Deze tekst is auteursrechtelijk beschermd.

Het beste van het koren - deel 2


door Watchman Nee


Hoofdstuk 23 - Geestelijk inzicht



   Als we kijken naar de ervaringen van onze Here en de apostel Paulus, kunnen we daar een principe in ontdekken: als iemand God wil leren kennen, moet hij transacties leren aangaan met God; tevens moet hij God toestaan in te grijpen in zijn leven.
   Bij veel christenen is er een komen en gaan van problemen, zonder dat God hen er iets mee heeft kunnen leren. Zij weten niet waarom Hij hun deze moeilijkheden geeft. Deze mensen lezen de Bijbel en blijken wel wat licht en kennis te hebben, maar zij weten niets van Gods gedachten. Het is duidelijk dat hun kennis niet toereikend is. Geliefden, om die reden moeten wij transacties aangaan met God en Hem laten werken in ons leven. Dan zullen wij Hem echt leren kennen. …


   Als God met u aan het werk is geweest en u echte kennis van God hebt verkregen, zult u weten op welk punt een ander blijft steken. U kunt hem helpen omdat u zelf op dat punt misschien wel vijftig keer Gods hand in uw leven hebt ervaren. U spreekt niet alleen tot mensen over wat er in de Bijbel staat; u spreekt met hen over God. …


   Broeders en zusters, er zijn vandaag tienduizenden dingen die de aanraking van Gods hand nodig hebben. Wat is het jammer dat wij tot op vandaag zo veel dingen die Gods aanraking nodig hadden over het hoofd hebben gezien.
   Als wij dag aan dag Gods wegen met ons leren aanvaarden, zullen wij Hem na verloop van tijd kennen. Veel gelovigen vragen allerlei mensen om raad, maar zij zoeken Gods aangezicht niet; zij vragen Hem niet om raad. Dan is het ook geen wonder dat zij God niet kennen nadat ze al jaren gered zijn. Wat een ellendige toestand! Wij moeten God vragen wat wij met deze of gene zaak moeten aanvangen. Wij moeten zoeken totdat wij Gods wil kennen. Wij moeten niet slechts één keer bidden en dan stoppen. Ik zeg het nogmaals: als u slechts één keer bidt, is het beter voor u dat u stopt met bidden. …



Gods hand in ons leven en kennis zijn onafscheidelijk met elkaar verbonden


   Het kostbaarste in ons leven hier op aarde is het kennen van God. Om Hem te leren kennen, moeten wij Zijn hand toelaten in alle dingen van ons leven. Wij moeten wat betreft gebed en het leren kennen van Zijn wil Zijn hand in ons leven aanvaarden. Wij moeten aandachtig naar onze omstandigheden kijken en met onze zonden afrekenen. Wij vragen Hem naar de betekenis van alles wat op onze weg komt. Is er een eis die God stelt? Wie lui is, kan God nooit leren kennen. Wij leren Hem kennen door gebed; wij leren Hem kennen door de gemeenschap met Hem. Wij moeten leren van Paulus, die niet één, maar twee en drie keer bad totdat de Here tot hem sprak. Wij moeten ook leren van onze Here, die in de hof van Gethsemane bad: ‘Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan; doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt.’ Hij bad niet één keer, maar een tweede en een derde keer, totdat Hij duidelijk wist waar Hij aan toe was. Laten ook wij een eerste, tweede en derde keer bidden, totdat God ons antwoord geeft. Alleen zo zullen wij God leren kennen. …


   Een essentieel onderdeel van het geestelijk leven van de christen is het zichzelf oordelen, het onbetrouwbaar en onbruikbaar achten van zijn vlees, want alleen dan zal de persoon zijn vertrouwen volkomen op God stellen door te wandelen in de Geest en niet in het vlees. Je kunt zeggen dat zonder deze zelfbeoordeling het geestelijk leven onmogelijk is. Als wij onszelf niet kennen, hoe kunnen wij onszelf dan oordelen, en waarin zullen wij dan geestelijk gezegend worden? Omdat wij de verdorvenheid van het vlees niet kennen, waarvan God graag heeft dat wij die zien, zijn wij niet in staat een zuiver leven te leven in de Heilige Geest. Vanwege het gebrek aan zelfkennis zullen wij onbewust vol van zelfvertrouwen zijn en dus niet de realiteit inzien van wat Jezus zei: ‘Zonder Mij kunt gij niets doen’ (Joh. 15:5).
   Hoewel de Heilige Geest is gegeven om ons in onze zwakheid tegemoet te komen, zien wij niet uit naar Zijn hulp omdat wij niet beseffen dat wij zwak zijn. Het gevolg daarvan is dat wij zwak blijven. Verder zullen wij, omdat wij onszelf niet kennen, onszelf zo misleiden dat wij gaan denken dat wij boven anderen staan. Het resultaat daarvan is dat wij trots worden, wat zeer verwerpelijk is in Gods ogen. Door het gebrek aan zelfkennis zullen wij in ons dagelijks leven ook een aantal andere gebreken gaan vertonen: wij komen bepaalde verplichtingen niet na; wij gaan zondige transacties aan met bepaalde mensen; in bepaalde gebieden in ons leven zal zich een gebrek aan liefde openbaren, en er zullen manifestaties zijn van impulsiviteit, bezorgdheid en vijandschap. Wij zijn ons echter van deze dingen niet bewust, waardoor wij zelfgenoegzaam worden, zodat wij geestelijk nog verder achteruitgaan. Wij kunnen onmogelijk inschatten hoeveel geestelijke zegeningen wij al hebben moeten missen, door niet in te zien hoe volmaakt en kostbaar de verlossing is die de Here ons gegeven heeft. Zelfkennis is dus de eerste voorwaarde voor geestelijke groei. Want alleen zij die zichzelf kennen, verlangen naar betere dingen, naar het beste wat God heeft. Zij die zichzelf niet kennen, willen niet vervuld worden met de Heilige Geest omdat zij geen hongerig of dorstig hart hebben. Daaruit kunnen wij afleiden dat zelfkennis absoluut noodzakelijk is. …


   Het Woord van God is tegen het verkrijgen van zelfkennis door middel van introspectie, maar het is wel voor zelfkennis. De fout die mensen maken, is dat zij denken dat zelfonderzoek en zelfkennis onafscheidelijk met elkaar verbonden zijn; de mens concludeert dan dat het verwerpen van zelfonderzoek hetzelfde is als het verwerpen van zelfkennis. Hij weet dat zelfkennis noodzakelijk is; zij moet alleen niet langs de weg van introspectie verkregen worden. Zelfkennis is goed, maar de methode die ons die kennis verschaft, moet gewijzigd worden. Hoe kunnen wij dan aan zelfkennis komen als de Bijbel introspectie niet aanbeveelt? Laten wij twee schriftgedeelten uit de Psalmen lezen: ‘Toets mij, Here, en beproef mij, keur mijn nieren en mijn hart’ (Ps. 26:2). ‘Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart, toets mij en ken mijn gedachten; zie, of bij mij een heilloze weg is (…)’ (Ps. 139:23-24). Deze twee schriftgedeelten laten ons zien wat de juiste methode is om zelfkennis te verkrijgen. Als wij ons hart en gedachtenleven willen leren kennen, als wij willen weten of er een heilloze weg bij ons is, moeten wij geen tijd doorbrengen met zelfonderzoek om erachter te komen hoe wij over onszelf denken; wij moeten veeleer God vragen ons te onderzoeken en te beproeven opdat wij onszelf goed kunnen leren kennen. Zelfkennis verkrijgen wij niet door zelfonderzoek, maar doordat God ons onderzoekt. Deze verzen maken ons duidelijk dat wij, als wij zelfkennis nodig hebben, God moeten vragen of Hij ons die kennis wil geven. Deze kennis is het meest betrouwbaar, want God kent ons beter dan wij onszelf kennen, omdat alle dingen open en bloot voor Hem liggen. Zelfs de diepste geheimen van ons hart, de verborgen plaatsen waar wij zelf niet eens bij kunnen komen, zijn niet verborgen voor Hem. Als wij onszelf door Zijn ogen zien, staan wij niet bloot aan misleiding, maar dan zullen wij weten hoe het met ons gesteld is.
   Alleen God kent ons volkomen. Weet u hoe God over u denkt? U denkt dat u een integer, deugdzaam mens bent; maar denkt u dat God ook zo over u denkt? Of u vindt uzelf maar een slecht mens; denkt u dat God het met u eens is? Ga daarom bij uw zelfbeoordeling niet uit van uw eigen visie op uzelf. Die inzichten zijn zeer onbetrouwbaar. Alleen God kan zeggen of u goed of slecht bent. God wil niet dat wij introspectie bedrijven; niet omdat Hij ons zelfkennis wil onthouden of ons toestaat onbedachtzaam te leven, maar omdat Hij weet dat wij onszelf nooit zullen leren kennen door introspectie. Wat Hij slecht vindt, kunnen wij goed vinden; wat Hij onrein vindt, kunnen wij als een niet noemenswaardig foutje zien. Hij wil graag dat wij dezelfde zienswijze hebben als Hij. Hij zal daarom niet toestaan dat wij vertrouwen op ons eigen onbetrouwbare inzicht en ons onnauwkeurige oordeel. Hij wil dat wij de gedachten van de Geest hebben, opdat wij Zijn oordeel tot het onze kunnen maken. …


   Alleen als het licht van God over ons gekomen is, zal het bevestigende oordeel over onze zwakheid zich aandienen en zal er in ons een walging ten aanzien van die zwakheid groeien. Wij kunnen dan niet meer leven, tenzij wij verlost worden. Het verschil tussen de zelfkennis die wij verkrijgen door introspectie en die welke wij verkrijgen in Gods licht, is gigantisch groot. …


   Het licht van God is het licht van de oordeelstroon! Vandaag krijgen wij zelfkennis door Gods licht. Door het licht van de oordeelstroon kennen wij Zijn wil en doen wij die ook. Wij zouden God moeten loven en danken voor het feit dat wij niet hoeven te wachten tot die dag om Gods licht te zien en te weten hoe Hij ons zal beoordelen, want wij kunnen dat licht vandaag zien - zelfs vandaag kunnen wij weten wat Hij zal veroordelen en wat Hij zal aanvaarden. De Heilige Geest komt in ons wonen om Gods licht aan ons te tonen. Daarom hebben wij geen excuus.


Spiritual Knowledge  15, 19, 27, 43, 47-48, 55-56, 61-62, 80



   Het eerste werk van de Heilige Geest in een gelovige na zijn bekering is hem tot zelfkennis brengen en hem zo ertoe te bewegen de wil van God te gehoorzamen en te verloochenen wat uit hemzelf voortkomt. Hij moeten leren om volkomen op God te vertrouwen.
   Maar wat is dat een moeilijke les om te leren! Jezelf kennen is van je heerlijkheid beroofd worden; jezelf verloochenen is jezelf laten lijden. In werkelijkheid wil een gelovige zichzelf dus niet graag leren kennen en daarom kent hij zichzelf ook niet goed; uit onwetendheid zal hij zichzelf betrouwbaar achten. Door de onwil van de gelovige om die zelfkennis te verkrijgen, kan de Heilige Geest hem niet openbaren wat in Gods ogen zijn ware aard is. Daardoor wordt de Here gedwongen om pijnlijke middelen in te zetten om de gelovige zichzelf te leren kennen. Het middel dat Hij daarvoor het vaakst gebruikt is de gelovige laten struikelen. …


   Hoewel de Here ‘ik’ heel sterk haat, is de houding van gelovigen tegenover het ‘ik’ heel anders. Ze vinden het heerlijk om op het ‘ik’ te vertrouwen, het ‘ik’ te koesteren en het ‘ik’ de eer te geven. Hun ware ‘ik’ kennen zij niet, noch weten ze hoe onrein, verdorven en zwak het ‘ik’ in Gods ogen is. Het ontbreekt hun aan goddelijk inzicht hierin. Kortom, ze kennen zichzelf niet. Als zij in zo’n situatie vooruitgang boeken en een groeiend aantal successen en overwinningen behalen, zal hun zelfleven alleen maar gevoed worden, groeien en daardoor moeilijker te verloochenen zijn. Elke keer wanneer ze een goede daad verrichten, raken ze iets verder van Gods leven vandaan. Telkens wanneer ze iets meer van hun eigen kracht gebruiken creëren ze iets meer afstand tussen zichzelf en de Heilige Geest. Meer succes betekent meer eer voor het ‘ik’, waarmee het slechte leven van het ‘ik’ voortleeft. …


   God heeft geen ander doel dan u aan het eind van uzelf te brengen, zodat u uzelf leert kennen. Dat is de reden waarom u, als u hebt gestreden voor een overwinning, toch soms faalt. Wat hebt u gehuild, geworsteld, gestreden, uw best gedaan, gebeden, gewerkt en gezwoegd, u hebt alle mogelijke middelen ingezet om de zonde te overwinnen en heilig te worden, maar toch eindigde het in een nederlaag. Hoewel u soms een kleine overwinning behaalde, was die overwinning maar tijdelijk. U hebt uw best gedaan om die te behouden, maar die vloog weer weg als een vogel. U besloot dat u slechter was dan anderen, en dat u daarom geen overwinning kon behalen. Zulke ervaringen krijgt u omdat God u op die manier meer licht op uw ‘ik’ wil geven. Het is niet zo dat u te verdorven was om een overwinning te behalen; veeleer was het omdat u niet verdorven genoeg was in uw eigen ogen om de overwinning te kunnen behalen. U moet beseffen dat u het zelf was die huilde; u was het die streed en vocht, u was het zelf die bad en uw best deed, u werkte en zwoegde zélf. U was zelf actief en u deed het ook allemaal voor uzelf. …


   Hoeveel tranen worden er tegenwoordig niet geplengd vanwege het ‘ik’ - en niet om de zonde zelf - dat niet in staat is om de verwachte ‘goedheid van een gelovige’ te bereiken. Veel zoeken, bidden en geloven lijkt op God gericht te zijn, maar in al deze pogingen zit waarschijnlijk de verwachting het zelf goed te kunnen doen. Daarom staat God toe dat u telkens opnieuw verslagen wordt, zodat u uiteindelijk de volkomen verdorvenheid van het vlees inziet. En wanneer uw zwakte door deze nederlagen wordt bewezen, hoopt God dat u uw ware ‘ik’ leert kennen, dat u vervolgens het ‘ik’ opgeeft en overgeeft aan Hem, en uw vertrouwen volkomen op Hem gaat stellen.
   Elke nederlaag moet u wat meer zelfkennis geven. Na elk falen zou u wat meer inzicht in uw zwakheid moeten hebben. Na elke zonde zou u minder van uzelf moeten verwachten en meer bereid moeten zijn om niet meer op uzelf te vertrouwen. Toch brengt elke val vaak meer worstelingen en strijd met zich mee. Het ‘ik’ wordt versterkt in plaats van verzwakt. Hoe zinloos is het als iemand om hulp roept terwijl hij het principe van het kruis niet aanvaardt om zijn ‘ik’ te oordelen. …


   God zal een gelovige laten falen totdat hij gewillig erkent: ‘Ik ben verkocht onder de zonde! Er woont geen goed in mij!’ Pas op dat moment weet hij dat hij hopeloos en hulpeloos is totdat een macht van buitenaf hem helpt. Dan zal hij uitroepen: ‘Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen (…)?’ (Rom. 7:24) Wanneer hij echt beseft hoe verdorven hij is, zal hij weten en erkennen dat, tenzij Christus hem redt, hij de zonde niet kan overwinnen. …


   In elke zonde zien we het ‘ik’ aan het werk. Hoewel mensen vandaag zonden indelen in een ongekend aantal categorieën, is er strikt genomen maar één basiszonde: alle gedachten en daden die gerelateerd zijn aan het ‘ik’ zijn zonden. Met andere woorden, hoewel het aantal zonden in de wereld inderdaad astronomisch is, schuilt er eenvoudigweg maar één principe achter elke zonde, namelijk dat alles ertoe dient om het ‘ik’ te bevredigen. Alle zonden worden begaan ten behoeve van het ‘ik’. Als het element van het ‘ik’ ontbreekt, is er geen sprake van zonde. Laten we dit punt iets verder uitdiepen.
   Wat is trots? Is dat geen zelfverheffing? Wat is jaloezie? Is jaloezie niet de angst om verdrongen te worden? Wat is wedijver? Niets minder dan een krachtig streven om anderen te overtreffen. Wat is boosheid? Boosheid is een reactie op het verlies dat het ‘ik’ lijdt. Wat is overspel? Het volgen van de lusten en begeerten van het ‘ik’. Wat is lafheid? Is dat niet het koesteren van de zwakheid van het ‘ik’? Nu is het onmogelijk om elke zonde te noemen, maar als we ze allemaal, een voor een, bekeken, zouden we ontdekken dat het principe achter elke zonde steeds hetzelfde is: het heeft altijd te maken met het ‘ik’. Waar zonde is, daar is het ‘ik’ werkzaam. En waar het ‘ik’ werkzaam is, zal er zonde voor Gods aangezicht zijn.
   Als we echter naar de vrucht van de Heilige Geest kijken - een manifestatie van het christelijk getuigenis - zien we al snel het tegenovergestelde: dat die uit niets anders dan onzelfzuchtige daden bestaat. Wat is liefde? Liefde is het liefhebben van anderen zonder aan jezelf te denken. Wat is vreugde? Dat is naar God kijken, ongeacht hoe je er zelf aan toe bent. Geduld is de eigen moeilijkheden opzij zetten. Vrede is geen acht slaan op geleden verliezen. Vriendelijkheid is aan de eigen rechten voorbijgaan. Nederigheid is de eigen verdiensten vergeten. Matigheid is het ‘ik’ onder controle hebben. En trouw is zelfbeheersing. Als we elke christelijke deugd bekijken, zullen we ontdekken dat een gelovige naast de bevrijding van het ‘ik’ of het vergeten van het ‘ik’ geen andere deugden heeft. De vrucht van de Heilige Geest wordt door één principe bepaald: het volkomen afleggen van het ‘ik’. …


   De Here kijkt niet naar het goede of het kwade van iets; Hij kijkt naar de bron. Hij ziet uit welke kracht iets wordt gedaan. God is met niets anders tevreden dan met Zijn eigen wil. Behalve in Zijn eigen kracht is Hij in geen enkele andere kracht geïnteresseerd. Mocht een gelovige nog iets beters kunnen doen dan de wil van God, dan zou Hij nog steeds de daad veroordelen en vinden dat de gelovige heeft gezondigd.
   Klopt het dat al uw werken en alles wat u najaagt naar Gods wil is? Of zijn het alleen maar uw eigen, onafhankelijke beslissingen? Komen uw werken uit God voort? Of worden ze gedaan naar uw eigen ideeën? Al onze onafhankelijke acties, ongeacht hoe uitmuntend of deugdzaam ze lijken te zijn, zijn voor God niet aanvaardbaar. Alles wat wordt gedaan zonder dat daarin de wil van God gekend wordt, is een zonde in Zijn ogen. Alles wat niet in afhankelijkheid van Hem wordt gedaan, is ook zonde. …


   De betekenis van de vrucht van de boom der kennis van goed en kwaad is niets anders dan actief zijn buiten God om, doen wat men zelf goed vindt, haastig handelen en niet in staat zijn om te wachten op de kennis van God, die Hij nog niet gegeven heeft, en niet vertrouwen op de Here, maar proberen op onze eigen manier vooruitgang te boeken. Al deze dingen kunnen we in één zin samenvatten: onafhankelijkheid van God. En dat was de eerste zonde die de mens beging. God is ontstemd over de mens die zich van Hem afkeert en onafhankelijk van Hem optreedt. Hij wil namelijk dat de mens op Hem vertrouwt.
   Het doel van de Here met het scheppen én het redden van de mens is dat de mens zijn vertrouwen op God stelt. Dat is ook de betekenis van de boom des levens: eenvoudig gezegd is het vertrouwen. ‘Van alle bomen in de hof moogt gij vrij eten’, zei God tegen Adam, ‘maar van de boom der kennis van goed en kwaad, daarvan zult gij niet eten.’ Van alle bomen waarvan het fruit gegeten mocht worden, noemde God in het bijzonder de boom des levens, in schril contrast met de boom der kennis van goed en kwaad. ‘En de boom des levens in het midden van de hof, benevens de boom der kennis van goed en kwaad.’ Nu we gezien hebben dat God specifiek de boom des levens noemt, moeten we beseffen dat van alle bomen met eetbare vruchten deze de belangrijkste is. Daar had Adam het eerst van moeten eten. Waarom is dat zo? …


   De boom des levens staat symbool voor het leven van God, het ongeschapen leven van God. Adam is een geschapen wezen, en daarom bezit hij geen ongeschapen leven. Hoewel hij nog zonder zonde is op dat moment, is hij nog wel natuurlijk (een ‘natuurlijk’ mens), omdat hij het heilige leven van God nog niet heeft ontvangen. Het doel van God is dat Adam uit eigen beweging van de vrucht van de boom des levens eet, zodat hij met God verbonden wordt in het goddelijke leven. Zo zou Adam zich van een door God geschapen wezen veranderen in een uit God geboren wezen. Wat God van Adam vraagt, is eenvoudigweg dat hij zijn eigen geschapen, natuurlijke leven verloochent en zich met Hem in het goddelijke leven verenigt, zodat hij dagelijks door het leven van God kan leven. Dat is de betekenis van de boom des levens. De Here wilde dat Adam door dat leven zou leven, door het leven dat hij in het begin nog niet had.


The Messenger of the Cross  106-107, 109-110, 116-117, 130-131, 134-137