heden moet Ik in uw huis vertoeven’, en ‘heden moet Ik in uw huis vertoeven’. Het is duidelijk dat de Here zelf de redding is. De komst van de Here in ons huis is de komst van redding in ons huis. Wanneer de Here komt, is er ook redding en kracht. ‘Want de Zoon des mensen is gekomen om het verlorene te zoeken en te redden’ (Luc. 19:10). Dit is een beroemd vers in het christendom. De Zoon des mensen kwam één ding doen: degenen zoeken die verloren zijn in de rijkdom. Allen die geld liefhebben, zijn ‘verloren’ mensen. Vandaag de dag zoekt de Here zulke verlorenen. Hij vond Zacheüs en Hij vond ook ons. Wij waren eens verloren, maar nu heeft de Here ons gevonden. Daarom kunnen onze problemen ook worden opgelost. Geld zal zijn macht over ons verliezen.


Gods weg voor vandaag

   Kijk naar deze twee hoofdstukken, Lucas 18 en 19: in het ene hoofdstuk werd de rijke jongeling gevraagd alles prijs te geven maar deze ging bedroefd weg; in het andere hoofdstuk geeft Zacheüs alles op zonder dat hem dat werd gevraagd. In de dagen dat de Here Jezus op aarde was, wilde de Here dat mensen alles opgaven en Hem volgden. Zo ook de Gemeente; kort nadat zij tot stand kwam, deed zij hetzelfde. In Handelingen 2 en 4 zien we dat de gelovigen in de begintijd van de Gemeente alle dingen met elkaar deelden, men had alles gezamenlijk; oftewel: niet een van de gelovigen zei dat van de bezittingen die hij had iets zijn persoonlijk eigendom was.
   Met andere woorden: de hand van de Here rustte op allen die gered werden. Wanneer zij eenmaal eeuwig leven hadden, begonnen hun bezittingen hun grip op hen te verliezen, en op een natuurlijke wijze verkochten zij hun huizen en hun grond. Wanneer we hetzelfde principe toepassen op diegenen onder ons die tot de Here naderen om Hem te volgen, zou het ook voor ons normaal moeten zijn dat de Here onze vele bezittingen opeist. Onze houding moet zodanig veranderen dat wij deze dingen niet meer als de onze beschouwen. Dan zal niemand zeggen: dit of dat is van mij. Niemand zal iets claimen als zijn speciaal eigendom. Wat er ook maar aanwezig is, jij mag het net zo goed gebruiken als ik. Wat er aan geld in mijn portemonnee zit zou net zo goed in jouw portemonnee kunnen worden gestopt. De kleren die ik heb, mag jij ook dragen. Dat is de houding die wij moeten hebben ten opzichte van bezittingen.
   Laat mij u iets vertellen van mijn persoonlijke ervaringen, die misschien als een grap over zullen komen. Ik heb al bijna vijfentwintig jaar de gewoonte een dozijn of een half dozijn van de dingen aan te schaffen die ik koop. Sommige broeders vragen zich af waarom ik zoveel koop. Als ik bijvoorbeeld een zonnebril nodig heb, dan zeg ik tegen de Here: ‘O God, als U mij echt een zonnebril wilt geven dan moet U mij er zes geven.’ Waarom? Omdat ik innerlijk meer vrede heb wanneer ik mijn zonnebril pas draag nadat ik vijf zonnebrillen aan de broeders gegeven heb. Of als ik een scheermes koop dan koop ik er meestal zes; de mesjes zelf koop ik per twaalf dozijn. Waarom ik dat doe? Omdat als ik maar één scheermesje koop die uitsluitend voor mijn eigen gebruik zou zijn. Ik kan natuurlijk niet aan duizend of tweeduizend broeders een scheermes geven.
   Maar als ik eerst wat aan mijn broeders geef alvorens mijn eigen mes te gebruiken, zorgt dat voor een bepaalde sfeer. Anders zou ik het gevoel hebben dat het scheermes alleen van mijzelf is. Die broeders en zusters die mij al jaren kennen, zullen denk ik wel van deze gewoonte die ik heb op de hoogte zijn. Gewoonlijk koop ik dozijnen van iets, hoewel ik er zelf maar één gebruik. Zo zullen wij van ‘dingen’ worden verlost.


Het principe van ‘alle dingen gemeenschappelijk’

   Laten we ons niet te zeer aan dingen vastklampen. Misschien wil de Here dat ik dit kledingstuk van mij niet permanent in mijn bezit heb; misschien moet ik het morgen wel weggeven. Daarom is het beter dat ik twee of drie kledingstukken koop. Dat is de ‘geur’ die we moeten verspreiden. Iedere keer als wij dingen kopen, moeten we niet alleen aan onszelf denken maar ook aan anderen. Dit betekent niet dat we nooit iets nieuws mogen kopen; het laat alleen zien dat er altijd die ‘geur’ moet zijn van het alles gemeenschappelijk hebben. Wat is dan de les die God ons wil leren? Ten eerste: laten we leren onze wortels niet te diep in de wereld te laten schieten, maar juist de dingen wat meer los te laten. Op deze wijze bevrijd te worden van de dingen van de wereld is niet niets. Hoe gierig zijn de mensen van de wereld! Hoeveel miserabele mensen zijn er wel niet! Ze zijn niet alleen vrekkig in grote dingen, maar ook in kleine dingen. In bijna alles zijn ze hebberig.   
Hoe vaker we het tweede en vierde hoofdstuk van Hande-lingen lezen des te meer raken we ervan overtuigd dat we nergens aan vast moeten houden maar veeleer alle dingen gemeenschappelijk moeten hebben. Gods kinderen moeten vrijgevig zijn ten opzichte van andere kinderen Gods. Of we nu werkelijk onze bezittingen verkopen en het aan de armen geven of niet, de gevoelswaarde blijft hetzelfde. We moeten gewillig zijn om dingen met anderen te delen. Laten we aan niets vasthouden, zelfs niet aan iets onbeduidends als een mes of een pen. We moeten alle dingen loslaten. Als wij hierin gehoorzamen, zal God ervoor zorgen dat we niet te weinig hebben; ja, Hij zal ons zelfs meer geven. Dit is dus het voorbeeld van de vroege Kerk. In het begin zeiden de twaalf discipelen tegen de Here: ‘Wij hebben het onze prijsgegeven en zijn U gevolgd.’ Gedurende Pinksteren, tijdens de eerste opwekking, deden de drieduizend en de vijfduizend vrij spontaan hetzelfde. Eerst waren het de twaalf die alles achterlieten en de Here volgden zonder dat ze daar een leer over gehoord hadden.
   De Here had hun niet gezegd alles op te geven; Hij zei alleen: ‘Komt achter Mij’ (Matt. 4:19). Ze reageerden op deze roeping met het achterlaten van alles wat ze hadden. Maar ook de apostelen zeiden niet tegen de drieduizend en de vijfduizend dat ze hun bezittingen moesten verkopen; deze gelovigen deden dat spontaan, als vanzelf. Dit is wat de Gemeente alle eeuwen door gedaan heeft. En dit moeten ook wij doen vandaag de dag. Het zou tragisch zijn als die praktijk niet zou worden voortgezet.


God of de Mammon

   Laten we teruggaan naar Mattheüs 6 waar staat dat we maar één meester kunnen dienen. We kunnen niet God dienen en de Mammon. Mammon (rijkdom) is een afgod die velen gediend hebben de afgelopen jaren. Dat soort dienst krijgt een stevige grip op het hart. Echter, als wij God nu gaan dienen, moeten we kiezen wie we gaan dienen - God of de Mammon. We kunnen niet beiden dienen. Wat zegt de Here? ‘Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn’ (Matt. 6:21).
   Een broeder zei eens tegen mij: ‘Mijn schat is op aarde, maar mijn hart is in de hemel.’ Zo’n broeder zou in een christelijk museum tentoongesteld moeten worden als een zeldzaam-heid! De Here zegt dat het niet kan, maar hij komt met een: het kan wel. Is dat niet meer dan een wonder? Het woord van de Here is echter glashelder en betrouwbaar. Het hart volgt de schat altijd. Ontsnappen is niet mogelijk. Wat voor redenen men ook aandraagt, hoe men ook denkt; het hart gaat de schat achterna. ‘Verzamelt u geen schatten op aarde’ (Matt. 6:19). Als u dat doet, zult u uiteindelijk de Mammon dienen en niet God. U kunt niet zowel God dienen als de Mammon. U moet óf de ene óf de andere kiezen. Hoe ongunstig zou het zijn de Mammon te kiezen, want deze schat is onderworpen aan de mot, aan roest en aan dieven. Laten wij daarom leren God te dienen. Laten we alles wat we hebben aan God geven en een allereenvoudigst leven leiden hier op aarde.