Deze tekst is auteursrechtelijk beschermd.

De eeuwige straf


door Robert Govett


Lees hier de inleiding door ds. G. Hette Abma.

Hoofdstuk 4


De onsterfelijkheid van de ziel, of het eeuwige voortbestaan van alle mensen


   De onsterfelijkheid van de menselijke ziel kan aan de hand van de Schrift zeker bewezen worden. Maar toch is het feit dat er in de Schrift geen passages te vinden zijn die de onsterfelijkheid van de menselijke ziel heel direct bevestigen, een van de belangrijkste oorzaken van de toename van de leer dat de straf niet eeuwig is. Ongetwijfeld werden velen verrast door het bedrag van honderd pond dat is uitgeloofd aan een ieder die een tekst kan noemen waarin de natuurlijke onsterfelijkheid van de menselijke ziel bevestigd wordt. Maar tot nu toe heeft niemand zo’n tekst kunnen vinden; en de inhoud van de portemonnee van degene die het bedrag heeft uitgeloofd blijft ook veilig, terwijl de leer van het eeuwige voortbestaan in heerlijkheid of pijn wel degelijk door de heilige Schrift geleerd wordt. Het feit dat er geen passage in de Schrift gevonden is die hier letterlijk op wijst, heeft er echter toe geleid dat de zoektocht de verkeerde kant op is gegaan.
   De uitdrukking ‘de onsterfelijkheid van de ziel’ is geen bijbelse uitdrukking. Zij is afkomstig uit de Griekse filosofie. De wijsgeren van weleer vroegen zich af: ‘Overleeft de ziel de dood? Blijft hij zijn bewustzijn behouden aan de andere kant van het graf? Zal hij voor eeuwig blijven bestaan?’ Gedurende hun onderzoek kwamen Socrates en Plato tot bepaalde ‘waarschijnlijkheden’ waar het menselijke verstand niet bij kan komen. Maar de wijsgeren van weleer ontkenden de leer van de Schrift over de opstanding van de mens uit de dood, naar lichaam en ziel. Ze wezen de leer van de opstanding van het lichaam af op twee gronden: ten eerste zou dat onmogelijk zijn, zelfs voor God; en ten tweede zou het, ook al zou het mogelijk zijn, voor de mens totaal onwenselijk zijn. Want volgens hun opvattingen was materie de oorzaak van de zonde. Omdat de ziel werd ‘verzonken’ of ‘ondergedompeld’ in een materieel lichaam, is hij besmet geraakt met het kwaad. En de filosofen bestudeerden daarom hoe de ziel bevrijd kon worden van het lichaam. Voor deze mensen was de dood dan ook een verlossing van dat wat belemmerend en onrein was.
   Met deze opvattingen gaan zij in tegen het getuigenis van het Woord van God, dat ons laat zien dat de zonde iets is wat in de ziel en de geest van de mens begint, en dat de dag van blijdschap en heerlijkheid voor de mens die dag is waarop het lichaam, verlost van zijn natuurlijke neiging om het kwade te doen, de eeuwige metgezel van de geest en de ziel zal zijn. Vanaf dat moment is het lichaam een geestelijk lichaam. Langs deze lijn van onderzoek zullen de bewijzen in de Schrift ons leiden tot duidelijke conclusies. De Schrift spreekt niet over ‘de onsterfelijkheid van de ziel’, omdat die zinsnede juist een leer ondersteunde die tegengesteld was aan die van de Schrift. Maar zij leert wel het eindeloze voortbestaan van de mens, naar lichaam en ziel - óf ‘in het leven’ (dat is in de eeuwige heerlijkheid), óf onder het oordeel en de straf en in het vuur (dat is in de eeuwige ellende).


I. Ik stel voor om eerst te kijken naar het bestaan van de van het lichaam afgescheiden ziel vanaf het moment van de dood tot aan het oordeel.


II. Vervolgens kijken we naar het bestaan van de persoon, verenigd naar lichaam en ziel, vanaf het oordeel tot in eeuwigheid.


   I. De ziel bestaat na de dood nog steeds en is volkomen bij bewustzijn, tot aan de dag van het oordeel.
   Omdat ik hier al vanuit een ander gezichtspunt over heb gesproken, zal ik kort zijn.
   1. In het Oude Testament lezen we dat Samuël stierf en begraven werd in Rama (1 Sam. 25:1). Maar een aantal jaren later verscheen hij aan Saul in Endor, toen een vrouw die doden kon bezweren, zijn geest door middel van haar bezweringen gebood de terneergeslagen koning te antwoorden (1 Sam. 28). Ze riep hem op vanuit het dodenrijk en voorspelde dat Saul de volgende dag zou worden verslagen en zou sterven. Maar sommigen denken dat het een geest was die deed alsof hij Samuël was, of dat het de heks zelf was die Saul op deze manier bedroog. Laat die mensen theoretiseren zo veel ze willen: het is Gods getuigenis dat het Samuël was die sprak, en dat wordt vijf keer herhaald.
   2. In het Nieuwe Testament leert Jezus dat de ziel het levenloze lichaam overleeft, zelfs als iemand door geweld om het leven is gebracht: ‘En weest niet bevreesd voor hen, die wél het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden; weest veeleer bevreesd voor Hem, die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de hel’ (Matt. 10:28). Hieruit leren we dat de ziel de dood overleeft. Na de dood zal God alle mensen opwekken en sommigen, verenigd naar lichaam en ziel, in de eeuwige verblijfplaats van de verlorenen werpen om daar het eeuwige proces van verderf of de eeuwige ellende te ondergaan. Het gaat dan dus niet alleen over de zogenaamde ‘tussentoestand’ en het bewijs dat de ziel daarin bestaat, maar ook over het bestaan van de mens na de opstanding.
   3. Onze Here geeft ons in het verhaal over de rijke man en Lazarus twee voorbeelden van het voortbestaan van de ziel na de dood - een voortbestaan in heerlijkheid of in pijn en ellende, vóór de dag van het oordeel (Luc. 16:19-31).
   4. Judas toont ons dat de inwoners van Sodom op dit moment de toorn van God ondergaan in een vuur dat nooit ophoudt te bestaan (Judas 1:7). En Petrus bevestigt dit in 2 Petrus 2:9 door te zeggen dat zij onder de straf bewaard worden tot aan de dag van het oordeel. Hoewel de goddelozen door de dood aan de ellende lijken te ontsnappen, is dat niet zo. Ze worden gevangengenomen en vastgehouden in een plaats die niet door ons gezien kan worden, waar zij een enigszins lichtere vorm van lijden ondergaan dan het lijden dat hun wordt toebedeeld na het oordeel. Dit lijden bereidt hen als het ware voor op het lijden na het eeuwige oordeel. Dit wordt ook gezegd van mensen die schuldig waren voordat de wet van Mozes er was.
   5. Hoe het met onze Here ging na Zijn dood, wordt ons heel duidelijk en in al zijn bijzonderheden voor ogen gesteld. Israël liet Jezus door de hand van de Romeinen doden, en Zijn lichaam werd in een graf gelegd. Maar omdat Hij de Heilige van God was, oefende het verderf - dat een gebruikelijk gevolg is van de dood - geen invloed uit op Zijn lichaam. Bij Zijn dood daalden Zijn ziel en geest af naar de hades , de plaats waar de zielen van de doden worden vastgehouden tot aan de opstanding. Daar predikte Hij, als geest, tot sommige andere geesten. En nadat Hij uit de dood was opgestaan, is Hij uiteindelijk opgevaren naar de hemelen, om daar te verblijven in de vreugdevolle nabijheid van de Vader (Hand. 2; 1 Petr. 3:17-22; 4:5-6).
   6. In het uur van Zijn dood beloofde Jezus de berouwvolle rover een plaats met Hem in het paradijs (Luc. 22:43). En dat is een plaats ergens in het hart van de aarde. Want Jezus zou daar, volgens Zijn eigen woorden, gedurende de drie dagen van Zijn dood verblijven (Matt. 12:39-40).
   7. Bovendien kunnen we uit deze uitzonderlijke woorden van onze Here en uit de woorden van Petrus over David opmaken dat het gebruikelijke lot van de mens (verlosten en verlorenen) is dat, hoewel hun lichamen vergaan in het graf, hun zielen in de hades voortbestaan, maar dat het hun uiteindelijke lotsbestemming is dat hun zielen uit die plaats van bewaring komen en verenigd worden met hun lichamen om er nooit meer van gescheiden te worden (Hand. 2:29-34).


   II. Maar dit brengt ons bij ons tweede punt. De ziel zal nadat hij uit de hades opgekomen is, voor eeuwig verenigd worden met het lichaam dat hij verlaten had en voor eeuwig in de heerlijkheid of in de plaats van pijniging zijn, al naar gelang het oordeel van de Rechter.
   1. Want zowel de verlosten als de verlorenen zullen opstaan. Want ‘ik hoop van God (zegt Paulus), gelijk ook dezen zelf het verwachten, dat er een opstanding van rechtvaardigen en onrechtvaardigen zal zijn’ (Hand. 24:15; Dan. 12:1).
   2. En de Here zelf zegt het als volgt: ‘(…) want de ure komt, dat allen, die in de graven zijn, naar Zijn stem zullen horen, en zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, wie het kwade bedreven hebben, tot de opstanding ten oordeel’ (Joh. 5:28-29). Het eeuwige leven behoort aan de gelovige en het is al begonnen in zijn ziel: maar hij heeft de verlossing van het lichaam nodig om zijn heerlijkheid te vervolmaken. Jezus beloofde dat dit op de laatste dag verwezenlijkt zal worden (Joh. 5:39, 47; 6:51; Rom. 8:23).
   3. Maar het getuigenis van 1 Korinthiërs 15:20-28 is in verband met dit onderwerp van het allergrootste belang en lijkt mij doorslaggevend te zijn:


   ‘Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, als eersteling van hen, die ontslapen zijn. Want, dewijl de dood er is door een mens, is ook de opstanding der doden door een mens. Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden. Maar ieder in zijn eigen rangorde : Christus als eersteling, vervolgens die van Christus zijn bij Zijn komst; daarna het einde, wanneer Hij het koningschap aan God de Vader overdraagt, wanneer Hij alle heerschappij, alle macht en kracht onttroond zal hebben. Want Hij moet als koning heersen, totdat Hij al zijn vijanden onder Zijn voeten gelegd heeft. De laatste vijand, die onttroond wordt, is de dood, want alles heeft Hij aan Zijn voeten onderworpen. Maar wanneer Hij zegt, dat alles onderworpen is, is blijkbaar Hij uitgezonderd, die Hem alles onderworpen heeft. Wanneer alles Hem onderworpen is, zal ook de Zoon zelf Zich aan Hem onderwerpen, die Hem alles onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen.’


   Het hoofdstuk is verdeeld in zeven delen, en dit is het derde deel. Paulus weerspreekt in de eerste vier delen degenen die de mogelijkheid van een opstanding ontkennen. Deze misvatting weerlegt hij door bewijzen voor de opstanding van Jezus aan te dragen. En als Jezus is opgestaan, is de opstanding niet onmogelijk. Maar daarna argumenteert hij op basis van dat bewezen feit verder: ‘Als Christus is opgestaan, zullen de doden zonder uitzondering opstaan.’ Jezus is opgestaan als de eersteling van hen die ontslapen zijn, van de ‘slapers’ of ‘slapenden’ , in Zijn hoedanigheid van eersteling. Nu veronderstelt dit dat de rest van de slapers zullen volgen, net zoals de eersteling van de oogst een waarborg was voor de rest van de oogst. Jezus is de ‘eerstgeborene uit de doden’ (Kol. 1:18); ‘de eerstgeborene van de doden’ (Openb. 1:5 - NBV). Als ‘eerstgeborene uit de doden’ is hij de aanvoerder, de belangrijkste persoon van de eerste opstanding. Maar als ‘eerstgeborene van de doden’ is Hij de voornaamste van de mensen, een voorbeeld van de opstanding van alle mensen.
   Vers 21: ‘Want, dewijl de dood er is door een mens, is ook de opstanding der doden door een mens.’
   God heeft in Zijn verlossingsplan een wijze symmetrie ingebouwd. Een enkel individu heeft door zijn overtredingen de dood in de wereld gebracht. De dood is door hem op alle mensen overgedragen. Op dezelfde manier heeft de Rechtvaardige de opstanding geïntroduceerd als resultaat van Zijn gehoorzaamheid en dood. Adam zondigde niet alleen - hij werd niet als enige tot de dood veroordeeld. Het gehele zondige geslacht stierf in Adams dood. Zo is ook Christus niet alleen opgestaan, maar allen met Hem. Zoals de oorzaak en het begin van de dood en het verderf door één persoon in de wereld gekomen zijn, zo komt er leven uit de dood en uit het graf tevoorschijn door de gerechtigheid en de dood van Gods Heilige. De eerste Adam werd overwonnen, en Satan kreeg de macht van de dood en bracht daardoor vele lichamen onder de onontkoombare slavernij van het verderf in het graf. Maar de laatste Adam (de tweede mens) heeft Satan overwonnen en daardoor is deze zijn recht op de dood kwijtgeraakt. Dit toont ons de realiteit van Jezus’ mens-zijn; Hij is net zo waarlijk mens als Adam dat was.
    ‘De opstanding van de doden’ betekent ‘van de doden in het algemeen, van alle doden’. Dat is de algemene betekenis van die zin. En dat wordt ook door het vers bevestigd. Daarom kan niemand die zich onderwerpt aan het Woord van God de opstanding van alle mensen ontkennen, die zoals we gezien hebben ook wordt geleerd in Johannes 5:28-29 en Handelingen 24:15. God heeft de mens naar Zijn eigen beeld geschapen. Zelfs na de zondeval wordt dit nog steeds gezegd (Gen. 9:6). Het was door het gemeenschappelijke werk van Adam en Satan dat dit beeld van God in de dood en het verderf werd gestort. Maar de Zoon van God nam die natuur aan en zal door Zijn macht de vergane lichamen en de zielen van alle mensen uit de aarde omhoogtrekken. Jezus is ‘de eerstgeborene van de doden’; dat betekent dat geen enkele eerdere geschiedenis van een ‘opstanding uit de dood’ gezien mag worden als een werkelijke opstanding. De opstanding van Jezus is het eerste voorbeeld van wat de opstanding hierna zal zijn. Het is een binnengaan in ‘een onvernietigbaar leven’ (Hebr. 7:16; Rom. 6:9) (Grieks). Als Jezus de doden zal opwekken, zal dat daarom niet het herstel van het sterfelijke lichaam zijn, zoals bij de eerdere voorbeelden van onvolmaakte opstanding die aan Zijn opstanding vooraf zijn gegaan.
   Vers 22: ‘Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden.’
   Hier worden de twee individuen nader gespecificeerd. Ze zijn allebei hoofden en vertegenwoordigers van de mensheid. Alle mensen zijn ‘in Adam’, omdat zij naar het vlees van hem afstammen en door God als één met hem beschouwd worden. Alle mensen zijn ook ‘in Christus’, niet geestelijk, maar als deelgenoten van hetzelfde vlees als Hij, de laatste Adam (de tweede mens). De dood die iedereen van Adam overerft is de lichamelijke dood: het leven dat iedereen van Christus zal ontvangen is ook lichamelijk leven. Het ‘levend maken’ in dit vers beantwoordt aan ‘de opstanding van de doden’ in het vorige vers. Gelovigen zijn geestelijk al levend in Christus; de goddelozen zijn geestelijk dood en zij zijn geestelijk gezien geen leden van Christus, maar zij blijven na hun lichamelijke opstanding voor eeuwig geestelijk dood. Daarom is het leven dat hun gegeven wordt lichamelijk leven.
   Niet weinigen lezen dit vers verkeerd. Ze lezen het alsof er staat: ‘Zoals allen (die) in Adam (zijn) sterven, zo zullen allen (die) in Christus (zijn) levend gemaakt worden’, waarbij ze het woord ‘allen’ voor ‘in Adam’ en ‘in Christus’ zetten, alsof ‘allen’ beperkt zou worden door de uitdrukking ‘in Adam’ en ‘in Christus’, alsof er een groep mensen zou zijn die óf alleen in Adam óf alleen in Christus is. Maar de Geest heeft het niet zo laten opschrijven. Er staat: ‘Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden.’ En dus niet: ‘Allen die in Christus zijn, zullen levend gemaakt worden.’ Maar: ‘Omdat alle mensen in Christus zijn, zoals ze ook allemaal in Adam zijn, zullen allen levend gemaakt worden.’ Het woord ‘allen’ heeft in beide woordgroepen, die beide hetzelfde gewicht hebben, dezelfde strekking. Hier wordt natuurlijk niet ontkend dat allen die in Christus zijn - de leden van Zijn lichaam - zullen opstaan. Het is alleen niet die waarheid die hier wordt verkondigd.
   De apostel houdt zich hier bezig met het universele aspect, niet met het individuele, zoals daarna ook blijkt. In de laatste drie delen van het hoofdstuk houdt hij zich vooral bezig met de opstanding van hen die gered zijn, of ‘de opstanding van de rechtvaardigen’. Maar hier vertelt hij ons wat er gaat gebeuren met het hele menselijke geslacht, dat aan de dood is overgeleverd door Adams zonde. En over dat menselijke geslacht wordt gezegd: ‘Allen zullen levend gemaakt worden.’ Hier wordt het leven dus gezien als de toekomst voor hen die buiten Christus zijn, en dat betekent het einde van de leer van de annihilationisten. Het is een lichamelijk en eindeloos leven dat het hele menselijke geslacht aan Christus ontleent: ‘In Christus zullen allen levend gemaakt worden.’ Wat ‘allen’ aan Christus ontlenen, is niet het geestelijke leven, en daarom moet het wel lichamelijk zijn, en het is ook iets wat pas in de toekomst verkregen wordt.
   Omdat de volgenden in de rangorde van de opstanding (na die van Hemzelf) degenen zijn die van Christus zijn wanneer Hij van de hemel afdaalt naar de lucht vóórdat Zijn Koninkrijk begint, is het duidelijk dat de laatste rangorde voornamelijk zal bestaan uit hen die niet van Christus zijn. Dat zijn ‘de overige doden’ van Openbaring 20:5; zij worden onderscheiden van hen die zijn aangewezen om met Hem te heersen. De incarnatie heeft Christus met heel de mensheid verbonden; en omdat heel de mensheid deelheeft aan het vlees waaraan ook Christus deelheeft, zal ook de hele mensheid opstaan. De wedergeboorte heeft aan sommige mensen een andere link met Christus gegeven, door hen met Christus te verbinden. Zij zijn deelgenoten van Zijn Geest en daardoor heeft hun opstanding voorrang, omdat zij meer waardig zijn dan de overige doden. De verlorenen worden vooral opgewekt als een bewijs van de macht die Christus over al Zijn vijanden heeft: zij die gered zijn worden opgewekt als het bewijs van Jezus’ macht voor Zijn vrienden.
   Jezus is ‘de Opstanding en het Leven’. Daarom is de dood voor altijd krachteloos gemaakt door het leven en wordt het lichamelijke verderf door de opstanding beëindigd. De dood kreeg macht door de eerste Adam en wierp de zondige mensenkinderen in het graf. Maar de dood is door de laatste Adam machteloos gemaakt, omdat Hij degenen die de eerste Adam als gevangenen had overgeleverd aan het graf, weer opwekt. Nadat de dood op deze manier voor allen is beëindigd, kunnen de bozen niet (meer) sterven. Maar dit einde van de dood begint pas bij de opstanding, en de opstanding vindt plaats voordat de bozen worden geoordeeld. Het is dan ook zinloos om de dood opnieuw te introduceren als iets wat de bozen na hun opstanding nog zal treffen, want het gaat in tegen het getuigenis van de Schrift. Dit is geen universalisme, omdat het niet spreekt over het geestelijke leven dat Christus geeft. ‘Maar zullen allen dan tegelijkertijd opstaan?’ Nee! Dat lezen we in het volgende vers. Vers 23: ‘Maar ieder in zijn eigen rangorde : Christus als eersteling, vervolgens die van Christus zijn bij Zijn tegenwoordigheid’ (Grieks). Het verschil in de verbinding met Christus vormt de basis voor het verschil in het tijdstip van de opstanding. In het leger van de slapenden zullen er verschillende bataljons zijn, onderscheiden door het verschil in het tijdstip waarop zij zullen opstaan. Dat zijn de volgende twee tijdstippen: (1) het eerste vóór het koninkrijk; (2) het tweede daarná. De duur van de zevende bazuin is ‘de tijd van de doden’. De rechtvaardigen worden opgewekt uit de dood omdat de Heilige Geest in hen woont, waardoor hun lichamen Zijn tempel(s) zijn geworden (Rom. 8:10-11).
   Deze passage uit de brief aan de Korinthiërs laat echter een bijzonder probleem zien voor hen die het Koninkrijk van God als het resultaat van de komst van de Heiland willen zien. Dit probleem ontstaat door de dubbelzinnigheid in onze vertaling van het kleine Griekse woordje dat vaak met ‘dan’ wordt vertaald. Dat betekent in dit voorbeeld niet ‘op dat moment’ , maar het betekent ‘daarna/vervolgens’, zoals dat vaker het geval is en zoals het ook in de Nederlandse NBG-vertaling van 1951 is weergegeven. Het is een voorzetsel dat volgorde aangeeft en daarmee aanduidt dat datgene waarmee het verbonden is, komt ná hetgeen ervoor genoemd is. Als Jezus neerdaalt uit de hemel - wat hier ‘Zijn tegenwoordigheid’ wordt genoemd - zullen de Zijnen opstaan en geroepen worden om Hem in de lucht te ontmoeten (1 Thess. 4). Daarna komt het Koninkrijk, als Hij met Zijn heiligen op de wolken verschijnt en het Koninkrijk in ontvangst neemt als de Zoon des mensen, en Hij degenen die waardig bevonden zijn een plaats geeft bij Hem.
    ‘Want Hij moet als koning heersen, totdat Hij al zijn vijanden onder Zijn voeten gelegd heeft’ (1 Kor. 15:25).
    ‘Daarna komt het einde, wanneer Hij het koningschap aan God de Vader overdraagt’ (1 Kor. 15:24). Hij heeft het van Hem ontvangen. Zijn heerschappij omvat het omverwerpen van alle andere heerschappijen, autoriteiten en machten. Want zo heeft de Vader het bedoeld, en het kan niet anders dan dat dat vervuld zal worden. Bij de aanvang van het Koninkrijk worden Zijn vijanden, die verzameld zijn als de legers van de aarde, vernietigd (Openb. 19:11-20). Aan het einde van het duizendjarig rijk leidt Satan, die dan nog eenmaal losgelaten wordt, de mensen op de aarde in enorme massa’s tot openlijke rebellie. Daarop volgt de vernietiging van de aarde en de opstanding van de overige doden (Openb. 20).
   Vers 26: ‘De laatste vijand die tenietgedaan wordt, is de dood’ (HSV). Want de dood blijft in het duizendjarig rijk bestaan voor de bozen, alsook voor de offerdieren die dan in de tempel van Jeruzalem gedood zullen worden (Jes. 65:20; Jer. 31:29-30). Het is pas na het einde van het duizendjarig rijk van Christus dat de dood ophoudt te bestaan. De dood houdt op te bestaan op de wijze die hierboven al beschreven is - door geven van leven aan alle mensen, dat is ‘de opstanding van de doden’. Nadat zij zijn opgewekt, zullen het lichaam en de ziel zo met elkaar verbonden worden dat ze nooit meer van elkaar gescheiden kunnen worden. Dit is het einde van de dood die door Adam in de wereld werd gebracht.
   De opstanding van alle mensen aan het einde van de duizend jaren heeft als oogmerk de vervulling van het doel waarmee het Koninkrijk van Christus aan onze Here werd gegeven. De apostel heeft zijn visie hierop ontleend aan Psalm 8 en 110. Psalm 8 spreekt over de macht die aan Christus is toegewezen, Zijn ‘vijanden ten spijt, om vijand en wraakgierige te doen verstommen’ (Psalm 8:3). Dit geeft naar mijn mening weer hoe de apostel denkt over de reden van het uiteindelijke uitdoven van de macht van de dood. De psalmist spreekt eerst over de vijanden in het algemeen en dan over één in het bijzonder. Nu is de dood merkwaardigerwijs de vergelder van de zonde. En omdat de dood de eerste was die zijn intrede deed, zal hij ook de laatste zijn die weggedaan wordt. Jezus wekt de overige doden dus op om daarmee de dood, de laatste vijand, tot een einde te brengen. Want de dood is niet alleen de vijand van de mens, maar hij is ook de vijand van de Messias, in zijn hoedanigheid als Zoon des mensen en als Zoon van David (Ps. 110). Hoe diep onze Here de macht van de dood als de vijand en vergelder van de zonde voelde, laten Gethsemane en het kruis ons zien. Maar als hij (de dood) uiteindelijk het doel van Gods gerechtigheid heeft gediend, wordt zijn kracht weggenomen. Deze laatste opstanding is ‘de opstanding ten oordeel’. Want de Vader zal de Zoon verhogen tot Zijn rechterhand om Zijn vijanden tot Zijn voetbank te maken. En nadat alle mensen zijn opgewekt, rijst de volgende vraag: ‘Zijn daar ook vijanden van Christus bij?’ Omdat de dood beëindigd is voordat hun oordeel begint, gaat de straf hierna door; zij zullen namelijk als vijanden van de Messias ‘onder Zijn voeten worden gelegd’ en aan Hem onderworpen worden (1 Kor. 15:25, 27-28).
   Hier wordt dus geen annihilatie geleerd. Een type van het ‘onder Zijn voeten leggen’ is te vinden in de beschrijving van de grote strijd die Jozua gevoerd heeft. De vijf koningen vluchtten nadat ze een nederlaag hadden geleden en verborgen zich in de spelonk bij Makkeda, waar Jozua hen gevangenzette gedurende de strijd. Na de overwinning werden deze koningen uit hun gevangenis gehaald en Jozua gebood zijn aanvoerders om hun voeten op de nekken van deze koningen te zetten (Joz. 10). En dat deden ze. Toen werd het land aan Israël onderworpen en rustte het van de oorlog.
   Deze visie wordt volledig ondersteund door Openbaring 20. Daar zien we eerst dat de Here neerdaalt uit de hemel met Zijn legermacht, waarbij Hij de legers vernietigt die tegen Hem zijn samengetrokken (Openb. 19). In het hoofdstuk dat erop volgt, wordt Satan gestraft en een tijdlang onderworpen, terwijl de heiligen die bij Christus horen duizend jaar met Hem regeren. Daarna wekt Satan, die voor een korte tijd wordt losgelaten, een groot deel van de mensen op tot rebellie, waarna hij voor eeuwig wordt gestraft. Daarna volgt de opstanding van ‘de overige doden’, die niet tot de ‘gezegenden en heiligen’ van de eerste opstanding behoorden. Hun eeuwige straf wordt hun daar aangezegd, terwijl de hemel en de aarde wegvluchten voor het aangezicht van Jezus, de Rechter. Dit laat ons de drie belangrijkste delen van de rangorde zien waarover ook de apostel Paulus spreekt: (1) Christus; (2) Zijn volk; (3) de overige doden.
   Deze waarheid wordt ook bevestigd in Psalm 8. Adam is de eerste mens die door zijn overtreding het koninkrijk dat aan hem gegeven was, kwijtraakte. Maar de Messias is de ‘mens’ en ‘de Zoon des mensen’ waarover deze Psalm spreekt. Adam was ‘mens’, maar niet ‘de Zoon des mensen’, en daarom slaan deze woorden niet in hun volheid en volledigheid op hem. Maar ze hebben wel volledig betrekking op Christus, op wie de Heilige Auteur ze op bepaalde plaatsen betrekt: ‘Gij doet hem heersen over de werken uwer handen, alles hebt Gij onder zijn voeten gelegd’ (v. 7). Christus is de triomferende Adam, zoals de eerste Adam de verslagen Adam was. Zijn zonden zorgden ervoor dat er allerlei vijanden opkwamen - vijanden die Christus zal onderwerpen en onder Zijn voeten zal houden.
Zo zullen er aan het einde van het koningschap van de Here dus twee belangrijke resultaten zijn:
   1. De macht van de dood om lichaam en ziel te scheiden wordt beëindigd. Daarom staan zelfs de doden op die niet het eigendom van Christus zijn - zij zullen niet meer sterven.
   2. Christus’ vijanden worden onder Zijn voeten gelegd - aan Hem onderworpen. Daarbij gaat het om de verloren mensen én engelen, en het suggereert eeuwige pijn als hun lot. Want zij blijven voor altijd vijanden van Christus, en hun verblijfplaats is de tweede dood. Hier zien we dus het lot dat bozen te wachten staat vanaf de dood tot het oordeel, en na het oordeel tot in eeuwigheid. Hun lot is de pijniging, geen annihilatie: zij zullen voor altijd in de poel van vuur verblijven.


WAT IS ONSTERFELIJKHEID?


   We stellen onszelf nu de vraag: wat bedoelt de Schrift met ‘onsterfelijkheid’? Het woord heeft zo veel nauw verwante, maar verschillende betekenissen dat het de lezer gemakkelijk op een dwaalspoor kan brengen. Er zijn twee belangrijke betekenissen die het woord in het Nieuwe Testament heeft:
   1. Het betekent ‘niet onderworpen zijn aan de dood’: vooral met betrekking tot God, maar in een afgeleide vorm ook met betrekking tot de engelen en de verlosten. Het Griekse woord dat hiervoor gebruikt wordt is athanasia (1 Tim. 6:16): ‘(…) [God] die alleen onsterfelijkheid heeft (…).’ Wie zal dat ontkennen? En wat zeggen de woorden die eraan voorafgaan? ‘Welke te zijner tijd de zalige en ENIGE HEERSER zal doen aanschouwen, de Koning der koningen en de Here der Heren, die alleen onsterfelijkheid heeft (…).’ Wordt door het feit dat ‘God de enige Heerser is’ ontkend dat er ook andere heersers zijn wier macht ontleend is aan Gods macht? Natuurlijk niet! De woorden die er direct op volgen zeggen immers dat Hij ‘de Koning der koningen en de Here der Heren’ is. Daaruit volgt: ‘Hij alleen onsterfelijkheid heeft’ is geen ontkenning van het feit dat anderen ook een leven kunnen bezitten dat ontleend is aan God zelf, een leven dat niet door de dood kan worden overwonnen, zoals dat van de engelen. De enige andere keer dat dit woord voorkomt, schrijft het onsterfelijkheid toe aan hen die leven wanneer Christus komt, en die dan door Hem veranderd worden (1 Kor. 15:53-54).
   2. ‘Het niet onderworpen zijn aan de vergankelijkheid’ is de andere betekenis van wat wij ‘onsterfelijkheid’ noemen (in het Grieks: aftharsia). Dit is natuurlijk ook eerst en vooral waar als het om God gaat. Zijn majesteit is ‘de majesteit van de onvergankelijke God’, volledig tegengesteld aan wat er over de mens gezegd wordt, namelijk dat hij ‘een vergankelijk mens is’ (Rom. 1:23; 1 Tim. 1:17). God is de ‘eeuwige Koning (Grieks), die niet onderworpen is aan de vergankelijkheid’, wat de menselijke koningen wel zijn.
   Dit tweede woord gebruikt Paulus in zijn brief aan de Korinthiërs om de toestand van de doden te beschrijven als ze uit het graf zijn opgewekt. Momenteel zijn ze in hun graven aan het verderf prijsgegeven, maar dan ‘zullen de doden onvergankelijk opgewekt worden’ en wij (de levenden) zullen veranderd worden. ‘Want dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen’ (1 Kor. 15:52-53).
   Dat wil zeggen dat de Heilige Geest ons een onderscheid voorhoudt waar we gemakkelijk overheen lezen. We spreken over de opstanding van de doden, maar we zijn geneigd voorbij te gaan aan de verandering die de levende heiligen moeten ondergaan voordat ze het Koninkrijk van heerlijkheid binnen kunnen gaan, waar zij niet meer aan de dood onderworpen zijn.
    (1) De levende mens is ‘sterfelijk’; hoewel hij in leven is, neigt hij naar de dood. Daarom krijgt hij een onsterfelijk lichaam.
    (2) Omdat de doden al door de dood heen zijn gegaan, hebben zij een lichaam dat nog in de greep is van de vergankelijkheid, van het verderf. In deze onvolmaakte, gebrekkige toestand introduceert de Here Jezus de ‘onvergankelijkheid’, wat voor de doden onsterfelijkheid betekent. En daarom beschrijft onze Here Zichzelf als ‘de Opstanding’ en ‘het Leven’. ‘Het Leven’ omdat Hij onsterfelijkheid geeft aan hen die in leven zijn bij Zijn komst; ‘de Opstanding’ omdat Hij hen die nu gevangen zitten onder de slavernij van de vergankelijkheid, uit hun graven tevoorschijn roept, naar een onvergankelijk lichaam. Zie ook Johannes 11:25-26.
   Dit geeft ook de betekenis weer van een tekst die vaak aangehaald wordt in het meningsverschil over dit onderwerp. Gods belofte van leven wordt nu, overeenkomstig Zijn eigen doel en genade, ‘geopenbaard door de verschijning van onze Heiland Christus Jezus, die de dood tenietgedaan en leven en onvergankelijkheid aan het licht gebracht heeft door het evangelie’ (2 Tim. 1:10 - TNT). De juiste vertaling zorgt er ook voor dat meteen het zwijgen wordt opgelegd aan hen die vaak triomfantelijk de volgende vraag stellen: ‘Als de onsterfelijkheid aan alle mensen toebehoort, en nog voordat Christus kwam ook al bekend was dat zij die hadden, hoe kon Hij die kennis dan aan het licht brengen?’ Bedenk hierbij allereerst dat deze dingen daarvoor al bestonden; hoe konden ze anders aan het licht gebracht worden? Wat Jezus aan het licht bracht, was dat de mens een eindeloos ‘leven’ in het lichaam zal hebben; en wat de doden betreft, zij zullen uit hun graven komen met lichamen die niet meer zullen vergaan, net zoals het lichaam van onze Here zelf, dat eens werd opgewekt, nooit meer zal vergaan.
   En hier vinden we ook een antwoord op de tweede vraag van de tegenstanders, die gebaseerd is op Romeinen 2:7. Op de dag van het oordeel zal God een ieder vergelden naar zijn eigen werken: ‘(…) hun, die, in het goeddoen volhardende, heerlijkheid, eer en onvergankelijkheid zoeken, het eeuwige leven’ (HSV). Als nu alle mensen bij de geboorte deelhebben aan deze onsterfelijkheid, waarom moeten de heiligen er dan naar zoeken?
   Het antwoord op deze vraag is duidelijk en kan gegeven worden door een andere vraag te stellen die veel tegenstanders zelf ook wel kunnen beantwoorden: ‘Als alle mensen, of ze het nu leuk vinden of niet, op zullen staan uit de dood (zoals u zegt), waarom streefde Paulus er dan zo naar dat hij ‘zou mogen komen tot de opstanding uit de doden’ (Fil. 3:11)?
   Ons antwoord hierop is dat Paulus verlangde naar de speciale en gezegende opstanding uit de doden, of de toegang tot een speciaal koninkrijk. En dat is ook hier ons antwoord. Hij spoort ons aan met de zojuist geciteerde woorden uit de brief aan de Romeinen om hetzelfde te zoeken. Het was zijn diepe verlangen dat hij deel zou krijgen aan de onvergankelijkheid op die dag dat velen in hun graven nog aan de vergankelijkheid onderworpen zullen blijven, ‘ten dage, dat God het in de mensen verborgene oordeelt volgens mijn evangelie, door Christus Jezus’ (Rom. 2:16; zie ook Gal. 6:8; 5:19-21 en Rom. 8:12, 13, 23). Het verwijt van de annihilationisten, namelijk ‘dat de leer van de onsterfelijkheid van de ziel wel de basis is van onze orthodoxe leer over de eeuwige pijniging, maar dat wij die simpelweg in geloof aannemen zonder die te kunnen bewijzen op grond van de Schrift, en dat wij dat ook nooit zullen kunnen doen, omdat de leer onbijbels is’, wordt door al deze argumenten met recht ongegrond verklaard.
   Eerder werd al gezegd dat de Schrift nooit spreekt over de onsterfelijkheid van de ziel als een afzonderlijke entiteit, los van het lichaam. De Schrift spreekt altijd over de opstanding als het opnieuw met elkaar verbinden van die delen van de mens die door de dood van elkaar gescheiden werden: lichaam, ziel en geest. Dan heeft de orthodoxie formeel gezien dus ongelijk, wat betreft de verwoording van deze kwestie, maar wat de diepere betekenis ervan betreft heeft ze juist wel gelijk. Alle doden zullen opstaan, en na de opstanding is er geen dood meer.
   Dat betekent dat er geen scheiding van ziel en lichaam meer zal zijn. De opstanding van de mens is dus het bewijs van de onsterfelijkheid van de ziel. Het bewijs voor de leer van de eeuwige pijniging is dus niet gebaseerd op argumenten die aan Plato zijn ontleend, maar op verklaringen in de Schrift, en vooral op de vonnissen waarvan zij zegt dat die zullen worden uitgesproken over en toegepast op de verlorenen. Zij zullen binnengaan in de eeuwige straf van het eeuwige vuur; zij zullen voor eeuwig worden gepijnigd in vuur en zwavel. De eeuwigheid van de pijniging vraagt dan ook om de eeuwigheid van het herrezen bestaan van de mens, naar lichaam en ziel.