Deze tekst is auteursrechtelijk beschermd. Website van de auteur: Robert Gagnon, met reacties op recensies.

Lijst met aanbevelingen (pdf). Met een voorwoord (pdf) van prof. dr. P. A. Siebesma.

Voordat u aan de tekst van Gagnon begint, wil ik u wijzen op het volgende pdf-artikel van prof. dr. Jeffrey Satinover: Het is niet wetenschappelijk, en ook niet democratisch (hst. 1 van zijn boek Homosexuality and the Politics of Truth). U leest daarin hoe in de jaren '70 van de vorige eeuw de American Psychiatry Association en de American Psychological Association niet door nieuwe wetenschappelijke data, maar onder invloed van politieke druk door activistische splintergroepen binnen de eigen organisatie hun visie op homoseksualiteit gewijzigd hebben, en vervolgens ook de DSM dienovereenkomstig aangepast hebben. U kunt hier een lezing van hem bekijken (The Trojan Couch), zodat u duidelijk wordt hoe het wetenschappelijk bedrijf op dit punt duidelijk gekaapt is door activisten. Deze lezing is destijds ook getranscribeerd en is door mij vertaald: De bank van Troje. Het volgende verhelderende artikel verscheen in het oktobernummer (2016) van Stichting Promise: Bestaat er een homo-gen? Daarnaast is onderstaande video van Family Watch International een goede spoedcursus om inzicht te verkrijgen in deze materie:




De Bijbel en homoseksualiteit

Een hermeneutiek van de relevante bijbelteksten


door prof. dr. Robert A. J. Gagnon


Hoofdstuk 5 - paragraaf 4


Homoseksualiteit heeft een genetische component waarvan de schrijvers
van de Bijbel niet op de hoogte waren


   In paragraaf III hebben we onderzocht of Paulus van mening was dat homoseksuele geslachtsgemeenschap altijd een daad was van oversekste heteroseksuelen. In deze paragraaf moeten we onderzoeken of en in hoeverre het als een wetenschappelijk gegeven kan worden gezien dat homoseksualiteit een onveranderlijke en statische seksuele oriëntatie is die relatief onbeïnvloedbaar is door omgevingsfactoren. De populaire opvatting die door homoactivisten en hun aanhangers wordt uitgedragen, is dat mensen óf als homoseksueel geboren worden, óf niet. Alle aanhangers van de opvatting die hierboven in paragraaf III behandeld is, beweren dat de bijbelschrijvers homoseksualiteit in een ander licht zouden hebben gezien als ze hadden geweten dat homoseksualiteit geen gedrag is waar men voor kiest, maar een genetisch bepaalde oriëntatie is.
   We zullen de huidige wetenschappelijke gegevens in deze volgorde bespreken: de vraag of er een specifiek ‘homoseksueel brein’ bestaat en specifieke homoseksuele genen; gegevens van studies met identieke tweelingen1; de vraag naar intra-uterinaire (binnen de baarmoeder) hormonale invloeden op de (eventuele) ontwikkeling van homoseksueliteit; de invloed die ouders, broers en zussen en belangrijke andere personen in het algemeen hebben op de seksuele ontwikkeling in de kindertijd en in het bijzonder op het feit dat kinderen zich niet conform hun geslacht ontwikkelen; de bijdrage van interculturele studies naar de invloed van de omgeving op homoseksueel gedrag; de invloed van het stedelijk leven en opleiding op homoseksualiteit in onze huidige samenleving; de verschuiving op de schaal van Kinsey (een instrument dat de seksualiteit verdeelt op een glijdende schaal van biseksualiteit, met uitsluitend hetero- of homoseksualiteit als de twee uitersten ervan); de efficiëntie van de pogingen die professionals uit het circuit van de geestelijke gezondheidszorg en lekentherapeuten hebben gedaan om homoseksuelen te ‘veranderen’.2 Ten slotte sluiten we af met een bespreking van de vraag hoe al deze gegevens verband houden met Paulus’ opvatting over homoseksualiteit.


Een homoseksueel brein?3

   Sommige wetenschappers hebben geprobeerd om verschillen te ontdekken tussen de hersenen van homoseksuelen en heteroseksuelen, om zo de hypothese te bevestigen dat homoseksuele oriëntatie in elk geval ten delen wordt bepaald door intra-uterinaire hormonale invloeden op de ontwikkeling van de hersenen van een foetus. Lijken de hersenen van mannelijke homoseksuelen meer op vrouwelijke hersenen dan de hersenen van heteroseksuele mannen? Drie studies uit de vroege jaren negentig van de vorige eeuw suggereren dat er een verschil is.
   Het onderzoek dat verreweg de meeste media-aandacht heeft gekregen is de studie uit 1991 van de hand van Simon LeVay, een homoseksuele neurobioloog die in 1992 het Stalk Institute verliet om het Institute of Gay and Lesbian Education op te richten. LeVay bestudeerde bij negentien (uiteraard overleden) homoseksuele mannen,4 zestien heteroseksuele mannen en zes vrouwen het gebied van de hypothalamus5 dat bekendstaat als INAH3.6 Hij concludeerde dat INAH3 bij heteroseksuele mannen twee keer groter was (0,12) dan bij vrouwen (0,056) en homoseksuele mannen (0,51).7 De media bazuinden meteen overal rond dat de onderzoeksresultaten van LeVay hét bewijs waren dat homoseksualiteit veroorzaakt wordt door onveranderlijke verschillen in de hersenen die homoseksuelen onderscheiden van heteroseksuelen.
   Een dergelijke conclusie is om twee redenen niet verantwoord: Ten eerste waren er problemen met de studie van LeVay. (1) Het was een studie van slechts één auteur. De metingen waren niet door meerdere onderzoekers gedaan en bevestigd. (2) Zijn onderzoeksgroep was zo klein dat het onmogelijk is om te concluderen dat de groep een representatieve afspiegeling was van de werkelijkheid. En de resultaten van LeVay kunnen niet worden geverifieerd aan de hand van onderzoek bij dieren omdat dieren geen orgaan hebben dat, net als de kern van de hypothalamus, de seksuele oriëntatie regelt. (3) LeVay heeft wellicht de seksuele oriëntatie van sommige van de deelnemers verkeerd beoordeeld. Het feit dat meer dan een derde van de mannen waarvan hij aannam dat die heteroseksueel waren, was gestorven aan AIDS, wekt het vermoeden dat zij uiteindelijk toch niet heteroseksueel waren geweest. LeVay maakte de keuze voor zijn proefpersonen op grond van hun medische gegevens. Als er in de medische gegevens van een persoon niet specifiek stond vermeld dat deze persoon een homoseksuele oriëntatie had gehad, nam LeVay gewoonweg aan dat deze persoon heteroseksueel was geweest.8
   Maar als alle zes ‘heteroseksuelen’ die AIDS hadden gehad zich ook bezig hadden gehouden met homoseksuele handelingen, is het onderscheid tussen de twee groepen dus niet zo veelzeggend. (4) De studie van LeVay bevestigde overigens ook niet dat alle homoseksuelen een kleinere INAH3 hadden. Drie van de negentien homoseksuelen hadden een grotere INAH3 dan die van de gemiddelde heteroseksuele man. Drie van de ‘heteroseksuele’ mannen hadden een kleinere INAH3 dan dat van de gemiddelde homoseksuele man. Dit betekent op z’n minst dat de grootte van de INAH3 niet de enige direct bepalende factor is voor homoseksuele oriëntatie. (5) Een nauwkeuriger (dubbelblind) studie door William Byne leidde niet tot de conclusie dat er een verschil was in de INAH3’s van homoseksuele en heteroseksuele mannen.9 (6) Bovendien is er geen bewijs voor de stelling dat INAH3 iets te maken heeft met seksueel gedrag, om nog maar te zwijgen over seksuele oriëntatie. Dat is niet meer dan een aanname van LeVay.
   Ten tweede is er geen bewijs voor de stelling dat het verschil in grootte (als dat al bestaat) van de INAH3 terug te voeren is op de prenatale ontwikkeling van de hersenen. Ook als de kleine onderzoeksgroep van LeVay representatief zou zijn geweest voor een grotere populatie en zijn resultaten door een ander onderzoek zouden worden bevestigd, en zelfs als hij de juiste inschatting zou hebben gemaakt wat betreft de seksuele oriëntatie van elk individu dat hij had onderzocht, kan een verschil in grootte van de INAH3 tussen heteroseksuele en homoseksuele mannen (over het algemeen en niet in elk specifiek geval) nog steeds veroorzaakt worden door een van de vele postnatale factoren die kenmerkend zijn voor deze bevolkingsgroepen: bijvoorbeeld een trauma in de vroege jeugd, bepaalde patronen in het seksuele gedrag tijdens de adolescentie of in het volwassen leven (zoals de sekse van de partner, de mate van promiscuïteit, of het contact met uitwerpselen), sportiviteit, intraveneus drugsgebruik, stress, dieet, of de algemene emotionele gezondheid. Zowel het AIDS-virus als sommige medicijnen tegen AIDS worden in verband gebracht met lagere testosteronniveaus die, op hun beurt, invloed kunnen hebben op de grootte van de INAH3 bij de dood. De plastische structuur van de hersenen kan, zij het beperkt, veranderen door voeding, ziekte, lichamelijke oefening, traumatische ervaringen, leren, genotsprikkels, intermenselijke dynamische processen, herhaling van gedrag en hormoon-schommelingen tijdens de adolescentie of op volwassen leeftijd.
   Experimenten op apen hebben laten zien dat oefeningen met drie vingers het gebied in het brein dat in verband wordt gebracht met de functie van die drie vingers vergroten kan en andere gebieden evenredig kan laten verkleinen. Iets dergelijks is ook aangetoond bij violisten.10 Uit een NIH-studie bleek dat mensen die blind waren geworden en braille gingen leren, daarmee het gebied in hun hersenen hadden vergroot dat de vinger aanstuurt waarmee ze lezen. Babyaapjes die herhaaldelijk van hun moeder worden gescheiden, ondergaan significante veranderingen in hun hersenfunctie.11 Een artikel van Marc Breedlove claimt op grond van onderzoek op ratten dat seksueel gedrag veranderingen kan bewerken in zowel het verstand als het zenuwstelsel.12 In een reactie op het onderzoek van LeVay stelt de hoofdredacteur van Nature: ‘De plastische structuren in de hypothalamus [zouden] ervoor kunnen zorgen (…) dat de gevolgen van vroege seksuele opwinding permanent worden gemaakt.’13 LeVay zelf heeft in zijn studie toegegeven dat ‘de resultaten ons niet toestaan om te besluiten of de afmeting van de INAH3 van een persoon oorzaak of gevolg is van de oriëntatie van die persoon.’


Een homoseksueel gen?

   In 1993 deed wetenschapper Dean Hamer een ontdekking die de media meteen bestempelden als de ontdekking van het ‘homogen’.14 Maar wat was het dat Hamer en zijn collega’s werkelijk dachten te hebben gevonden? Ze hadden veertig homoseksuele broers voor hun onderzoek gerekruteerd bij wie aan moederszijde ook relatief veel homoseksuele familieleden voorkwamen (20 procent van de ooms en neven aan moederskant). Omdat vrouwen twee X-chromosomen hebben en geen Y-chromosoom en mannen zowel een X- als een Y-chromosoom hebben, zou een eventuele genetische factor voor homoseksualiteit in deze groep te zien moeten zijn op het X-chromosoom, dat doorgegeven is door de moeder. Bij 33 van deze paren (83 procent) beweerden de wetenschappers dat ze een specifieke genetische sequentie hadden aangetroffen in het gebied van het X-chromosoom dat bekendstaat als Xq28. Puur op grond van kansberekening zou je verwachten dat 50 procent van de broers deze specifieke sequentie zou bezitten op zijn X-chromosoom omdat de moeder twee X-chromosomen heeft. Hamers team concludeerde dat ‘één type mannelijke homoseksualiteit vooral wordt overgedragen via de moederskant en genetisch verband houdt met het chromosomale gebied Xq28’.
   Deze zogenaamde vondst werd al snel begroet met een behoorlijke hoeveelheid kritiek vanuit de wetenschappelijke wereld, een feit waar de media maar liever niets over berichtte. Hamer werd bekritiseerd vanwege het feit dat hij had nagelaten om zijn onderzoeksresultaten te verifiëren aan de hand van een controlegroep van heteroseksuelen en dat hij de statistische betekenis van zijn vindingen te veel had opgeblazen. Een van zijn jonge onderzoekers beschuldigde hem ervan dat hij had verzuimd om resultaten te rapporteren die de betekenis van zijn conclusies zouden ondermijnen. Die onderzoeker werd direct ontslagen.
   Hamer en zijn collega’s wijdden zich vervolgens aan een tweede studie, die gepubliceerd werd in 1995.15 Deze keer waren de resultaten minder dramatisch: 22 van de 32 broers (67 procent) deelden dezelfde genetische sequentie in Xq28, en dat was toch een toename van 34 procent16 ten opzichte van de te verwachten 50 procent (zie vorige pagina). Anders dan in de voorgaande studie, werd er bij deze studie ook bij een testgroep van heteroseksuele broers onderzoek gedaan naar dezelfde genetische sequentie, een groep waarbij men ervan uitging dat die deze variant van Xq28 niet zouden bezitten. Homoseksuelen die een biseksuele broer hadden, vertoonden geen onderling verband (en dus was er in slechts 50 procent van de gevallen sprake van dezelfde variant). Er werd ook gekeken naar lesbische zussen uit andere families, maar geen van hen was drager van de chromosomale marker op Xq28.
   Laten we, om dit argument verder te onderzoeken, veronderstellen dat de 67 procent waarheidsgetrouw is. Wat heeft Hamer dan bewezen? Hamer zelf erkent: ‘We hebben niet het gen voor seksuele oriëntatie gevonden - we denken zelfs niet dat het bestaat.’ ‘Er zal nooit een test zijn die met zekerheid kan zeggen of een kind homoseksueel zal zijn. Dat weten we wel zeker.’17 Het team van Hamer heeft de chromosomale markers voor lesbische vrouwen en biseksuelen niet gevonden. Bovendien heeft de ontdekking die Hamer beweert te hebben gedaan alleen betrekking op een relatief klein segment van de mensen met een exclusieve homoseksuele voorkeur: mannen die ook een homoseksuele broer hebben én homoseksuele familieleden aan moederskant. Zelfs binnen die relatief kleine groep binnen de homoseksuele laag van de bevolking was een significant percentage van de homoseksuelen niet in het bezit van de Xq28-variant, terwijl bij veel van de heteroseksuele broers in de testgroep die marker wel aanwezig was op het X-chromosoom. Zoals iemand in een commentaar voor de New Scientist opmerkte was de marker die Hamer had ontdekt geen noodzakelijke en ook geen toereikende oorzaak voor homoseksuele oriëntatie binnen dit kleine segment van de homoseksuele bevolking. Ten slotte is er geen bewijs dat de marker in direct verband staat met de seksuele oriëntatie van een persoon. Het is ook mogelijk dat die marker staat voor een andere karaktertrek die wellicht de kans om homoseksueel te worden vergroot. Denk bijvoorbeeld aan karaktertrekken die bij kunnen dragen aan het feit dat een kind zich niet conformeert aan zijn sekse of dat iemand de voorkeur heeft voor alles wat exotisch en nieuw is.
   In de bespreking hierboven gingen we er dus van uit dat Hamers 67 procent correct is. Maar zelfs dat resultaat kan onjuist zijn. In het laatste decennia hebben veel onderzoekers beweerd dat ze een gen gevonden hebben voor manische depressie, schizofrenie en alcoholisme. Vervolgonderzoek kon deze resultaten echter niet opnieuw produceren. De beweringen die Hamer deed, kunnen weleens hetzelfde lot beschoren zijn. In een uitgave van Science uit 1999 lukte het een groep Canadese onderzoekers niet om Hamers uitkomsten te herhalen. Hoewel ze een grotere hoeveelheid proefpersonen gebruikten (52 paren homoseksuele broers), werd er geen significant verband tussen Xq28 en homoseksuele oriëntatie aangetroffen.18
   Een theorie over genetisch bepaald gedrag valt niet samen met wetenschappelijke inschattingen over de rol van genen. Om het met de woorden van Neil en Briar Whitehead te zeggen:


   ‘De wetenschap heeft nog geen enkel genetisch bepaald gedrag in de mens ontdekt. Tot nu toe is genetisch bepaald gedrag van het kaliber één-gen-één-eigenschap alleen nog maar gevonden in zeer eenvoudige organismen. (…) Maar als er veel genen betrokken zijn bij een bepaald gedrag, zullen de veranderingen in dat gedrag ook erg langzaam en gelijkmatig plaatsvinden (laten we zeggen: veranderingen van enkele procenten per generatie verspreid over meerdere - misschien dertig - generaties). En als dat zo is zou homoseksualiteit niet plotseling kunnen verschijnen in en weer verdwijnen uit de stambomen, zoals dat nu gebeurt.’19


   Samenvattend kan gezegd worden: de genetische invloed op homoseksualiteit, als die al bestaat, is relatief zwak in vergelijking met invloeden uit de familiesfeer, de samenleving en andere omgevingsfactoren. Het United States National Research Council Report van 1992 over geweld en genen verschaft ons een voorbeeld van een gezondere, gedepolitiseerde conclusie over de relatie tussen genen en gedrag. Volgens dit rapport, kan geweld worden toegeschreven aan


   ‘interacties tussen de psychosociale ontwikkeling, neurologische en hormonale verschillen en sociale processen van verschillende mensen. (…) Deze studies suggereren dat er onder de zaken die gewelddadig gedrag kunnen veroorzaken hoogstens een kleine rol is weggelegd voor genetische processen. (…) Als genetische aanleg tot gewelddadigheid zal worden ontdekt, zullen daar waarschijnlijk veel genen mee gemoeid zijn en zal er daarbij ook een substantiële rol zijn weggelegd voor interacties met de omgeving en niet slechts één genetische marker.’20


   Een standaardwerk over psychiatrie komt tot ongeveer dezelfde conclusie:


   ‘Studies die een genetische factor hebben aangetoond in crimineel gedrag hebben ook erkend dat dit gedrag mede wordt gevormd door invloeden uit de cultuur/omgeving. (…) wat overgeërfd wordt, hoeft geen mechanisme te zijn dat specifiek is voor een bepaald soort gedrag, maar eerder iets wat verband houdt met die specifieke persoon, zaken die hem of haar kwetsbaarder maken voor sociale invloeden. (…) Dat genen een rol spelen in het gedrag kan worden aangetoond; dat gedragingen worden beïnvloed door andere krachten, is ook voor iedereen duidelijk; denk bijvoorbeeld vooral aan het leren door het voorbeeld van rolmodellen na te volgen, door instructies en door het verkrijgen van beloningen van de sociaal-culturele omgeving.’21


   Als degenen die de populaire opvatting huldigen dat er een relatie is tussen genen en homoseksualiteit nu ook eens zo bezonnen waren … Er zijn maar weinig mensen die willen beweren dat gewelddadig gedrag bij mensen zo genetisch is bepaald dat mensen die iets gewelddadigs doen er totaal geen verantwoordelijkheid voor dragen. Maar de voorvechters van homoseksualiteit willen wel dat wij deze conclusie trekken over homoseksueel gedrag.


Gegevens uit studies naar eeneiige tweelingen22

   Eeneiige tweelingen zijn monozygoot. Dat betekent dat ze zijn ontstaan uit ‘één eicel’ en één zaadcel. Wat betreft het genotype zijn eeneiige tweelingen echt honderd procent identiek. Niet-identieke of twee-eiige tweelingen zijn echter dizygoot. Dat betekent dat ze zijn ontstaan uit ‘twee eicellen’ en twee zaadcellen. Twee-eiige tweelingen komen genetisch niet meer met elkaar overeen dan met elke andere ‘gewone’ broer of zus (gemiddeld zo’n vijftig procent overlap). Omdat eeneiige tweelingen genetisch precies hetzelfde zijn, zou een genetische basis voor homoseksualiteit een hogere ‘concordantie’ (mate van overeenstemming) moeten vertonen bij eeneiige tweelingen als op zijn minst een van de twee homoseksueel is. Als homoseksualiteit helemaal zou worden bepaald door de genen, zouden we mogen verwachten dat de concordantie in zulke gevallen volledig zou zijn, honderd procent dus. Met andere woorden: de identieke tweeling van iemand die homoseksueel is, zou dan altijd ook homoseksueel moeten zijn, net zoals de oogkleur en het geslacht van eeneiige tweelingen altijd hetzelfde is.
   In de vroege jaren negentig van de vorige eeuw zijn er vier belangrijke studies gepubliceerd over concordantie van homoseksualiteit bij eeneiige tweelingen.23 In hun studie uit 1991 naar 110 eeneiige en twee-eiige mannelijke tweelingen waarbij op zijn minst een van de twee homoseksueel was, berichtten Bailey en Pillard een concordantiecijfer van 52 procent bij eeneiige tweelingen (dat betekent dat bij 52 procent van de paren eeneiige tweelingen ook het andere deel van de tweeling homoseksueel was), terwijl dat bij minder dan de helft van de twee-eiige tweelingen (22 procent) het geval was.
   In hun studie uit 1993 naar 71 eeneiige en 37 twee-eiige vrouwelijke tweelingen waarvan in elk geval een van de twee lesbisch of biseksueel was, berichtten dezelfde onderzoekers een concordantiecijfer van respectievelijk 48 procent en 16 procent voor eeneiige en twee-eiige tweelingen. Een studie uit 1993 die gepubliceerd werd door F. Whitam en anderen resulteerde in een concordantiecijfer van 65 procent bij 34 eeneiige tweelingen en een van 30 procent bij 23 twee-eiige tweelingen.24 Deze drie studies hebben veel media-aandacht ontvangen en hebben ervoor gezorgd dat velen de verkeerde conclusie trokken, namelijk dat homoseksueel gedrag voor (meer dan) vijftig procent genetisch bepaald zou zijn. Er werd veel minder aandacht besteed aan een Britse studie uit 1992 door King en McDonald. Zij noemden heel andere cijfers wat betreft de concordantie. Hun cijfers waren de helft van die van Bailey en Pillard: 25 procent voor mannelijke en vrouwelijke eeneiige tweelingen (en maar 10 procent als biseksualiteit van de andere helft van de tweeling niet werd meegerekend onder de noemer ‘homoseksualiteit’) en 12 procent voor twee-eiige tweelingen.25
   De grootste kritiek op deze studies was dat de proefpersonen niet willekeurig gekozen waren. Zij werden gerekruteerd via advertenties in tijdschriften voor homoseksuelen, waardoor het aannemelijker werd dat de testgroepen uit een kunstmatig hoog aantal homoseksuelen zou bestaan van wie de tweelingbroer of -zus ook homoseksueel was. Deze afwijking is in een recentere studie door Bailey zelf gecorrigeerd, met als resultaat veel lagere concordantiecijfers. Hij maakte bij deze studie gebruik van het Australian Twin Register (de Australische databank voor tweelingen) en stuurde een enquête naar 9.112 van de ongeveer 25.000 tweelingen in Australië. Hij ontving 4.901 compleet ingevulde vragenlijsten terug en verwerkte die in een overzicht. Van 27 paren mannelijke eeneiige tweelingen waarvan in elk geval een van de twee niet-heteroseksueel was, waren er slechts drie paren die beiden niet-heteroseksueel waren (11 procent). Van de 22 paren vrouwelijke eeneiige tweelingen waarvan in elk geval een van de twee niet-heteroseksueel was, waren slechts drie paren concordant voor de eigenschap ‘niet-heteroseksueel’ (13,6 procent). Bij de mannelijke twee-eiiige tweelingen was van de zestien paren er geen enkele concordant (0 procent), en bij vrouwelijke twee-eiige tweelingen was dat slechts bij één van de achttien (5,6 procent) het geval. Bailey zelf geeft nu toe dat ‘concordanties uit vroegere studies een vertekend beeld gaven omdat er ascertainment bias (valse resultaten op basis van een niet-random gekozen steekproef) is opgetreden bij het bepalen van de concordantie.’26
   Kunnen we dan wel met enige zekerheid zeggen dat de genetische bijdrage aan homoseksueel gedrag waarschijnlijk ergens tussen de 10 en 15 procent ligt? Nee, zelfs dat getal moeten we nog behoorlijk naar beneden bijstellen. Een deel ervan kan bijvoorbeeld veroorzaakt zijn door de prenatale intra-uterinaire omgeving en niet door de genen. En wat nog belangrijker is: de opvoeding in het algemeen of de omgeving is waarschijnlijk een veel doorslaggevender factor voor de concordantiecijfers. Alle tweelingenstudies die we hierboven hebben besproken, zijn afgenomen bij tweelingen die zijn opgegroeid in hetzelfde gezin. Dus wie weet welke percentages we nog overhouden als je de invloed van het gezin en de culturele omgeving wegfiltert: 8 procent? 5 procent? 1 procent?
   De omgevingsfactoren zijn overduidelijk zichtbaar in een studie van Bailey en Pillard onder mannelijke tweelingen uit 1991. Daarin gaf Bailey aan dat het concordantiecijfer voor twee-eiige tweelingen 22 procent was, voor broers die geen tweeling waren 9,2 procent, en voor ‘adoptiebroers’ - die dus ook geen tweeling waren - 11 procent. Omdat twee-eiige tweelingen genetisch niet meer op elkaar lijken dan broers die geen tweeling zijn, kan het feit dat twee-eiige tweelingen een concordantiecijfer voor homoseksualiteit hebben dat meer dan twee keer zo hoog is dan gewone broers alleen verklaard worden op basis van andere factoren dan de genen.
   Het is net zo frappant dat biologische broers die geen tweeling zijn een ietwat lager concordantiecijfer voor homoseksualiteit hebben dan ‘adoptiebroers’ die biologisch niet aan elkaar verwant zijn. Alleen het feit dat ze zijn opgevoed in dezelfde omgeving kan verklaren waarom die twee groepen ongeveer dezelfde concordantiecijfers hebben en waarom adoptiebroers van iemand die homoseksueel is bijna vier keer zo veel kans hebben om ook homoseksueel te zijn dan de gemiddelde bevolking.27
   Tweelingen, en dan vooral eeneiige tweelingen, hebben nog te maken met andere, niet-genetische invloeden die de concordantiecijfers kunstmatig kunnen verhogen. King en McDonald hebben in hun tweelingenstudie aangegeven dat tweelingen van hetzelfde geslacht, vooral eeneiige tweelingen, ook bovengemiddeld vaak een seksuele relatie (en dus een incestueuze homoseksuele relatie) met elkaar hadden. Enkele redenen voor het ontstaan van zo’n relatie zijn: ze gaan normaal gesproken om met dezelfde groep leeftijdgenoten; ouders, broers en zussen en leeftijdgenoten behandelen de tweeling ook vaak als spiegelbeelden van dezelfde persoon, en onderzoek onder tweelingen heeft ruimschoots uitgewezen dat er onder hen vaak sprake is van imitatie van gedrag. Gemiddeld komt er bij tweelingen ook meer kindermishandeling voor en is er ook vaker sprake van pesterijen door leeftijdgenoten van hetzelfde geslacht. In hun vroege kinderjaren loopt een gemiddelde tweeling achter in lichamelijke ontwikkeling en het vergaren van sociale vaardigheden. Tweelingen hebben ook twee keer zo veel kans om ongetrouwd te blijven. Al deze factoren kunnen een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van een homoseksuele oriëntatie. Er is zelfs bewijs dat eeneiige tweelingen vier keer zo veel kans hebben om homoseksueel te worden dan de gemiddelde bevolking.28 Een significante factor die bijdraagt aan de hogere concordantiecijfers bij eeneiige tweelingen dan bij twee-eiige tweelingen kan dus gelegen zijn in het feit dat de socialisatie van eeneiige tweelingen anders verloopt.
   De beste manier om de omgevingsfactoren bij eeneiige tweelingen uit te sluiten is door de concordantiecijfers vast te stellen bij eeneiige tweelingen die opgegroeid zijn in verschillende gezinnen. Het is helaas bijna onmogelijk om zulke tweelingen in het kader van een onderzoek op te sporen, waarbij dan ook nog moet gelden dat op zijn minst een van hen homoseksueel is. In 1986 is er echter een kleinschalig onderzoek geweest onder vier paren vrouwelijke eeneiige tweelingen die in verschillende gezinnen waren opgegroeid en waarvan ten minste één van de twee tweelingzussen zichzelf lesbienne noemde. Bij geen van de vier tweelingparen was de andere tweelingzus ook lesbienne.29


Intra-uterinaire hormonale invloeden

   Intra-uterinaire hormonale invloeden moeten worden onderscheiden van genetische invloeden, zelfs als ze allebei aangeboren en wellicht onderling afhankelijk zijn. We weten dat een plotselinge toename van testosteron in een embryo zorgt voor mannelijke genitaliën en andere typisch mannelijke kenmerken; zonder die toename ontwikkelt de embryo vrouwelijke kenmerken. Embryo’s die genetisch vrouwelijk zijn maar worden blootgesteld aan mannelijke hormonen ontwikkelen een grote clitoris en als volwassenen hebben zij vaak te maken met bovenmatige haargroei en een zware stem (dit wordt het andrenogenitale syndroom genoemd). Zou het dan zo kunnen zijn dat mannelijke embryo’s die te weinig testosteron ontvangen en vrouwelijke embryo’s die er te veel van binnenkrijgen een homoseksuele oriëntatie ontwikkelen?
   Laboratoriumonderzoek heeft uitgewezen dat ratten die in de baarmoeder met een abnormaal hoge dosis hormonen worden geïnjecteerd vaker homoseksueel paringsgedrag vertonen (hoewel hetzelfde effect niet voorkomt bij primaten). Een Oost-Duitse onderzoeker concludeerde in de late jaren veertig van de vorige eeuw dat de stress die Duitse vrouwen tijdens de Tweede Wereldoorlog hadden ervaren, zorgde voor een late toename van testosteron tijdens de zwangerschap, wat er vervolgens toe leidde dat er vaker biseksualiteit en homoseksualiteit voorkwam. Maar recente studies naar mensen in stresssituaties hebben deze resultaten niet kunnen bevestigen.30 Een studie uit 1995 laat zien dat dochters van moeders die oestrogenen gebruikten tijdens hun zwangerschap zichzelf vaker identificeerden als biseksueel. De toename van exclusieve lesbische oriëntatie was echter heel klein en veel van de vrouwen neigden niet naar homoseksualiteit.31
   Andere studies, waaronder een uit 1992, laten geen verschil in seksuele oriëntatie zien als zwangere vrouwen kunstmatige vrouwelijke geslachtshormonen kregen toegediend.32 Zelfs als het zo is dat bovenmatig hoge oestrogeenniveaus door het toedienen van kunstmatige hormonen tijdens de zwangerschap een matig effect lijken te hebben op biseksualiteit, bewijst dat nog steeds niet dat homoseksueel gedrag onder normale omstandigheden te herleiden is tot intra-uterinaire hormonale invloeden. Bovendien is men het er over het algemeen over eens dat er geen significantie hormonale verschillen bestaan tussen homoseksuele en heteroseksuele mannen. Volwassen mannelijke homoseksuelen die mannelijke geslachtshormonen kregen toegediend ontwikkelden een hoger libido, maar werden niet ineens heteroseksueel. Op basis van de huidige gegevens is niet te zeggen dat abnormale hormonale niveaus gedurende de zwangerschap leiden tot homoseksueel gedrag, hoewel het wel mogelijk is dat er een bepaalde indirecte invloed bestaat.


Geslachtelijke non-conformiteit in de jeugd en de socialisatie van kinderen

   De levensverhalen van veel (maar niet alle) homoseksuelen bevatten herinneringen uit de vroege jeugd waarin men zich anders voelde dan kinderen van hetzelfde geslacht. Er is consensus in de wetenschappelijke literatuur over het feit dat kinderen die een hoge mate van geslachtelijke non-conformiteit vertonen, meer kans hebben om als volwassene een homoseksuele identiteit te ontwikkelen.33 Zulke geslachtelijke non-conformiteit kan bijvoorbeeld bestaan uit de interesse die aan de dag wordt gelegd voor speelgoed, activiteiten of kleding die geassocieerd wordt met de andere sekse; het feit dat een kind zich vooral identificeert met mensen van het andere geslacht; en het gevoel niet ‘te passen’ bij of geaccepteerd te worden door leeftijdgenoten van het eigen geslacht. Het mannelijke ‘watje’ of de vrouwelijke ‘wildebras’ zijn klassieke typen van geslachtelijke non-conformiteit. Er bestaat echter geen consensus over de oorzaken van vroege geslachtelijke non-conformiteit. Dit komt overeen met de hypothese dat er een vorm van genetische of intra-uterinaire oorzaak voor homoseksualiteit bestaat, die hoogstens een indirecte invloed uitoefent (nl. door lichamelijke of persoonlijkheidskenmerken te ontwikkelen die in de cultuur worden geïdentificeerd als kenmerken die in tegenspraak zijn met de traditionele geslachtelijke identiteit). Maar het is ook aan-nemelijk dat geslachtelijke non-conformiteit een versnellende oorzaak is voor sommige vormen van zich ontwikkelende homoseksualiteit en niet zozeer een effect van een latente homoseksuele oriëntatie.
   Volgens een psychoanalytische theorie34 leren kinderen zich te gedragen op een manier die past bij hun sekse door hun interactie met de ouder van hetzelfde geslacht en later met leeftijdgenoten van hetzelfde geslacht. Als een goede relatie met de ouder van hetzelfde geslacht of met de leeftijdgenoten van hetzelfde geslacht wordt verstoord, wordt ook de vorming van een stevige seksuele identiteit in het kind verstoord. Geslachtelijke non-conformiteit in het kind en de bijbehorende gevoelens anders te zijn dan andere mensen van hetzelfde geslacht kunnen door zulke ervaringen worden geschapen of sterk toenemen.
   Als een kind in een vroeg stadium van zijn leven de ouder van hetzelfde geslacht als afstandelijk of afwijzend ervaart, of als het kind geen ‘klik’ ervaart met die ouder (of dat alles nu terecht is of niet), kan het kind het moeilijk vinden om zich volledig te identificeren met het beeld van seksualiteit dat door deze ouder van hetzelfde geslacht wordt overgebracht. Voor jongens is de identificatie met de ouder van hetzelfde geslacht vooral gevoelig voor complicaties omdat jongens, anders dan meisjes, een moeilijke ‘oversteek’ moeten maken vanuit de aanvankelijke identificatie met hun moeder. Als de geslachtelijke identificatie met de ouder van hetzelfde geslacht niet voltooid kan worden, zal het kind zich wellicht defensief distantiëren van deze ouder. Maar een dergelijke afstand zorgt er vervolgens alleen maar voor dat het verlangen van het kind om geaccepteerd te worden door mensen van hetzelfde geslacht alleen maar groter wordt. Niet alle homoseksuelen hebben een slechte relatie met de ouder van hetzelfde geslacht, en niet alle kinderen die een slechte relatie hebben met hun ouder(s) worden homoseksueel. Toch heeft een aantal studies aangegeven dat een slechte emotionele band met de ouder van hetzelfde geslacht resulteert in een significant hoger percentage homoseksuelen dan heteroseksuelen.
   Sommige psychiaters zijn van mening dat ook de ouder van het andere geslacht een (zij het ondergeschikte) rol speelt bij de totstandkoming van homoseksueel gedrag in de volwassen jaren. Bijvoorbeeld: een moeder die haar kind maar moeilijk los kan laten of erg veeleisend is, kan de hechting van haar zoon aan zijn vader of leeftijdgenoten van hetzelfde geslacht schade toebrengen door de vader of de mannen in het algemeen te bekritiseren. Of ze kan de pogingen van haar zoon om zich te laten gelden en zich los te maken uit haar primaire invloed de kop indrukken. Voor meisjes kan het verlies van een vader wegens overlijden of door echtscheiding of het wantrouwen ten opzichte van mannen dat wordt vergroot door een vader die alcoholist of vaak kwaad is of haar mishandelt of misbruikt invloed uitoefenen op de latere ontwikkeling tot lesbienne. En ook hier geldt weer: we hebben vooral te maken met de waarnemingen van een kind, waarnemingen die niet per se in overeenstemming hoeven te zijn met de realiteit of met de bedoeling van de ouder.
   Hoewel de interactie met de ouders een belangrijke factor is in veel, en misschien wel de meeste gevallen van homoseksuele ontwikkeling, is het niet zo dat het altijd een rol speelt. En zelfs als het een factor is, hoeft het niet per se ook de belangrijkste factor te zijn. Relaties tussen het kind en leeftijdgenoten van hetzelfde geslacht of broers/zussen zijn vaak net zo belangrijk, of misschien wel belangrijker. Een kind kan fysieke kenmerken hebben die ervoor zorgen dat hij zich vreemd, ontoereikend of niet op zijn plaats voelt in de buurt van leeftijdgenoten van hetzelfde geslacht. Indirecte genetische of intra-uterinaire invloeden en/of ongewone kenmerken bij de vroege socialisatie van een kind kunnen ertoe leiden dat een kind interesses ontwikkeld die niet overeenstemmen met de normen die gelden voor zijn geslacht. Leeftijdgenoten van hetzelfde geslacht kunnen het kind isoleren en hem pesten vanwege de manier waarop hij reageert op de pesterijen én vanwege een bepaalde vorm van geslachtelijke non-conformiteit. Zowel het kind als de leeftijdgenoten van hetzelfde geslacht zullen aanvankelijk vooral kleine verschillen uitvergroten om zo oncomfortabele spanningen weg te nemen en de kans te verkleinen dat er conflicten ontstaan rond overlappende interesses.
   Omdat de relaties die mensen in hun kindertijd en in de adolescentie hebben met leeftijdgenoten van hetzelfde geslacht een kritieke rol spelen in de vorming van de seksuele identiteit, kunnen pesterijen of buitengesloten worden door leeftijdgenoten van hetzelfde geslacht het normale verlangen van een kind om gewild en gewaardeerd te worden door mensen van hetzelfde geslacht omzetten in erotische liefde voor hetzelfde geslacht. Een jongen die slecht is in sport omdat hij tenger gebouwd is of een slechte oog-handcoördinatie heeft, kan bijvoorbeeld een zwakke mannelijke identiteit opbouwen vanwege een trauma dat veroorzaakt wordt door mannelijke leeftijdgenoten. Als zo’n jongen overgaat van de fase waarin hij een mannelijke ‘maat’ is van andere mannen naar een fase van erotische aantrekkingskracht, kan de gezonde en normale behoefte aan bevestiging van mensen van hetzelfde geslacht worden verward met impulsen die om erotische bevrediging vragen. Het feit dat onder homoseksuelen vaak gedrag voorkomt waarmee een ander wordt of kan worden aangetast (onveilige seks, sadomasochisme, ‘fisten’ en het feit dat veel homoseksuelen hun sekspartners niets vertellen over een HIV/AIDS-besmetting), kan ten dele zijn toe te schrijven aan weggestopte woede die voortkomt uit de pijn dat men in de jongensjaren is afgewezen en gepest door leeftijd-genoten. Bij vrouwen kan een aversie ten opzichte van de tegenovergestelde sekse opkomen uit mislukte romantische relaties, of relaties waarin sprake was van mishandeling en/of misbruik. Het kan zelfs zo zijn dat het feit dat een vrouw zich erg alleen voelt omdat er maar steeds geen mannen zijn die seksuele interesse in haar tonen, ervoor zorgt dat ze homoseksueel gedrag gaat uitproberen.
   Daryl Bem, een professor in de psychologie aan de universiteit van Cornell, heeft de ‘exoot wordt eroot’-theorie voor de ontwikkeling van homoseksualiteit beschreven; het gaat dan om ‘de kwestie dat mensen zich erotisch of romantisch aangetrokken voelen tot de mensen die tijdens hun kinderjaren ongelijk aan of niet vertrouwd voor hen waren’.
   In tegenstelling tot de heteroseksuele norm zien degenen wiens gedrag zich kenmerkt door geslachtelijke non-conformiteit personen van hetzelfde geslacht als mensen die ‘exotischer’ zijn.35 De theorie van Bem kan van waarde zijn als een aanvullende verklaring, omdat het de theorie dat geslachtelijke non-conformiteit voortkomt uit een vooraf bestaande homoseksualiteit afwijst. De zwakte van deze theorie is, om het met de woorden van psycholoog Joseph Nicolosi te zeggen, dat die ‘de authentieke behoefte van de jongens om geaccepteerd te worden, genegenheid te ondervinden en te worden aanvaard door mensen van hetzelfde geslacht, niet in overweging neemt’. Nicolosi haalt hierbij een herinnering van een 25-jarige homoseksuele cliënt aan om dit punt te illustreren:


   ‘Ik weet nog precies het moment waarop ik wist dat ik homoseksueel was. Ik was twaalf jaar en we namen een kortere weg richting ons klaslokaal. We liepen door de gymzaal en door de kleedkamers en een oudere jongen kwam net uit de douche. Hij was naakt en ik dacht: wauw!’


   Ik vroeg de cliënt om me weer precies te vertellen wat hij toen had ervaren. Hij kreeg een droevige blik in zijn ogen en antwoordde: ‘Wat ik voelde was: wauw, ik zou willen dat ik hem was.’36


   Als deze dynamiek kenmerkend is voor de ervaring van homoseksuelen, wijst het naar een belangrijk verschil tussen de manier waarop heteroseksuelen en homoseksuelen zich tot een ander aangetrokken voelen - het verschil tussen iemand van het tegenovergestelde geslacht willen hebben als een ‘completerende tegenover’ en wensen om iemand van hetzelfde geslacht te zijn als een vervanging van je eigen seksuele zelf. Als kinderen mensen van hun eigen sekse als ‘exotischer’ beschouwen dan leden van de tegenovergeselde sekse, zit er duidelijk iets fout, zoals de uitdrukkingen ‘zelfde geslacht’ en ‘andere geslacht’ ook impliceren. Het gedrag van die kinderen kan een reactie zijn op een onzekere geslachtelijke identiteit doordat ze zich seksueel aangetrokken voelen tot wat ze graag zelf zouden willen zijn. Dit is geen gezonde manier om zich uit te strekken naar een seksuele ‘ander’. Het is eerder een ongezonde, narcistische aantrekkingskracht ten opzichte van het eigen geslacht en een symptoom van een onvervulde behoefte aan seksuele zelfacceptatie.
   Homoseksuele relaties kunnen, vooral bij mannen, voor velen ook dienen als een schuilplaats voor de angst die geassocieerd wordt met de sociale verwachtingen rond heteroseksuele relaties en intimiteit. Het feit dat promiscue, vrije seks en ‘open’, kortstondige relaties het keurmerk lijken te zijn van mannelijke homoseksuele activiteiten, stemt overeen met deze verklaring. Het past ook bij het feit dat er onder homoseksuelen veel vaker sprake is van drugsgebruik, omdat een aangeleerde kalmerende of zelfbevredigende reactie op innerlijke stress meestal wordt begeleid door andere methoden om zichzelf te troosten en innerlijk te bevredigen.37
   Er is ook bewijs dat mensen die zichzelf in hun jeugd homoseksueel of biseksueel noemen drie tot negen keer zo vaak seksuele ervaringen hebben opgedaan (meestal met een adolescent of een volwassen man) dan hun heteroseksuele tegenhangers.38 Deze hogere correlatie suggereert dat seksueel misbruik op z’n minst een causale factor kan zijn die bij sommige mensen in het volwassen leven kan leiden tot homoseksueel gedrag. Een vroege blootstelling aan seksuele opwinding met een volwassene of adolescent van hetzelfde geslacht (vooral in het geval van jongens), of de associatie van een heteroseksueel trauma (vooral in het geval van meisjes), kan het kind doen neigen in de richting van homoseksuele relaties.
   Het is waarschijnlijk niet mogelijk om de ene socialisatiefactor aan te wijzen die bij een persoon leidt tot een homoseksuele oriëntatie. Toch lijken omgevingsfactoren en de reactieve psychologische ontwikkeling (waar in beperkte mate ook de persoonlijke keuzes bij inbegrepen zijn) de belangrijkste ingrediënten. Dit punt kan waarschijnlijk het beste worden geïllustreerd aan de hand van de volgende waarneming. Ruwweg 90 procent van de kinderen die geboren worden met tweeslachtige genitaliën kiezen als adolescenten of volwassenen ervoor die geslachtelijke identiteit te behouden die ze in hun opvoeding hadden meegekregen, zelfs als hun geslachtelijke opvoeding uiteindelijk niet blijkt overeen te stemmen met hun genetisch geslacht. In dat soort gevallen heeft geslachtelijke socialisatie duidelijk een grotere invloed dan de genen.39


Interculturele studies: er zijn grote verschillen in de culturele manifestaties van homoseksualiteit

   Uit een eerdere bespreking in dit boek werd duidelijk dat een vergelijking van de oude Griekse cultuur met de oude Israëlitische cultuur ons twee heel verschillende voorbeelden geeft van hoe de culturele reacties op homoseksueel gedrag invloed kunnen uitoefenen op de sociale uiting ervan, en of het überhaupt wel geuit wordt. In de oude Griekse cultuur was de mannelijke samenleving zo doordrongen van pederastie dat het een conventionele status had bereikt, in elk geval in de hogere kringen. In de Israëlitische cultuur waren alle vormen van homoseksueel gedrag feitelijk niet aanwezig.
   David Greenberg heeft een zeer uitgebreide beschrijving gegeven van de sociale constructie van homoseksualiteit vanaf de vroegste geschiedenis tot aan onze tijd. Hij deelt de historische en sociale uitingen van homoseksualiteit in aan de hand van vier ideaaltypes: (1) transgenerationeel (de partners komen uit verschillende generaties); (2) het type waarbij een van de partners de geslachtelijke identiteit van de andere sekse aanneemt (transgender); (3) een type dat op de maatschappelijke klasse gebaseerd is (partners behoren tot verschillende sociale klassen. Bijvoorbeeld: de dominante partner is een volwassen vrije burger, de ondergeschikte partner is een slaaf of een prostitué/ee); en (4) het type waarbij homoseksualiteit plaatsvindt op gelijke basis (de partners zijn elkaars sociale gelijken).
   Als voorbeeld van transgenerationele homoseksualiteit staat hij stil bij Nieuw-Guinea. In 10 tot 20 procent van de culturen in Nieuw-Guinea bestaat een geïnstitutionaliseerde vorm van pederastie, hoewel de specifieke kenmerken daarvan per stam verschillen.
Bij de Etoro-stam komt bijvoorbeeld een jongen van een jaar of tien in een homoseksuele relatie met zijn zwager terecht, die vervolgens doorgaat totdat hij een volle baard heeft (ongeveer op een leeftijd van vijftien jaar). Dan wordt hij de oudere partner van de jongere broer van zijn vrouw. Als hij veertig jaar oud wordt, stopt hij helemaal met homoseksuele relaties, behalve bij collectieve inwijdingsriten of als hij een tweede vrouw neemt.
   Bij de Sambia-stam beginnen homoseksuele relaties als een jongen zeven jaar oud is. De jongen zal regelmatig een adolescente jongen oraal bevredigen, totdat de jonge jongen de puberteit bereikt. Vanaf dat moment zal een andere jonge jongen dezelfde handelingen bij hem verrichten totdat de oudere jongen trouwt. Daarna geeft hij alle homoseksuele relaties op. Alle mannen moeten op de juiste momenten in hun leven deelnemen aan deze activiteiten. De manier waarop de homoseksuele geslachtsgemeenschap plaatsvindt, is per stam verschillend: bij sommige stammen is het oraal (bijv. Etoro, Sambia), bij andere anaal en in één of twee gevallen wordt er sperma over de jongere partner heen gesmeerd. De gedachte achter deze praktijken is dat sperma van een volwassen man de jongen vruchtbaar maakt. In andere stammen in Nieuw-Guinea wordt slechts door een kleine minderheid van de mannen homoseksueel gedrag gepraktiseerd, en in veel andere stammen bestaat het niet of zo goed als niet.
   Een van de voorbeelden van transgender homoseksuele relaties die Greenberg noemt, houdt verband met sommige indianenstammen in Noord-Amerika. Indianen spreken over de Franse ontdekkingsreizigers en pioniers als berdaches,40 die vrouwelijke kleding droegen en vrouwelijke maniertjes hadden. Zij werden gezien als een derde sekse van ‘niet-mannen’ met wie andere mannen seks konden hebben. Vrouwelijke berdaches, die de sociale rollen van de man aannamen en seks hadden met andere vrouwen, waren ook bekend.
   Als een voorbeeld van homoseksueel gedrag op grond van gelijkheid noemt hij onder andere de Akan-vrouwen van de Goudkust (Ghana), die tot hun huwelijk (en soms zelf na het huwelijk) bijna allemaal verwikkeld zijn in lesbische relaties. ‘Waar dat mogelijk was, kochten de vrouwen extra grote bedden zodat er de mogelijkheid was voor groepsseks met soms wel zes vrouwen.’41
   Greenberg noemt ook ‘een groot aantal samenlevingen waarin eigenlijk alle vormen van homoseksualiteit heel zeldzaam zijn’ en in sommige gevallen eigenlijk helemaal niet lijken voor te komen. Soms is dit het geval in samenlevingen waar homoseksueel gedrag expliciet verboden wordt, maar soms ook in samenlevingen waar er geen sprake is van zulke verboden.42
   Hoewel Greenberg een fervent voorstander is van homorechten, meent hij toch dat de positie van de ‘essentialisten’, die homoseksualiteit als een onveranderlijke, genetische toestand zien, onhoudbaar is


   ‘De jaren die sommige homoseksuelen zonder succes hun uiterste best doen om zichzelf aan te passen aan de gangbare verwachtingen rond geslachtelijkheid en seksuele oriëntatie zijn een argument tegen de claims van seksuele maakbaarheid (kneedbaarheid). Maar omdat er geen bewijs is dat de specifieke seksuele praktijken in Melanesië verbonden zijn met een genetische afwijking, is het redelijk om het volgende aan te nemen: als enkele Melanesische baby’s naar de Verenigde Staten zouden worden gebracht en daar zouden worden geadopteerd, zouden weinigen van hen in een latere fase van hun leven op zoek gaan naar de pederastische relaties waarin ze in Nieuw-Guinea in worden ingewijd, of jongere homoseksuele partners nemen als ze volwassen geworden zijn. Op dezelfde manier zouden Amerikaanse kinderen die worden opgevoed in Nieuw-Guinea zichzelf aanpassen aan de Melanesische praktijken. Als de sociale bepalingen over wat gepast en ongepast gedrag is duidelijk en consistent zijn, met positieve sancties voor de mensen die zich eraan conformeren en negatieve voor de mensen die zich niet willen conformeren, zal bijna iedereen zich eraan aanpassen, ongeacht wat hij of zij genetisch heeft overgeërfd, en voor een groot deel, ongeacht de persoonlijke psychodynamiek.43


   Dit alles suggereert dat culturele normen en niet een of andere vorm van genetisch determinisme de dominante rol spelen bij de vraag hoe en of homoseksualiteit tot uiting komt. Culturen waarin een of meerdere vormen van homoseksualiteit een steeds breder draagvlak krijgen, zullen na verloop van tijd waar-schijnlijk ook meer en meer te maken krijgen met homoseksueel gedrag onder de bevolking.


De invloed van het stedelijk leven en onderwijs

   In de Verenigde Staten heeft een gemiddeld kind steeds meer kans om door de invloed van zijn of haar sociale omgeving later homoseksueel te worden. We zullen nu nader stilstaan bij twee culturele bepalingen die hiermee samenhangen, hoewel we ook andere zouden kunnen noemen (bijv. religie of inkomen): verschillen tussen het leven in de grote stad en in de landelijke omgeving en verschillen in het opleidingsniveau.
   Gegevens uit het National Health and Social Life Survey (NHSLS - Nationaal onderzoek naar gezondheid en het sociale leven) uit 1992, dat is opgesteld door Edward Laumann, Robert T. Michael, Stuart Michaels (allen verbonden aan de universiteit van Chicago) en John Gagnon (verbonden aan de State University in New York) bevestigen samen met de gegevens uit het General Social Survey (Overkoepelend sociaal onderzoek) uit 1988 de algemeen aanvaarde vooronderstelling dat homoseksualiteit vooral voorkomt in de grote steden:44 9,2 procent van de mannen in de belangrijkste steden van de twaalf grootste stedelijke gebieden in de Verenigde Staten beschouwen zichzelf als homoseksueel, terwijl dat in de landelijke gebieden niet meer dan 1,3 procent is en 2,8 procent over het hele land gezien; het aantal homoseksuelen ligt in de steden dus 708 procent hoger dan in de landelijke gebieden, en 329 procent hoger dan het algemene cijfer.
   Vrouwelijke homoseksualiteit en vrouwelijke biseksualiteit is veel minder een typisch stedelijk verschijnsel, hoewel er nog steeds sprake is van een significante toename: 2,6 procent in vergelijking tot 1,4 procent als algemeen cijfer (dus een toename van 186 procent) en minder dan 1 procent in de landelijke gebieden. De auteurs schrijven dat een relatief uniforme verdeling van homoseksualiteit over de verschillende sociale groepen ‘overeen zou stemmen met bepaalde analogieën wat betreft genetisch of biologisch bepaalde kenmerken zoals linkshandigheid of intelligentie. Maar dat is nu precies wat we hier niet vinden. Homoseksualiteit (…) is duidelijk heel verschillend verdeeld als je kijkt naar (…) de sociale en demografische variabelen.’45 Een deel hiervan kan bepaald zijn door het feit dat homoseksuelen van het platteland naar de stad verhuizen, maar dat verklaart lang niet alles. Vooral niet omdat de verschillen ook te zien zijn bij jongeren tussen de veertien en zestien jaar. Daarom kunnen we zeggen dat ‘een omgeving die meer mogelijkheden biedt voor en minder negatieve gevolgen verbindt aan seksualiteit tussen mensen van hetzelfde geslacht, de uiting van interesse en seksueel gedrag ten opzichte van mensen van het eigen geslacht mogelijk kan maken en zelfs kan uitlokken.’46
   Wat betreft de opleiding47 kan gezegd worden dat onder de mensen die alleen hun middelbare school hebben afgemaakt 1,8 procent van de mannen en 0,4 procent van de vrouwen zichzelf homoseksueel/biseksueel noemt. Onder de mensen die verder hebben gestudeerd is dat 3,3 procent van de mannen en 3,6 procent van de vrouwen, dat is dus respectievelijk een toename van 183 procent en een van 900 procent. Vrouwen die hun vervolgopleiding hebben afgemaakt, zien zichzelf dus negen keer zo vaak als lesbisch of biseksueel dan vrouwen die alleen hun middelbare school hebben afgemaakt.
   Je zou hieruit kunnen concluderen dat een opleiding vrouwen openstelt voor hun ‘ware’ seksualiteit, of dat vrouwen op veel campussen tijdens hun studie worden geïndoctrineerd met ideologieën die positief zijn over vrouwelijke homoseksualiteit. Laumann en anderen schrijven de grote toename van vrouwelijke homoseksualiteit bij hogeropgeleide vrouwen toe aan ‘de grotere sociale en seksuele vrijheid (…) en (…) het feit dat er meer geëxperimenteerd wordt op seksueel gebied’ dat zo kenmerkend is voor het hoger onderwijs, of aan ‘een grotere hoeveelheid competenties, kennis en sociale vaardigheden (menselijk kapitaal)’ waardoor vrouwen zichzelf beter een gevoel van voldoening kunnen geven dan mannen.48 Het feit dat de stad veel meer invloed heeft op het feit of een man zich homoseksueel noemt dan zijn opleiding dat doet, terwijl voor vrouwen juist het tegenovergestelde geldt, suggereert dat beide geslachten anders reageren op verschillende soorten culturele prikkels. Mannelijke homoseksualiteit lijkt meer te worden beheerst door alleen het libido, terwijl vrouwelijke homoseksualiteit meer cognitief en relationeel is.
   Hoe je de toename van de percentages ook uitlegt, het lijkt duidelijk dat een consistente blootstelling aan een grote hoeveelheid verschillende soorten seksueel gedrag en het feit dat de heteroseksuele norm meer en meer onder kritiek komt te staan binnen opleidingen kan resulteren in een zeven- tot negenvoudige toename van het aantal mensen dat zichzelf homoseksueel of biseksueel noemt. Omdat er nog steeds een sterk gereserveerde houding ten opzichte van homseksueel gedrag bestaat in de Verenigde Staten,49 is er alle reden om te geloven dat een verdere afkalving van die gereserveerde houding zou kunnen leiden tot een nog grotere toename van homoseksualiteit onder de bevolking. Het is mogelijk dat met verloop van tijd de huidige 2-3 procent van de bevolking die zichzelf homoseksueel of biseksueel noemt met rasse schreden zou kunnen toenemen tot 15-25 procent. Dat suggereert dat het mogelijk is om door agressieve homoseksuele indoctrinatie op scholen nog wat meer kinderen te winnen voor de homoseksuele levensstijl.


De elasticiteit of fluïditeit van seksueel gedrag

   Voorvechters van homoseksueel gedrag verzetten zich vaak tegen de notie dat een toename van publieke steun voor homoseksualiteit zal leiden tot een toename van het aantal homoseksuelen. Dat doen zij op basis van de aanname dat homoseksualiteit een onveranderlijke toestand is; dat mensen die zichzelf homoseksueel noemen levenslang in deze toestand verkeren; en dat er als gevolg daarvan ook duidelijke scheids-lijnen zijn tussen homoseksuelen en biseksuelen en tussen biseksuelen en heteroseksuelen.
   Het bewijs dat er tot op heden is, wijst echter naar een behoorlijke mate van fluïditeit in het spectrum tussen heteroseksueel en homoseksueel. Mensen die op een bepaald moment homoseksuele neigingen ervaren, ervaren die met verschillende intensiteit, op verschillende momenten in hun leven en in perioden met een verschillende duur. Veel mensen die zichzelf bestempelen als iemand die zich ‘uitsluitend’ aangetrokken voelt tot iemand van de eigen sekse, komen pas relatief laat in hun leven tot het ‘besef’ van hun ‘ware’ seksuele identiteit. Veel mensen die zichzelf al vroeg in hun leven bestempelen als ‘uitsluitend homoseksueel’ worden vervolgens later in hun leven overwegend of zelfs volledig heteroseksueel. Dit alles stemt niet overeen met een leer van biologisch determinisme.
   Volgens de NHSLS-studie uit 199250 bestempelde een derde (0,5 procent) van de 1,4 procent van de vrouwen die zichzelf lesbisch of biseksueel noemde, zichzelf als biseksueel. Van de overige 0,9 procent zei slechts een derde (0,3 procent) dat ze zich op het moment van het onderzoek uitsluitend aangetrokken voelden tot vrouwen (en dan hebben we het nog niet over ‘altijd’). Van de 2,8 procent van de mannen die zichzelf homoseksueel of biseksueel noemde, was 0,8 procent biseksueel en de overige 2 procent beweerde dat zij zich uitsluitend aangetrokken voelden tot andere mannen. Van degenen die aangaven dat zij sinds hun achttiende jaar tot het moment van het onderzoek iets van een seksueel gedrag met mensen van hetzelfde geslacht of het verlangen ernaar hadden meegemaakt, of zichzelf ten tijde van het onderzoek als homoseksueel of biseksueel bestempelden,51 voldeden ruwweg acht van de tien (74 procent van de mannen en 85 procent van de vrouwen) niet aan alle drie de criteria. Meer dan negen van de tien Amerikanen (90,7 procent van alle mannen en 94,4 procent van alle vrouwen) die sinds hun puberteit een seksuele ervaring hadden opgedaan met iemand van hetzelfde geslacht, hadden ook geslachtsgemeenschap gehad met iemand van het andere geslacht. Vermoedelijk hebben veel van hen, zo niet de meesten, een bepaalde hoeveelheid seksuele opwinding beleefd met iemand van het andere geslacht.
   In een nationaal onderzoek door het Family Research Institute uit 1983 onder 4.340 volwassenen in vijf steden in de Verenigde Staten werd gemeld dat meer dan driekwart van alle homoseksuelen (73 procent van de mannen en 88 procent van de vrouwen) ooit seksueel opgewonden was geraakt door de andere sekse, terwijl slechts een op de tien heteroseksuelen (12 procent van de mannen, 7,8 procent van de vrouwen) ooit homoseksueel opgewonden is geweest. 66 procent van de homoseksuele vrouwen en 54 procent van de homoseksuele mannen gaven aan dat ze op dat moment ook seksuele aantrekkingskracht ervoeren ten opzichte van het tegenovergestelde geslacht. Meer dan de helft van alle mensen die ooit homoseksuele opwinding hadden ervaren (59 procent van de vrouwen en 51 procent van de mannen) bestempelden zich op het moment van het onderzoek als heteroseksueel.52
   Een ouder onderzoek (1970) door Bell en Weinberg had ongeveer dezelfde cijfers.53 Meer dan driekwart van alle homoseksuelen (74 procent van de mannen en 80 procent van de vrouwen) was ooit seksueel opgewonden geraakt door iemand van het andere geslacht; 33 procent van de heteroseksuele mannen en 6 procent van de heteroseksuele vrouwen was ooit opgewonden geraakt door iemand van hetzelfde geslacht. Zelfs onder degenen die zichzelf uitsluitend homoseksuele gevoelens toedichtten (categorie 6), stelde tweederde dat ze in elk geval één keer in hun leven heteroseksuele opwinding hadden ervaren. 63 procent van alle homoseksuele mannen en 58 procent van alle homoseksuele vrouwen had ten minste één keer in hun leven een orgasme bereikt met een partner van het andere geslacht. De helft van de mensen die zich op een bepaald moment in hun leven ‘uitsluitend’ aangetrokken hadden gevoeld tot mensen van hetzelfde geslacht, had in elk geval één keer een orgasme gehad tijdens heteroseksuele seks. Negen van de tien homoseksuelen (97 procent van de vrouwen, 84 procent van de mannen) hadden in elk geval één keer in hun leven een andere plaats op de Kinsey-schaal ingenomen. Een tweede verschuiving werd gemeld bij 60 procent van de homoseksuele mannen, 81 procent van de homoseksuele vrouwen, 10 procent van de heteroseksuele mannen en 2 procent van de heteroseksuele vrouwen. Een derde van de homoseksuele mannen (32 procent) en de helft van de homoseksuele vrouwen (52 procent) veranderde zelfs drie keer van positie op die schaal. Volgens Bell, Weinberg en Hammersmith (1981) zei 2 procent van de heteroseksuele populatie dat ze zich op een bepaald moment in hun leven uitsluitend aangetrokken hadden gevoeld tot mensen van hetzelfde geslacht (vergelijk dat eens met het gegeven dat de homoseksuele populatie ongeveer 4 procent van de totale bevolking uitmaakt).54
   Gezien deze mate van fluïditeit op de schaal van Kinsey, lijkt het nogal vergezocht om te denken dat de mensen die zich uitsluitend aangetrokken voelen tot mensen van de eigen sekse een gen hebben dat ervoor zorgt dat ze niet opgewonden kunnen raken door mensen van het andere geslacht, ongeacht welke normen er in de hen omringende cultuur gelden en ongeacht individuele levenservaringen, terwijl een andere groep homoseksuelen een gen heeft dat ervoor zorgt dat ze een overwegend homoseksuele voorkeur hebben, een derde groep homoseksuelen een gen met zich meedraagt dat ervoor zorgt dat ze meestal homoseksueel zijn, enzovoort.


Kunnen homoseksuelen veranderen?55

   Gezien het feit dat er bij veel homoseksuelen gedurende hun leven nogal een schommeling te zien is wat betreft hun positie op de schaal van Kinsey en het feit dat de grote meerderheid van de mensen die zichzelf als ‘uitsluitend’ homoseksueel zien ook ervaringen hebben gehad met heteroseksuele opwinding (vaak zelfs met een orgasme), zal het eerste en meest logische antwoord op de vraag of homoseksuelen kunnen veranderen ‘ja’ zijn. Natuurlijk kan die verandering verschillende vormen aannemen: een vermindering of het volkomen verdwijnen van homoseksuuel gedrag, een vermindering van de intensiteit of de frequentie van homoseksuele impulsen, de ervaring van heteroseksuele opwinding en een heteroseksueel huwelijk, een heroriëntatie van uitsluitend of voornamelijk homoseksualiteit naar uitsluitend of voornamelijk heteroseksualiteit.
   Al meer dan een halve eeuw hebben psychoanalytici en andere therapeuten laten weten dat ze goede resultaten hebben geboekt met homoseksuelen die graag wilden veranderen. Jones en Yarhouse geven tabellen waarin de resultaten van veertien verschillende therapeuten zijn weergegeven die homoseksuelen individueel (1950-2000) of in groepsverband (1950-1980) hebben behandeld. Als we de aantallen bij elkaar optellen, was er bij 623 van de 2161 patiënten (28,8 procent) sprake van ‘positieve resultaten’ (gedefinieerd als aanzienlijke tot complete verandering). ‘De meeste therapeuten gaan ervan uit dat bij de behandeling van elke ‘aandoening’ een slagingspercentage van ongeveer 30 procent kan worden verwacht.’56 De Anonieme Alcoholisten hebben een slagingspercentage van 25-30 procent.
   In 1997 onderzocht NARTH (National Association for Research and Therapy of Homosexuality - het nationaal genootschap voor onderzoek en therapie bij homoseksualiteit) 882 cliënten die, naar men dacht, enigermate waren veranderd in hun seksuele oriëntatie. In de tabel is te zien hoe deze mensen zich voor en na de therapie beschouwden met betrekking tot hun seksuele oriëntatie.



   In de groep cliënten die zichzelf voor de behandeling beschouwden als uitsluitend homoseksueel, noemde 18 procent zich na de therapie uitsluitend heteroseksueel, 17 procent noemde zich bijna uitsluitend heteroseksueel en 12 procent noemde zich meer heteroseksueel dan homoseksueel. Degenen die waren onderzocht, gaven ook aan dat hun homoseksuele gedachten significant waren afgenomen. Hoewel critici van dit soort behandelingen soms beweren dat heroriëntatietherapie de cliënten kwaad doet, laat dit onderzoek een substantiële verbetering zijn in het gevoel van eigenwaarde en de emotionele stabiliteit van deze cliënten.57
   Helaas zijn de belangrijkste onderzoeken gedaan voordat militante homorechtenactivisten in de American Psychiatric Association en de American Psychological Association in het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw zorgden voor de big chill.58 Ondanks deze hindernissen voor eerlijk onderzoek, geven de resultaten die tot op de dag van vandaag worden behaald een bescheiden hoop als het gaat om het veranderen van homoseksuelen, zelfs de verandering van degenen die zichzelf beschouwen als uitsluitend homoseksueel. In elk geval zal het idee van genetische onveranderlijkheid de toets niet kunnen doorstaan. Er vinden zelfs grote veranderingen in de seksuele oriëntatie plaats buiten enige therapeutische behandeling om, aan beide uiteinden van de Kinsey-schaal.59 Het is niet verrassend dat therapeuten hebben ontdekt dat homoseksuelen de meeste kans hebben om grote veranderingen te ondergaan in de richting van heteroseksualiteit als de cliënten in hun geschiedenis ervaring hebben gehad met heteroseksuele opwinding, zich niet al in hun vroege jeugd bezighielden met homoseksuele activiteiten en aan het begin van de therapie zeer gemotiveerd zijn om te veranderen. Langetermijnsucces hangt af van de aanwezigheid van een sterk sociaal netwerk dat hun stap uit de homoscene ondersteunt, waarbij ook de ontwikkeling van hechte, maar niet-erotische relaties met mensen van hetzelfde geslacht heel belangrijk is. Vergeving van de ouder van hetzelfde geslacht, de angst overwinnen die wordt geassocieerd met het leven volgens de heteroseksuele standaard, de angst overwinnen ten opzichte van de heteroseksuele gebruiken amet betrekking tot het aangaan van relaties, assertiviteitstraining, en het verwerken van seksueel misbruik kunnen stuk voor stuk een belangrijke bijdrage leveren aan het herstelproces van veel homoseksuelen.
   Naast de seculiere behandelingen van homoseksuelen zijn er in de Verenigde Staten ook verschillende pastoraal getoonzette hulpverleningsinstanties die homoseksuelen proberen te begeleiden in hun veranderingsproces. De belangrijkste hiervan zijn Exodus International60 en Homosexuals Anonymous (dat ongeveer vijftig vestigingen heeft over heel Noord-Amerika en net zo is gestructureerd als de Anonieme Alcoholisten). Er zijn ook hulpverleningsinstanties die gekoppeld zijn aan een bepaalde denominatie, zoals Courage (rooms-katholiek, met het hoofdkantoor in New York City), OneByOne (presbyteriaans [PCUSA]; Rochester, New York) en Regeneration (episcopaals; Baltimore).61 Deze groepen hebben veel betekend voor duizenden mensen, door hen te helpen om hun seksuele impulsen onder controle te houden en ze significant te laten afnemen of volledig te laten verdwijnen.
   Veel van de resultaten die tot op heden zijn bereikt, worden door critici afgedaan als resultaten van onderzoek waarbij de verandering niet voldoende wetenschappelijk is gemeten.62 Tegelijkertijd hebben studies op andere gebieden ongeveer dezelfde meetcriteria en standaarden gebruikt en nooit dezelfde soort vernietigende kritiek ondervonden, en zijn hun resultaten nooit zo minutieus tegen het daglicht gehouden.
   Critici hebben geprobeerd om het feit dat er veranderingen worden gemeld in de seksuele oriëntatie, op twee manieren weg te beredeneren: (1) de zogenoemde homoseksuelen die veranderd zijn in heteroseksuelen waren aanvankelijk geen echte homoseksuelen, maar biseksuelen; (2) ware homoseksuelen die denken dat ze veranderd zijn houden zichzelf voor de gek, omdat ze hun homoseksuelen driften slechts tijdelijk hebben onderdrukt door ‘geïnternaliseerde homofobie’. Mensen die vroeger homoseksueel waren en nu als heteroseksueel worden geclassificeerd, kunnen hun homoseksuele gedrag hebben opgegeven, maar ze zullen altijd homoseksuele neigingen houden en ooit wel weer terugvallen.
   Er zijn drie belangrijke problemen met deze beweringen. Ten eerste is hierbij sprake van een cirkelredenering en van schaamteloos dogmatisme; ten tweede passen de critici hier hogere en striktere standaarden toe voor ‘genezing’ dan bij andere aandoeningen; en ten derde ontwikkelen ze een onpraktische en niet werkbare standaard. Laten we elk van deze punten nog wat nader bekijken.
   Wat betreft het eerste probleem lijken deze critici het bewijs voor de verandering niet te hoeven onderzoeken omdat ze al a priori hebben besloten dat verandering onmogelijk is. Deze redeneertrant getuigt van dogmatisme dat vooral op een ideologische overtuiging gebaseerd is en niet zozeer op bewijs. De grootste angst van de homolobby is dat er ergens ‘echte’ homoseksuelen zijn die op de een of andere manier hun seksuele oriëntatie zouden kunnen veranderen. Verstandelijk kan zo’n verandering niet worden toegestaan omdat dat de fundamentele premissen van vele activisten in diskrediet zou brengen; namelijk dat de homoseksuele oriëntatie onveranderlijk is. Als je hun vraagt hoe zij weten dat homoseksualiteit een onveranderlijke toestand is, zullen ze zeggen dat het overduidelijk is dat homoseksuelen ‘zo geboren zijn’, waarbij ze dan suggereren dat er sprake is van een of andere genetisch of hormonaal determinisme. Dat betekent dus dat dergelijke critici de mogelijkheid van beïnvloeding door de omgeving volledig moeten afwijzen, hoewel er algemene consensus bestaat in de wetenschap - zelfs bij homoseksuele onderzoekers als Hamer en LeVay - dat omgevingsfactoren en psychologische factoren nog steeds een significante rol spelen in de ontwikkeling van homoseksualiteit.
   Dan moeten ze ook de studies onder eeneiige tweelingen negeren, die afdoende hebben bewezen dat de genetische invloed op zijn best erg klein is en in elk geval niet onveranderlijk. Ze moeten ook de interculturele verschillen negeren, die laten zien dat er een ongelooflijke fluïditeit is in de cijfers rondom homoseksualiteit en de vormen waarin homoseksualiteit zich voordoet. En dan hebben we het nog niet eens over de intraculturele verschillen zoals het effect van het leven in de grote stad, het opleidingsniveau en de religie op de mate waarin homoseksualiteit voorkomt. Ze moeten de invloed van de opvoeding buiten beschouwing laten waarmee zelfs de genetische geslachtelijkheid van mensen die met tweeslachtige genitalia zijn geboren, ‘gestuurd’ of ‘ter zijde gesteld’ blijkt te kunnen worden.
   Ze moeten ook alle psychologische en psychoanalytische gegevens die we hebben over het enorme effect dat de opvoeding door de ouders en de socialisatie door leeftijdsgenoten heeft op de seksuele ontwikkeling van kinderen in het algemeen (niet alleen op de homoseksuele ontwikkeling), met voeten treden. Ze moeten ontelbaar veel studies over gedragsverandering negeren. Ze moeten voorbijzien aan het feit dat seksuele oriëntatie grote elasticiteit vertoont, en ook aan het feit dat de overgrote meerderheid van de mensen die zichzelf als uitsluitend homoseksueel betitelen (niet als biseksueel) in elk geval één keer in hun leven heteroseksuele opwinding hebben ervaren. Ze moeten doen alsof iemand die een 5 scoort op de Kinsye-schaal (voornamelijk homoseksueel) wel een verschuiving langs die schaal kan doormaken, maar iemand die een 6 scoort (uitsluitend homoseksueel) dat nooit kan.
   Verder moeten ze nog doen alsof iemand die uitsluitend homoseksueel is op de leeftijd van veertien tot achttien jaar, nooit heteroseksuele lustgevoelens kan ontwikkelen, ongeacht wat hij of zij zal meemaken in de volgende zestig jaar van zijn of haar leven. Ze moeten niet alleen ontkennen dat homoseksuelen heteroseksueel kunnen worden, maar ook - als ze tenminste consequent willen zijn - dat heteroseksuelen ooit homoseksueel kunnen worden. Dan moeten ze dus alle verhalen van ontelbaar veel homoseksuelen of lesbiennes van middelbare leeftijd negeren die beweren dat ze in het eerste deel van hun leven na de pubertijd een bepaalde mate van heteroseksuele opwinding en orgasme(s) hebben ervaren.63 En natuurlijk zullen ze alle getuigenissen van ex-homoseksuelen, waaronder er velen zijn die aangeven dat ze zich eerst uitsluitend homoseksueel voelden en nu veranderd zijn in mensen die zich uitsluitend aangetrokken voelen tot mensen van het andere geslacht, moeten wegredeneren. Vroeg of laat zullen zij die dogmatische claims doen over de onveranderlijkheid van ‘echte’ homoseksualiteit moeten erkennen dat ‘de keizer geen kleren draagt’.64
   Het tweede probleem met zo’n bewering is dat het een striktere definitie van verandering toepast op seksuele oriëntatie dan toegepast zou worden op verschillende andere toestanden die deels een genetische, hormonale of biologische component hebben. Het is toch best onrealistisch om te eisen dat iemand die vanuit een homoseksuele levensstijl overstapt naar een heteroseksuele levensstijl, nooit meer, ook niet onder de stressvolste omstandigheden, homoseksuele gevoelens zal mogen ervaren als hij of zij wil claimen dat hij of zij een verandering heeft ondergaan in zijn of haar seksuele oriëntatie. Bij andere omstandigheden gaat het bij ‘genezen’ niet per se om het feit dat zelfs de laatste sporen van verleiding zijn uitgewist, maar meer om de mogelijkheid om op een goede manier met die verleidingen om te kunnen gaan. Veel gelukkig getrouwde ex-homoseksuelen verklaren dat er op momenten dat de stress opspeelt, best nog weleens sprake kan zijn van homoseksuele impulsen, maar dat die dan alleen vervelend zijn en geen onhandelbaar probleem. Is het dan eerlijk om te beweren dat zulke mensen niet zijn veranderd in hun seksuele oriëntatie en ook te zeggen dat de veranderingstherapie in zulke gevallen is mislukt? Op z’n minst is het erg misleidend om deze mensen homoseksuelen of biseksuelen te (blijven) noemen, vooral als de homoseksuele gevoelens niet intens zijn en er ook niet naar gehandeld wordt.
   Dat veranderingen in de seksuele oriëntatie normaal gesproken niet erg makkelijk plaatsvinden, zal geen verrassing zijn. Veel prettige vormen van gedrag, vooral seksueel gedrag, hebben de neiging dwangmatig of verslavend te werken. Die kunnen niet aan- en uitgezet worden alsof het een kwestie is van even een lichtschakelaar aan- of uitzetten. Een goede vriend van mij, die meer dan tien jaar gewerkt heeft onder zedendelinquenten in gevangenissen, heeft me verteld over het pessimisme dat er onder het personeel dat toeziet op de geestelijke gezondheid van de gevangen heerst over het realiseren van blijvende verandering. Ondanks de tomeloze inzet van deze mensen, is het recidivisme onder (kinder)verkrachters extreem hoog. De reden daarvan is helder: er is een biologische of fysiologische component in hun specifieke ervaring van seksuele opwinding. Maar toch zullen er weinigen zijn die beweren dat het voor zulke delinquenten onmogelijk is om te veranderen. Als de maatschappij dat zou geloven, zou het ook overbodig zijn om psychiaters en psychologen te verbinden aan een gevangenis. Als zedendelinquenten hebben geleerd hoe ze hun afwijkende seksuele impulsen onder controle moeten houden, mogen we met recht zeggen dat er sprake is van een verandering. Waarom mogen we dan niet hetzelfde zeggen over mensen die ooit homoseksueel georiënteerd waren en die nu in staat zijn om die impulsen effectief onder controle te houden? We kunnen ook nog een vergelijking trekken met ongepast seksueel gedrag dat niet strafbaar is (zoals sadomasochisme, bestialiteit, verslaving aan pornografie, en een intense ontevredenheid met monogame relaties met één enkele partner) of met niet-seksuele dwangen, verslavingen en stoornissen die een genetisch of biologisch aspect hebben (bijv. alcoholisme, rookverslaving, eetstoornissen, depressie, pathologisch gokken, agressie en crimineel gedrag). We hebben er geen problemen mee om verandering te ontdekken in een ‘herstellende alcoholist’ die over het algemeen de fles kan laten staan, maar af en toe strijd te leveren heeft met een innerlijk, lichaamsgebonden verlangen om te drinken. En we beschuldigen de Anonieme Alcoholisten er ook niet van dat ze telkens weer falen omdat ze maar een succespercentage van 25-30 procent hebben, waar ‘succes’ niet per definitie betekent dat men nooit meer te kampen heeft met verleidingen. Het is nogal ironisch dat precies die homorechtenactivisten die kritiek hebben op het succespercentage van seksuele heroriëntatieprogramma’s het zelf voor de homoseksuelen nog moeilijker hebben gemaakt om te veranderen. De Whiteheads benadrukken terecht dat


   ‘als regeringen politieke bescherming beginnen te garanderen en homoseksualiteit officiële kerkelijke goedkeuring begint te krijgen, steun van medische en hulpverlenende instanties, steun van de ‘wetenschap’ en bevestiging in de media, verandering niet iets is waar iemand die zichzelf als een homoseksueel persoon identificeert echt over na hoeft te denken - vooral niet als daarmee lonende patronen van seksuele bevrediging opgegeven moeten worden.’65


   Stel dat een samenleving pedofilie zou goedkeuren, dan zou het toch extra moeilijk zijn om pedofielen ertoe aan te zetten te veranderen? In het huidige politieke klimaat krijgen ex-homoseksuelen geen waardering in de maatschappij; ze worden zelfs zwartgemaakt door groepen homoactivisten. Verandering van gedrag vereist een sterke persoonlijke motivatie om te veranderen. Als de samenleving en zelfs de kerk beweert dat verandering onmogelijk én verkeerd is (homofobisch), zullen weinigen geneigd zijn om te veranderen.
   Een derde probleem met de bewering dat verandering van ‘echte’ homoseksuelen onmogelijk is, is dat die positie totaal onwerkbaar is. Zelfs als er een categorie ‘echte’ homoseksuelen zou bestaan, mensen die niet alleen altijd en overal uitsluitend homoseksueel gedrag en homoseksuele gevoelens aan de dag leggen, maar die ook onder geen enkele omstandigheid ooit kunnen veranderen, hoe zou de samenleving dan in staat zijn om een echte homoseksueel te onderscheiden van een biseksueel of een heteroseksueel die precies hetzelfde doet als een homoseksueel? Het antwoord is duidelijk: de samenleving zou dat onderscheid niet kunnen maken, in elk geval niet los van actieve pogingen om homoseksuelen te veranderen in heteroseksuelen. Zoals Warren Throckmorton, voormalig president van de American Mental Health Counselors Association [Amerikaans therapeutengenootschap voor de geestelijke gezondheid], het stelt:


   ‘Als er geen onderzoek is [over de stabiliteit van seksuele oriëntatie op de lange termijn gedurende het volwassen leven, hoe kunnen professionele genootschappen dan zo zeker weten dat de seksuele oriëntatie niet veranderen kan? (…) Zelfs als je de vooronderstelling dat seksuele oriëntatie niet kan worden veranderd accepteert, hoe weet je dan wanneer de seksuele oriëntatie van een cliënt vaststaat? Als we geen middelen en methoden hebben om de seksuele oriëntatie met meer zekerheid objectief vast te stellen, moeten we misschien veel meer gewicht toekennen aan de manier waarop de cliënten zichzelf beoordelen. Tegen cliënten die willen veranderen kan niet op een geloofwaardige manier worden verteld dat ze niet kunnen veranderen, omdat we niet met zekerheid kunnen zeggen dat ze zich al onveranderlijk hebben verbonden aan vaste patronen.’66


   Zolang mensen die zichzelf homoseksueel noemen kleine en zelfs duidelijk grotere veranderingen zien in hun seksuele oriëntatie, is de functionele waarde van de argumenten van de critici tegen homoseksuele verandering nul.
   We hebben tot nu toe steeds benadrukt dat homoseksuelen kunnen veranderen; of, preciezer geformuleerd, dat in elk geval sommige homoseksuelen, inclusief sommige die beweren dat ze uitsluitend homoseksueel zijn geweest in hun seksuele oriëntatie, in staat zijn om te veranderen. Natuurlijk is het empirisch zo dat niet alle homoseksuelen zullen veranderen, als we met veranderen bedoelen dat iemand een grote verandering ondergaat in zijn of haar seksuele oriëntatie.
   Het christelijk geloof omvat een sterk vertrouwen in de kracht van de Geest van God om de levens van degenen die zich onderwerpen aan de heerschappij van Jezus Christus, te veranderen. De getuigenissen van veel ex-homoseksuelen tonen ook aan dat zelfs seculiere behandelingen soms radicale veranderingen in de seksuele oriëntatie kunnen bewerkstelligen. Hoeveel te meer is dit dan mogelijk voor homoseksuelen die zich tot de Here Jezus wenden om met Zijn hulp heteroseksuele verlangens te ontwikkelen? We hebben een ‘wolk van getuigen’, duizenden ex-homoseksuelen in christelijke gemeenschappen in de Verenigde Staten en nog vele duizenden meer over de hele wereld die getuigen van de kracht van Gods Geest, die hun leven heeft veranderd en die hun seksuele bevrediging gaf in heteroseksuele huwelijken. Tegelijkertijd zijn er christenen die er in elk geval ‘aan de buitenkant’ blijk van hebben gegeven dat ze grote moeite hebben gedaan om te veranderen en nog steeds niet in staat zijn gebleken om van een homoseksuele naar een heteroseksuele oriëntatie over te stappen.
   Het is niet zo eenvoudig om patronen van seksuele opwinding die in de hersenen zijn gelegd, te verwijderen. Toen de apostel Paulus naar de strijd tussen het vlees en de Geest in het christelijk leven verwees, sprak hij optimistisch over de mogelijkheid van een christen om te ‘wandelen’ of zich te gedragen overeenkomstig de wensen van de Geest die in hem woont. Maar zelfs die overwinning vooronderstelt een voort-gaande strijd met de zondige verlangens. Christenen krijgen niet de garantie dat ze volkomen bevrijd zullen worden van dit soort verlangens, maar wel dat hun identiteit niet wordt bepaald door zulke verlangens. Het is geoorloofd om te zeggen dat christenen die zich niet langer inlaten met het homoseksuele gedrag dat zij in hun onbekeerde toestand praktiseerden, nu ex-homoseksuelen zijn. ‘En sommigen uwer zijn dat geweest’ (1 Kor. 6:11). Door niet langer volgens hun homoseksuele impulsen te leven, maar nu de wil van God in hun levens te gehoorzamen, zijn ze veranderd in door God aangenomen kinderen. Op dezelfde manier zijn heteroseksuelen die nog steeds te kampen hebben met de verleiding van hartstochtelijke gevoelens voor andere leden van het andere geslacht dan hun eigen echtgenoten/s, maar die verleidingen weerstaan en weigeren eraan toe te geven, nu ex-ontuchtigen en ex-overspeligen. Aan christenen wordt niet beloofd dat de seksuele verlangens in alle mogelijke vormen zullen verdwijnen. Maar ze krijgen wel de vast verankerde hoop dat zij die volharden tot het einde, behouden zullen worden.
   De grootste kans op verandering van de seksuele oriëntatie van homoseksuelen ligt niet in de pogingen om homoseksuelen na jarenlang homoseksueel gedrag te behandelen, maar vooral in het beperken van de mogelijkheden die jonge mensen hebben om op seksueel gebied te experimenteren. Sommige mensen zullen altijd experimenteren, ongeacht hun culturele omgeving. Maar toch bewijzen interculturele studies overduidelijk dat een sterke culturele afkeuring van homoseksueel gedrag het aantal keren dat zulk gedrag voorkomt significant kan beperken. Misschien kunnen we daarom beter vragen of het aantal mensen onder de bevolking dat zichzelf homoseksueel noemt kan worden beïnvloed door de culturele houdingen ten opzichte van homoseksueel gedrag in plaats van te vragen of homoseksuelen kunnen veranderen. Het antwoord op die vraag is, naar mijn mening: ‘Ja, in hoge mate.’


De relatie tussen de wetenschappelijke gegevens en de visie van Paulus

   Het is dus duidelijk dat de genetische of intra-uterinaire component van de homoseksuele oriëntatie indirect is en niet dominant. Het meest recente67 wetenschappelijk onderzoek over homoseksualiteit bevestigt ook wat de Bijbel en het gezonde verstand ons al verteld hebben: het menselijk gedrag is het resultaat van een complexe mix van biologisch gerelateerde verlangens (genetisch, intra-uterinair, postnatale hersen-ontwikkeling), invloed vanuit het gezin en de omgeving, menselijke psychologie en herhaalde keuzes. Welke aanleg voor homoseksualiteit er ook aanwezig moge zijn, dat is nog heel ver verwijderd van voorbeschikking of determinisme en is heel eenvoudig in overeenstemming te brengen met Paulus’ visie op homoseksualiteit. Veel wetenschappers die de homoseksuele levensstijl ondersteunen, zijn van mening dat Paulus dacht dat homoseksueel gedrag iets was waartoe men een vrije keus had. Dat baseren zij op het drievoudige ‘zij wisselden in’ (metellaxan) in Romeinen 1:23, 25 en 26. Het gebruik van het woord uitwisselen kan inderdaad de suggestie wekken dat Paulus aannam dat er iets van vrije keus in meespeelde. Maar dat gold dan voor het fenomeen in het algemeen en niet per definitie ook voor elke individu. Natuurlijk, de bredere context waarin deze verzen staan, wijst op een gewillige onderdrukking van de waarheid van God en Gods ontwerp van de geschapen orde (1:18). En wie zou er ontkennen dat homoseksueel gedrag helemaal losstaat van enige vorm van keuze? Zelfs als er sprake is van aanleg betekent dat nog niet dat iemand gedwongen wordt om zich ernaar te gedragen.
   Romeinen 1-8 geeft ook aan dat Paulus gelooft dat de zondige gevoelens die de mensen teisteren aangeboren zijn en over de mensen heersen. Het drievoudige ‘zij wisselden in’ is in overeenstemming met het drievoudige ‘God gaf hen over’ (paredoken autous ho theos) in 1:24, 26 en 28. In plaats dat God het kwaad in de mens beteugelt, doet Hij een stap opzij en staat hij toe dat mensen geregeerd worden door vooraf bestaande verlangens. Paulus schildert zo het plaatje van een mensheid die onderworpen is en beheerst wordt door haar eigen lustgevoelens; een mensheid die niet zelf de touwtjes in handen heeft, maar beheerst wordt. De ironie die het gevolg is van het feit dat mensen zich afkeren van God, is niet dat de mens daar onafhankelijker door wordt, maar juist afhankelijker. Op basis van Romeinen 5:12-21 en 7:7-23 is het duidelijk dat Paulus de zonde beschouwt als iets wat ‘aangeboren’ of ‘natuurlijk’ is (een categoriale term uit de Oudheid die dicht genoeg bij ons concept van ‘genetisch bepaald’ ligt om deze te kunnen gebruiken voor ons huidige doel). Paulus ziet de zonde als een macht die in het ‘vlees’ werkt en in de menselijke ‘leden’, een macht die al sinds de geboorte wordt ervaren, omdat we van Adam afstammen. Dat Adams zonde is doorgegeven aan al zijn nakomelingen is volgens Paulus niet slechts een wettelijk handigheidje, dat is: een gerechtelijk vonnis dat elk mens een zondaar is omdat Adam gezondigd heeft. Volgens hem is het meer zo dat Adam de zonde heeft doorgegeven als een impuls, een kracht, een aangeboren gebrek of ziekte, door de voortplanting van het menselijk vlees. Voor Paulus is alle zonde op een bepaalde manier aangeboren: mensen vragen er niet naar om seksuele verlangens, woede, angst of egoïsme te voelen - ze voelen het gewoon, of ze dat soort impulsen nu willen voelen of niet. Als Paulus naar onze tijd zou kunnen worden gehaald en er tegen hem gezegd zou worden dat homoseksuele neigingen in elk geval ten dele al bij de geboorte aanwezig zijn, zou hij waarschijnlijk zeggen: ‘Dat had ik u ook wel kunnen vertellen’ of in elk geval: ‘Ja, dat past ook wel in de manier waarop ik ertegen aankijk; ik kan dat goed verwerken in mijn theologische visie.’
   Het ervaren van homoseksuele neigingen is deel van het bredere verschijnsel van de verschillende zondige impulsen die alle mensen ervaren, hoewel iedereen in een andere mate verschillende zondige impulsen ervaart. Volgens Romeinen 8:1-7 kan de macht van de zonde - de innerlijke ‘wet’ of regulerende kracht die strijdt tegen die andere innerlijke ‘wet’, die van het verstand (nl. de erkenning door het verstand van het goede in de wet van Mozes, en het verlangen van datzelfde verstand om dat goede te doen) - nu overwonnen worden door een derde innerlijke ‘wet’, die van de Geest, die woont in allen die in Christus geloven. De zondige neigingen blijven bestaan, zelfs bij hen die gered zijn, maar voor gelovigen is het nu mogelijk om een leven te leiden dat (in elk geval grotendeels) door de Geest beheerst wordt.
   Voorvechters van homoseksueel gedrag vinden het wreed om mensen die homoseksuele neigingen hebben te verbieden om naar hun seksuele behoeften te handelen. Maar er zijn ook andere gevallen waarin van mensen wordt verlangd dat ze hun seksuele verlangens onderdrukken.
   Van pedofielen, die alleen opgewonden kunnen raken door seksueel contact met kinderen, wordt door de kerk (en dan hebben we het nog niet eens over de burgerlijke wet) verlangd dat zij die verlangens niet in praktijk brengen, zelfs als dat betekent dat ze de rest van hun leven celibatair moeten blijven. Heteroseksuelen die er genoeg van hebben dat ze zich moeten beperken tot één sekspartner en/of alle seksuele interesse in hun echtgeno(o)t(e) hebben verloren, hebben - vanuit het oogpunt van de kerk - niet de optie om overspel te plegen (en het is vanuit bijbels perspectief ook niet voldoende reden om te scheiden). Miljoenen alleenstaande heteroseksuelen weten niet zeker of ze ooit wel zullen trouwen; en toch is vanuit bijbels perspectief ook dan seks voor het huwelijk geen optie. De NHSLS-studie uit 1992 van Laumann geeft zelfs aan dat er twee keer zo veel mensen in onze samenleving zijn die geen sekspartner hebben gehad sinds hun achttiende (2,9 procent) dan er mensen zijn die zichzelf classificeren als (niet-biseksuele) homoseksuelen (1,5 procent). Bovendien, en dat hebben we hierboven al aangegeven, is vertellen tegen mannelijke en vrouwelijke homoseksuelen dat ze hun seksuele verlangens niet in de praktijk mogen brengen niet hetzelfde als hun vertellen dat er voor de rest van hun leven geen hoop meer voor hen is.
   Waar het om gaat is dat geen enkele bijbelschrijver individuele ‘zelfverwerkelijking’, ‘zelfvervulling’ of ‘zelfbevrediging’ zag als iets wat een mens een reden geeft om de duidelijke normen voor seksueel gedrag aan de kant te schuiven. Het uitdragen van de wil van God en de zorg voor de naaste (de twee grote geboden volgens Jezus) vormen het middelpunt van de joodse en christelijke identiteit, niet de vrijheid om de eigen seksuele verlangens te bevredigen.
   Zoals Richard Hays het verwoordt, wekt de Bijbel op tot ‘het demythologiseren van seks’: ‘De Bijbel ondergraaft onze culturele obsessie voor seksuele bevrediging. De Bijbel getuigt (samen met vele opeenvolgende generaties van gelovige christenen) dat er ook zonder een seksuele relatie sprake kan zijn van een leven van vrijheid, vreugde en dienstbaarheid.’69 In het huidige culturele klimaat, waarin vrijheid van seksuele expressie vaak wordt aangeprezen als een door God gegeven recht, kan zo’n claim schokkend zijn en tegen de borst stuiten, maar toch is het een gezonde vorm van kritiek tegen een nieuwe vorm van afgoderij. De Bijbel geeft ons maar twee mogelijkheden om seksuele gemeenschap te kunnen hebben: een levenslange, monogame heteroseksuele relatie aangaan, of celibatair blijven.



Noten:

1 Er zijn ook meer recente studies, deze zullen straks nog genoemd worden. - E. M.

2 Voor de bespreking van wat hierna volgt, heb ik dankbaar gebruikgemaakt van de volgende werken: Neil & Briar Whitehead, My Genes Made Me Do It! A Scientific Look at Sexual Orientation (Lafayette, La.: Huntington House, 1999; Neil Whitehead is een onderzoekswetenschapper met een mastersgraad in de biochemie) Stanton Jones & Mark Yarhouse, Homosexuality: The Use of Scientific Research (Downer’s Grove: InterVarsity, 2000) [Ik ben InVarsity dankbaar dat ik een van de voorlaatste versies van het manuscript van dit boek heb mogen inzien]; Jones & Yarhouse, ‘The Use, Misuse, and Abuse of Science in the Ecclesiastical Homosexuality Debates’, in: Homosexuality, Science, and the ‘Plain Sense’ of Scripture, 73-120; en Jeffrey Satinover, Homosexuality and the Politics of Truth (Grand Rapids: Baker, 1996). De volgende werken waren ook erg nuttig: Schmidt, Straight and Narrow?, 131-59; Grenz, Welcoming But Not Affirming, 13-33; Paul Cameron, The Gay Nineties. What the Empirical Evidence Reveals About Homosexuality (Franklin, Tenn.: Adroit, 1993); Sherwood O. Cole, ‘The Biological Basis of Homosexuality. A Christian Assessment’, JPT 23/2 (1995), 89-100. Voor materiaal in wetenschappelijke tijdschriften, vgl. vooral William Byne, ‘Science and Belief. Psychobiological Research on Sexual Orientation’, JHomosex 28 (1995), 303-44; idem, ‘The Biological Evidence Challenged’, Scientific American 270 (mei 1994), 26-31; idem & Bruce Parsons, ‘Human Sexual Orientation. The Biologic Theories Reappraised’, Archives of General Psychiatry50 (1993), 228-39; Paul Billings & Jonathan Beckwith, ‘Born Gay?’, Technology Review (juli 1993), 60-61; J. Maddox, ‘Wilful Public Misunderstanding of Genetics’, Nature 364 (1993), 281; M. Barinaga, ‘Is Homosexuality Biological?’, Science 253 (1991), 956-57; T. R. McGuire, ‘Is Homosexuality Genetic? A Critical Review and Some Suggestions’, JHomosex 30 (1995), 115-45; R. C. Friedman & J. Downey, ‘Neurobiology and Sexual Orientation’, Journal of Neuropsychiatry and Clinical Neurosciences 5 (voorjaar 1993), 134-48; L. Gooren, ‘Biomedical Theories of Sexual Orientation. A Critical Examination’, in: D. McWhirter e.a. (ed.), Homosexuality/Heterosexuality (New York: Oxford University Press, 1990), 71-87; A. Banks & N. K. Gartrell, ‘Hormones and Sexual Orientation. A Questionable Link’, JHomosex 30 (1995), 247-68.

3 Vergelijk naast de werken van Whitehead en Jones/Yarhouse ook Paul en Kirk Cameron, ‘Homosexual Brains?’, Family Research Institute Special Report (1996).

4 Hierbij is één biseksuele man inbegrepen.

5 Het deel van de hersenen dat in verband wordt gebracht met seksueel gedrag.

6  Interstital Nucleus of the Anterior Hypothalamus [Interstitiële kern van de voorste hypothalamus], waarvan vier verschillende gebieden zijn onderzocht en in kaart gebracht.

7 Simon LeVay, ‘A Difference in the Hypothalamic Structure Between Heterosexual and Homosexual Men’, Science 253 (1991), 1034-37.

8 Slechts twee van de veertien heteroseksuelen hebben voor hun dood ontkend dat ze zich ooit hebben ingelaten met homoseksueel gedrag. Er was geen informatie over de seksuele oriëntatie van de rest van de ‘heteroseksuelen’.

9 Whitehead, Genes, 129.

10 Whitehead, Genes, 127. ‘Het gemiddelde koolstofatoom verblijft ongeveer zeven jaar in het hersenweefsel. Dit betekent dat het volledige materiaal van de hersenen gedurende een mensenleven verandert doordat verschillende atomen en hersencellen worden vervangen - zelfs in het ‘permanente’ zenuwweefsel. Er zijn in de hersenen geen ‘harde draden’. Iedereen die zich toelegt op het veranderen van bepaalde gedragingen zou binnen tien jaar in staat moeten zijn om een substantieel verschil te maken in zijn denken en gedragspatronen. Biologisch determinisme is een mythe’ (ibid., 131).

11 Satinover, Homosexuality, 79-80.

12 S. Marc Breedlove, ‘Sex on the Brain’, Nature 389 (23 oktober 1997), 801.

13 J. Maddox, ‘Is Homosexuality Hardwire?’, Nature 353 (September 1991), 13.

14 Dean Hamer, e.a., ‘A Linkage Between DNA Markers on the X Chromosome and Male Sexual Orientation’, Science 261 (1993), 321-27.

15 S. Hu, D. Hamer e.a., ‘Linkage Between Sexual Orientation and Chromosome Xq28 in Males But Not In Females’, Nature Genetics 11 (1995), 248-56.

16 De genoemde 67% is een toename van 17%, dus waarschijnlijk gaat Gagnon uit van het dubbele, omdat het om telkens twee broers gaat. - Vertaler.

17 Voor de bron van deze citaten, vgl. Whitehead, Genes, 135, 146-47.

18 G. Rice e.a., ‘Male Homosexuality. Absence of Linkage to Microsatellite Markers at Xq28’, Science 284 (23 april 1999), 665-67.

19 Whitehead, Genes, 209; een gedetailleerdere behandeling hiervan is te vinden op pagina 13-31. Ze merken op dat er spontaan mutaties kunnen plaatsvinden in een stamboom, maar voor een verandering in gedrag zou je het onwaarschijnlijke scenario nodig hebben van veel genen die op hetzelfde moment muteren, en dat zal dan waarschijnlijk niet meer dan 0,025 procent van de bevolkingsgroep treffen (ibid., 24-25). De Whiteheads erkennen dat ‘veel [lichamelijke] toestanden (…) herleid zijn tot specifieke plaatsen op genen of tot fouten in een chromosoom: spierdystrofie, erfelijke darmkanker, de ziekte van Huntington’ enzovoort, maar dat zijn geen vormen van gedrag (ibid., 21).

20 Geciteerd door Whitehead, Genes, 215-16. Jones en Yarhouse (Homosexuality, 82) verwijzen naar een studie van niemand anders dan Dean Hamer (en anderen) getiteld ‘A Genetic Association for Cigarette Smoking Behavior’ [Over genetische aanleg voor het roken van sigaretten] (Health Psychology 18 [1998], 7-13). Hoewel mensen zonder een specifiek gen meer kans hadden om te gaan roken en er niet meer mee te stoppen, was het geïdentificeerde gen ‘geen nauwkeurige factor om te bepalen of iemand in staat is om te stoppen met roken, maar eerder een factor die de algemene behoefte van een individu aan en reacties op uitwendige prikkels bepaalt. En daar is het roken van sigaretten slecht een voorbeeld van’ (interview van Hamer, APA News Release, 14 januari 1999). Met andere woorden: de genetische invloed is indirect, hangt af van specifieke interacties met de omgeving en is hoogstens een van de vele invloeden op een mens. Dit zou ook een goede omschrijving zijn van elke mogelijke genetische invloed op homoseksueel gedrag - mocht er ooit een gevonden worden.

21 Paul R. McHugh & Philip R. Slavney, The Perspectives of Psychiatry, deel 2 (Baltimore: Jonhs Hopkins, 1998), 185-86. Met het oog op homoseksueel gedrag concluderen McHugh en Slavney dat ‘genetische factoren een bepaalde rol spelen in het ontstaan van homoseksueel gedrag, maar (…) dat seksueel gedrag door verschillende zaken wordt beïnvloed, waaronder ‘zich eigen gemaakte neigingen’ (of aangeleerde gedragingen) die nauw samenhangen met de cultuur waarin die persoon zich ontwikkelt. (…) Het is mogelijk (…) om je een toekomst voor te stellen waarin homoseksueel gedrag zo is opgegaan in de culturele ervaring van elke individu dat de genetische bijdrage niet meer te ontdekken is’ (ibid., 184-85).

22 Voor meer recente studies en studies naar de positieve effecten van ‘reoriëntatietherapie’ verwijs ik u naar de website van het NARTH Institute, specifiek het tab Research Division (narth.com). Ook leerzaam zijn de artikelen en lezingen van dr. Nicholas Cummings, voormalig president van de APA (American Psychological Association), waaruit duidelijk wordt dat deze organisatie als gevolg van politieke druk haar visie op homoseksualiteit en de homoseksuele praxis gewijzigd heeft. Zijn werken kunt u vinden via Google en YouTube. Helaas worden tegenwoordig experts als dr. Cummings en ook dr. Paul R. McHugh (bijz. hoogleraar psychiatrie aan de Johns Hopkins University School of Medicine en voormalig hoofd van de afdeling psychiatrie van het Johns Hopkins Hospital) - en alle anderen die een tegengeluid laten horen - door deze organisatie op een vileine wijze zwartgemaakt. Dat er een politiek gemotiveerde strijd woedt rond de oorzaken van homoseksualiteit blijkt ook duidelijk uit het boek Homosexuality and the Politics of Truth, door de Joodse psychiater dr. Jeffrey Satinover. - E. M.

23 J. Michael Bailey & Richard C. Pillard, ‘A Genetic Study of Male Sexual Orientation’, Archives of General Psychiatry 48 (1991), 1089-96; idem, e.a., ‘Heritable Factors Influence Sexual Orientation in Women’, Archives of General Psychiatry 50 (1993), 217-23; Michael King & Elizabeth McDonald, ‘Homosexuals Who Are Twins. A Study of 46 Probands’, British Journal of Psychiatry 160 (1992), 407-9; F. L. Whitam, M. Diamond & J. Martin, ‘Homosexual Orientation in Twins. A Report of 61 Pairs and 3 Triplet Sets’, Archives of Sexual Behavior 22 (1993), 187-206. Vgl. ook N. Buhrich, J. M. Bailey & N. G. Martin, ‘Sexual Orientation, Sexual Identity, and Sex-Dimorphic Behaviors in Male Twins’, Behavior Genetics 21 (1991), 75-96.

24 Vier van de paren eeneiige tweelingen waren vrouwelijk.

25 Van de 46 tweelingenparen in de studie bestonden er 38 uit mannen en 8 uit vrouwen.

26 J. Michael Bailey, Michael P. Dunne & Nicholas G. Martin, ‘Genetic and Environmental Influences on Sexual Orientation and Its Correlates in an Australian Twin Sample’, Journal of Personality and Social Psychology 78 (2000), 524-36 (citaat op 533). ‘In tegenstelling tot de meeste eerdere tweelingstudies over seksuele oriëntatie (…) gaf de onze geen statistisch significante ondersteuning voor het belang van de genetische factoren voor die eigenschap.’ Als commentaar op Hamers studie merken de auteurs op dat ‘de concordantie bij onze mannelijke [eeneiige tweelingen] suggereert (…) dat een hoofdgen voor een strikt gedefinieerde homoseksualiteit niet zo vaak tot uiting komt of gewoon weinig voorkomt’ - dat betekent dus dat de invloed van een X-chromosomaal gen op de seksuele oriëntatie hoogstens minimaal is (citaten op 534). De auteurs merken echter wel op dat ‘onze resultaten toch een bepaalde ondersteuning bieden’ voor de ‘aanname dat de omgeving die relevant is voor de eigenschap niet meer overeenstemt bij [eeneiige tweelingen] dan bij [twee-eiige tweelingen]’ (533). Bailey geeft hogere concordantiecijfers dan ik hierboven gegeven heb omdat hij elk deel van een tweeling apart telt als beiden homoseksueel zijn. Dit geeft hem de volgende ‘opgeblazen’ concordantie-cijfers: 20 procent voor mannelijke eeneiige tweelingen, 24 procent voor vrouwelijke eeneiige tweelingen, 0 procent voor mannelijke twee-eiige tweelingen en 10,5 procent voor vrouwelijke twee-eiige tweelingen. Voor een leek als ik geeft een dergelijke manier van resultaten weergeven een vertekend beeld: als het aantal proefpersonen uit één paar tweelingen zou bestaan en beide delen van deze tweeling homoseksueel waren, zou het concordantiecijfer dus 200 procent zijn (een oxymoron). Welke concordantiecijfers je ook gebruikt, het algemene publiek zou zich ervan bewust moeten zijn dat Baileys ‘opgeblazen’ concordantiecijfers niet slaan op het percentage van paren tweelingen die concordant zijn voor homoseksualiteit. Het is ook belangrijk te weten dat Bailey iedereen die een ‘2’ (d.i. een heteroseksueel met substantiële homoseksuele gevoelens) of hoger scoort op de schaal van Kinsey voor seksuele oriëntatie (die loopt van 0-6) tot de groep ‘niet-heteroseksuelen’ rekent. Zie ook Jones & Yarhouse, Homosexuality, 75-78.

27 In de cijfers van de studie die Bailey en Pillard in 1993 deden naar homoseksualiteit bij vrouwelijke tweelingen, vinden we een concordantiecijfer van 16 procent bij twee-eiige tweelingen, 14 procent bij zussen die geen tweeling zijn en 6 procent bij ‘adoptiezussen’. Zelfs hier is het aantal lesbische vrouwen onder adoptiezussen nog steeds drie keer hoger dan het nationaal gemiddelde. Vgl. Jones & Yarhouse, Homosexuality, 78-79.

28 Voor verwijzingen naar tweelingenstudies in de wetenschappelijke literatuur, vgl. Whitehead, Genes, 152, 155-56.

29 E. Eckert e.a., ‘Homosexuality in Monzygotic Twins Reared Apart’, British Journal of Psychiatry 148 (1986), 421-25. De onderzoekers hebben ook twee paren mannelijke eeneiige tweelingen gevonden die los van elkaar waren opgegroeid. In het ene geval was de andere tweelingbroer ook homoseksueel, bij het tweede paar was de andere tweelingbroer heteroseksueel. Geciteerd in Jones & Yarhouse, Homosexuality, 74.

30 Vgl. de bespreking in Whitehead, Genes, 118.

31 H. F. L. Meyer-Bahlburg e.a., ‘Prenatal Estrogens and the Development of Homosexual Orientation’, Developmental Psychology 31 (1995), 12-21.

32 Vgl. Whitehead, Genes, 114.

33 Zelfs homogen-onderzoeker Dean Hamer erkent dit. ‘De meeste sissy’s (d.i. een Engelse term voor watjes, verwijfde types - E. M.) zullen uiteindelijk homoseksuelen worden en de meeste homoseksuele mannen waren als kind sissy’s. Ondanks de provocerende en politiek incorrecte aard van die uitspraak, sluit die toch naadloos aan bij het bewijs. In feite kan het weleens de meest samenhangende, goed gedocumenteerde en significante vondst zijn in het hele veld van onderzoek naar seksuele oriëntatie en misschien zelfs wel van de hele menselijke psychologie’ (The Science of Desire [New York: Simon & Schuster, 1994], 166). Zo ook Simon LeVay, Queer Science (Cambridge: MIT Press, 1996), 6, 98.

34 Vgl. de bespreking in Whitehead, Genes, 49-75; Jones & Yarhouse, Homosexuality, 54-60, 65-66; Satinover, Homosexuality, 104-8, 184, 221-28; Schmidt, Straight and Narrow?, 144-48, 214-16; Grenz, Welcoming, 15-21. En ook: Joseph Nicolosi, Healing Homosexuality. Case Stories of Reparative Therapy (New York: Jason Aronson , 1993); idem, Reparative Therapy of Male Homosexuality (New York: Jason Aronson, 1991); Elizabeth Moberly, Psychogenesis. The Early Development of Gender Identity (Londen: Routledge & Kegan Paul, 1983): idem, Homosexuality. A New Christian Ethic (Cambridge: Clark, 1983); idem, ‘Homosexuality. Restating the Conservative Case’, Salmagundi 58/59 (1982/83), 281-99; Irving Bieber e.a., Homosexuality. A Psychoanalytic Study of Male Homosexuals (New York: Basic Books, 1962); Gerard van den Aardweg, On the Origins and Treatment of Homosexuality. A Psychoanalytic Reinterpretation (Westport, CT: Praeger, 1986); idem, The Battle for Normality. A Guide for (Self-)Therapy for Homosexuality (San Francisco: Ignatius, 1997); idem, Homosexuality and Hope. A Psychologist Talks About Treatment and Change (Ann Arbor, Mich.: Servant Books, 1986); Elaine V. Segal, Female Homosexuality. Choice Without Volition (Hillsdale, N.J.: The Analytic Press, 1988); Charles Socarides, Homosexuality. Psychoanalytic Therapy (New York: Jason Aronson, 1989); idem, Homosexuality. A Freedom Too Far (Phoenix: Adam Margrave, 1995); idem, ‘Advances in Psychoanalytic Theory and Therapy of Male Homosexuality’, The Sexual Deviations (Oxford: Oxford University Press, 1996), 252-78; Lawrence J. Hatterer, Changing Homosexuality in the Male. Treatment for Men Troubled by Homosexuality (New York: McGraw-Hill, 1970); Ruth Tiffany Barnhouse, Homosexuality. A Symbolic Confusion (New York: Seabury, 1977); Edmund Bergler, Homosexuality. Disease or Way of Life (New York: Collier Books, 1962).

35 Daryl J. Bem, ‘Exotic Becomes Erotic. A Developmental Theory of Sexual Orientation’, Psychological Review 103 (1996), 320-35. Bem, een homoseksueel, ‘kwam uit de kast nadat hij dertig jaar getrouwd was geweest en twee kinderen had gekregen. Hij hoopt dat zijn theorie een ‘cultuur zal bevorderen waarin geen geslachtelijke polarisatie plaatsvindt’ (ibid., 332).

36 Joseph Nicolosi, ‘A Critique of Bem’s E.B.E. Theory’, z.p. [vernieuwd op 5 augustus 1999].

37 Satinover, Homosexuality, 189-95.

38 Vgl. Jones & Yarhouse, Homosexuality, 57-58. Volgens The National Health and Social Life Survey uit 1992 identificeerde 7,4 procent van de mannen die als kind seksueel waren aangeraakt door een volwassene, zichzelf als homoseksueel of biseksueel. Bij vrouwen was dat 3,1 procent. Toch maakten de mensen die zichzelf homseksueel of biseksueel noemden slechts 2,8 procent uit van de mannen en 1,4 procent van de vrouwen in het onderzoek (Edward O. Laumann e.a., The Social Organization of Sexuality: Sexual Practices in the United States [Chicago: University of Chicago, 1994], 297, 344). Een nationaal onderzoek in de Verenigde Staten door het Family Research Institute wees uit dat homoseksuelen en biseksuelen negen keer meer kans hadden om als kind seksueel misbruikt te zijn (Paul Cameron e.a., ‘Child Molestation and Homosexuality’, Psychological Reports 58 [1986], 327-37). Een overzicht van de literatuur over misbruik van jongens in het Journal of the American Medical Association toonde aan dat adolescenten die seksueel misbruikt waren door mannen zeven keer meer kans hadden om zichzelf later homoseksueel te noemen (W. C. Holmes e.a., ‘Sexual Abuse of Boys’, JAMA 280 [1998], 1855-62.

39 Whitehead, Genes, 85-95. De Whiteheads verwijzen ook naar een interessant experiment op dieren waarin onderzoekers van het Babraham Institute in Cambridge ‘tien ooien toestonden om jonge geitjes op te voeden vanaf hun geboorte en tien geiten om lammetjes op te voeden. (…) Toen de jonge dieren volwassen geworden waren, negeerden ze hun eigen soortgenoten en probeerden ze in 90 procent van de gevallen te paren met de soort van hun pleegmoeder. (…) zelfs nadat ze al jaren weer in een groep met soortgenoten leefden, veranderden de mannetjes niet terug (maar vrouwtjes wel). Als de seksualiteit van deze lagere dieren al zo beïnvloed werd door wat ze aangeleerd kregen, zal dat bij de menselijke seksualiteit nog veel meer het geval zijn’ (ibid., 59; waarbij ze verwijzen naar K. M. Kendrick e.a., ‘Mothers Determine Sexual Preferences’, Nature 395 [1998], 229-230).

40 Onder indianen is de berdache een persoon die zich identificeert met een van een verscheidenheid van geslachtelijke identiteiten die niet uitsluitend die van hun biologisch geslacht is; een transgender persoon. Sjamanen hebben ook een dergelijke visie: dat in de sjamanistische culturen niet twee, maar drie of zelfs vier geslachten onderscheiden worden, wordt simpelweg over het hoofd gezien of genegeerd. Binnen de sjamanistische visie heb je naast man en vrouw ook het geslacht dat in de literatuur de berdache genoemd wordt. De berdache is een persoon met een mannelijk lichaam zonder een mannelijke of vrouwelijke identiteit. Hij/zij wijkt van beide af en kan misschien het beste als een tussenvorm worden beschouwd. Naast dit derde geslacht bestaat er in een aantal culturen (vooral in Noord- en Zuid-Amerika en de subarctische streken van Noordoost-Europa) ook nog een vierde, dat amazone genoemd wordt: iemand met een vrouwelijk lichaam, maar zonder typisch vrouwelijke of mannelijke essentie. De amazone staat, net als de berdache, tussen man en vrouw in. Er bestaan dus twee typen lichaam; wij noemen ze mannelijk en vrouwelijk, maar in het ene vind je mannen en berdaches, en in het andere vrouwen en amazones. - Vertaler.

41 The Construction of Homosexuality, 66.

42 Ibid., 74-77.

43 Ibid., 487 (cursivering van mij, RAJG).

44 Vgl. de grafiek in Laumann e.a., Social Organization, 305-6. De studie van het NHSLS is tot op heden [dus rond de eeuwwisseling, toen de schrijver dit boek uitgaf, vertaler] het uitgebreidste overzicht van de seksuele praxis van de Amerikanen. Door het GSS er ook nog bij te nemen, krijgen we er de gegevens bij van nog eens 5.585 volwassenen, zodat we op een totaal van 8.744 volwassenen komen.

45 Ibid., 307 (cursivering van mij, RAJG).

46 Ibid., 308 (cursivering van mij, RAJG).

47 Ibid., 305.

48 Ibid., 310.

49 Enquêtes laten zien dat de grote meerderheid van de Amerikanen nog steeds van mening is dat homoseksuele geslachtsgemeenschap iets is wat uit de aard der zaak verkeerd is. Aanvulling uitgever Nederlandse editie: Tussen 2001 en 2015 zijn die cijfers wel wat veranderd. In 2001 vond 53 procent van de Amerikanen nog dat een homoseksuele relatie moreel verwerpelijk was, tegenover 40 procent die het moraal aanvaardbaar vond. In 2008 waren er evenveel voor- en tegenstanders (48 procent). En in 2015 vond 63 procent het moreel aanvaardbaar en 34 procent verwerpelijk (bron: statistica.com, onder de titel: Are gay or lesbian relationships morally acceptable?).

50  Social Organization, 298-300, 311.

51 Dat is respectievelijk 8,6 procent en 10,1 procent van het totaal aantal mannen en vrouwen dat is onderzocht.

52 Paul Cameron e.a., ‘Sexual Orientation and Sexually Transmitted Disease’, Nebraska Medical Journal 70 (1985), 292-99; Paul Cameron, Kirk Cameron & K. Proctor, ‘The Effect of Homosexuality upon Public Health and Social Order’, Psychological Reports 64 (1989), 1167-79; de resultaten worden aangehaald in Cameron, The Gay Nineties, 71-74.

53 Alan P. Bell & Martin. S. Weinberg, Homosexualities. A Study of Diversity Among Men and Women (New York: Simon & Schuster, 1978), 53-61, 286-94. In de bespreking die hieronder volgt, is het handig om de schaal van Kinsey in gedachten te houden. Die bestaat uit zeven niveaus: (0) uitsluitend heteroseksueel, (1) overwegend heteroseksueel, (2) meestal heteroseksueel, (3) even heteroseksueel als homoseksueel, (4) meestal homoseksueel, (5) overwegend homoseksueel, (6) uitsluitend homoseksueel.

54 A. P. Bell, M. S. Weinberg & S. K. Hammersmith, Sexual Preference. Its Development in Men and Women (Bloomington: Indiana University Press, 1981).

55 Voor de volgende bespreking zijn met name de volgende werken nuttig: Jones en Yarhouse, Homosexuality, hst. 5; Satinover, Homosexuality, hst. 11-13; en Whitehead, Genes, hst. 12.

56 Satinover, Homosexuality, 186.

57  ‘The Results of the 1997 NARTH Survey on Change’, gepubliceerd en gedistribueerd door NARTH zelf (www.narth.com).

58 Vgl. de beschrijving die Satinover geeft van het laaghartige beleid dat de American Psychiatric Association in 1973 heeft gevoerd om homoseksualiteit te normaliseren (Homosexuality, 32-35). De big chill is het best te illustreren aan de hand van het grote verval in het aantal artikelen over dit onderwerp dat in medische en psychologische tijdschriften werd gepubliceerd en te vinden zijn in de Medline database: van 1021 in de jaren 1966-1974, naar 42 in de jaren 1975-1979, tot het onbeduidende aantal van 2 in de jaren 1992-1994 (ibid., 169). [De big chill is de naam waarmee astronomen verwijzen naar wat zij voorspellen als ‘de eindtoestand van het heelal’. Volgens hun theorie zal het heelal dan zijn afgekoeld naar het absolute nulpunt, 0 K. Gagnon gebruikt dit beeld dus om te verwijzen naar een toestand waarin deze twee organisaties hebben besloten om alle literatuur over dit onderwerp te boycotten. - Vertaler)].

59 Dit geldt vooral voor lesbiennes. Het blijkt namelijk helemaal niet ongewoon te zijn dat lesbische én heteroseksuele vrouwen op middelbare leeftijd biseksueel worden. Vgl. M. Nichols, ‘Bisexuality in Women. Myths, Realities and Implications for Therapy’, Women and Therapy 7 (1988), 235-52; J. K. Dixon, ‘Sexuality and Relationship Changes in Married Females Following the Commencement of Bisexual Activity’, JHomosex 11 (1985), 115-33 (beide artikelen worden geciteerd door Whitehead). In 1993 werd er een geval genoemd van een man die voor een sociale fobie werd behandeld met het medicijn fenelzine en ‘toevallig’ ook veranderde van een exclusieve voorkeur voor homoseksualiteit naar een voornamelijke voorkeur voor heteroseksualiteit (Satinover, Homosexuality, 189-190).

60  [In 2013 beëindigde deze overkoepelende organisatie van ongeveer honderd pastorale bedieningen haar activiteiten, maar dit had geen directe gevolgen voor de organisaties die eraan verbonden waren. - E. M.]. Ook Desert Stream moet hier genoemd worden. Deze organisatie is opgericht door Andrew Comiskey, een ex-homoseksueel (www.andrewcomiskey.com). Van de onafhankelijke pastorale bedieningen moeten nog twee namen in het bijzonder genoemd worden: Redeemed Life Ministries in Wheaton, Illinois, opgericht door Mario Bergner, ook een ex-homoseksueel (www.redeemedlives.org); en Pastoral Care Ministries, ook in Wheaton, Illinois, opgericht door Leanne Payne (1932-2015). [Haar boeken worden door de uitgever van deze Nederlandse editie echter niet aanbevolen, vanwege de jungiaanse en gnostieke ideeën die zij propageert. Ze komt uit de school van Agnes Sanford en Morton Kelsey, destijds bekende figuren binnen de innerlijke genezingsbeweging. - E. M.].

61 Voor meer informatie, zie Satinover, Homosexuality, 196-209, 268-69; Jones & Yarhouse, Homosexuality, 133-38. Wat betreft boeken over pastorale hulp aan homoseksuelen die willen veranderen, Mario Bergner, Setting Love in Order. Hope and Healing for the Homosexual (Grand Rapids: Baker, 1995); Andrew Comiskey, Pursuing Sexual Wholeness. How Jesus Heals the Homosexual (Lake Mary, FL: Creation House, 1988); William Consiglio, Homosexual No More. Practical Strategies for Christians Overcoming Homosexuality (Wheaton: Victor Books, 1991); Joe Dallas, A Strong Delusion. Confronting the ‘Gay Christian’ Movement (Eugene, OR: Harvest House, 1996); Bob Davies & Lori Rentzel, Coming Out of Homosexuality. New Freedom for Men and Women (Downers Grove, IL: InterVarsity, 1993); Father John E. Harvey, The Homosexual Person. New Thinking in Pastoral Care (San Francisco: Ignatius, 1987); idem, (ed.), The Truth About Homosexuality. The Cry of the Faithful (San Francisco: Ignatius, 1996); Jeanette Howard, Out of Egypt. Leaving Lesbianism Behind (Nashville: Thomas Nelson, 1994); Ed Hurst, Overcoming Homosexuality (Elgin, IL: David C. Cook, 1987); Leanne Payne, Healing Homosexuality (Grand Rapids: Baker Books, 1996); Michael R. Saia, Counseling the Homosexual (Minneapolis: Bethany House, 1988); Frank Worthen, Helping People Step Out of Homosexuality (Manila: OMF Literature, 1991).

62 Voor een negatieve en bevooroordeelde analyse zie Douglas C. Haldeman, ‘The Practice and Ethics of Sexual Orientation Conversion Therapy’, Journal of Consulting and Clinical Psychology 62 (april 1999), 221-227; idem, ‘Sexual Orientation Conversion Therapy for Gay Men and Lesbians. A Scientific Examination’, in: J. C. Gonsiorek & J. D. Weinreich (red.), Homosexuality. Research Implications for Public Policy (Newbury Park, CA: Sage Publications, 1991), 149-60. Voor kritiek op Haldeman, zie Jones & Yarhouse, Homosexuality, 140-48.

63 Een studie onder vrouwen die op middelbare leeftijd lesbiennes werden, concludeerde dat deze vrouwen in twee groepen waren onder te verdelen: vrouwen die dachten dat ze altijd al lesbisch waren geweest en vrouwen die geloofden dat ze een bewuste keuze hadden gemaakt om lesbisch te worden (C. Charbonneau & P. S. Landers, ‘Redefining Sexuality. Women Becoming Lesbian in Midlife’, in: B. Sang e.a., Lesbians at Midlife [San Francisco: Splinters Book Co., 1991], 35-43).

64 Een bekende uitdrukking die ontleend is aan het sprookje De nieuwe kleren van de keizer van Hans Christian Andersen. - Vertaler.

65  Genes, 197.

66 Warren Throckmorton, ‘Attempts to Modify Sexual Orientation. A Review of Outcome Literature and Ethical Issues’, Journal of Mental Health Counseling 20 (oktober 1998), 283-304 (citaat op pag. 286).

67 Zie voetnoot 105 op pag. 528. - E. M..

68 Haacker, ‘Exegetische Gesichtspunkte’, 177.

69 The Moral Vision of the New Testament, 390: ‘De sobere antropologie van de Bijbel wijst de nogal voor de hand liggende aanname dat alleen daden waarvoor men vrijwillig heeft gekozen, moreel strafbaar zijn, van de hand. De Bijbel beweert juist dat de kenmerkende aard van de zonde is dat men er niet vrijwillig voor kiest. Dat is wat het betekent om te leven ‘in het vlees’ in een gevallen schepping.’