Deze tekst is auteursrechtelijk beschermd.

De eeuwige straf


door Robert Govett


Ten geleide

   Geen attractief boek, zo kom je vrij snel tot een oordeel. Alleen die titel al: De eeuwige straf. Het zal er waarschijnlijk niet beter op worden als iemand in een boekwinkel de gelegenheid heeft een exemplaar door te bladeren. Dan ziet hij namelijk direct dat het een polemisch geschrift is. Tegenstanders krijgen de gelegenheid hun overtuiging uit te dragen, maar worden vervolgens door de schrijver fel bestreden. Dit blijkt niet op loze gronden te gebeuren, want Govett haalt legio teksten aan uit de Bijbel.
   Toch vind ik het een waardevol boek, waar ik graag een aanbeveling bij geef. Al moet ik toegeven dat de trant van schrijven erg gedateerd is. Zonder twijfel pakken wij het niet meer op deze manier aan. Maar hoe doen we het dan wel? Dat vormt de uitdaging voor allen die zich de moeite getroosten dit boek te lezen. Ik voel me er zelfs toe gedrongen eerlijk te bekennen dat ik dit boek graag veertig jaar geleden had gelezen, voordat ik namelijk startte met mijn inmiddels meer dan veertigjarige dienst als predikant. Het is me overigens wel altijd bijgebleven dat ik in de beginperiode las over een dominee die over het kerkhof liep en de graven wilde open krauwen om de mensen alsnog te kunnen vertellen wat hij helaas altijd angstvallig had verzwegen.
   Kortgeleden gaf een hoogbejaarde predikant in een interview te kennen dat hij nog maar heel weinig over de twee wegen hoort preken. Opmerkelijk dat iemand, die als zeer ruimdenkend bekend staat, zo’n opmerking maakt. Maar moet menig kerkganger niet tot de slotsom komen dat het er in zijn orthodoxe gemeente allemaal erg vlak en glad aan toegaat? De indruk wordt gewekt dat alles wel goed zal komen. Tijdens begrafenisdiensten dringt zich de gedachte aan hem op dat ieder overleden gemeentelid naar de hemel is gegaan. De familie wil het natuurlijk niet anders horen.
   Het verdient aanbeveling dat ieder beginnend predikant het boek van Robert Govett leest. Ook later kan dat natuurlijk nog altijd. Zonder als liefdeloze criticaster te willen optreden, doen gemeenteleden er goed aan hun voorganger op dit geschrift te attenderen. En waarom? Laat mij enkele argumenten noemen.
   We zijn aan God verplicht Zijn heilig Woord volstrekt ernstig te nemen. Wat specifiek geldt voor de Openbaring aan Johannes kunnen we ook van toepassing verklaren voor de hele Bijbel: ‘(…) en indien iemand afneemt van de woorden van het boek dezer profetie, God zal zijn deel afnemen van het geboomte des levens en van de heilige stad, welke in dit boek beschreven zijn’ (Openb. 22:19). Vroeger zeiden predikanten vaak dat het bloed van hun hand geëist zou worden. Wat dat betreft is er nog niets veranderd, al zullen we het tegenwoordig op een wat andere manier onder woorden brengen.
   Niet alleen in het Oude Testament, maar ook in het Nieuwe Testament horen we over een eeuwig oordeel. De profeet Daniël zegt: ‘Velen van hen die slapen in het stof van de aarde, zullen ontwaken, sommigen tot eeuwig leven, anderen tot smaad, tot eeuwig afgrijzen’ (Dan. 12:2). Johannes de Doper brengt eveneens een tweeledige boodschap: ‘Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven, maar wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem’ (Joh. 3:36). Vaak wordt hij gekwalificeerd als een boetgezant, daarom wil ik meteen wijzen op het feit dat Jezus als de meest zachtmoedige, liefdevolle mens meermalen sprak over de buitenste duisternis, waar het gejammer en tandengeknars is (Matt. 8:12; 13:42, 50; 22:13; 24:51 en 25:30). Aan al die ernstige waarschuwingen kunnen wij toch niet achteloos voorbijgaan?
   Altijd weer hebben mensen de voorstelling van een altijddurende straf afgewezen. Bekend is dat Origenes als een van de eersten kwam tot de leer van de apokatastasis (dat is de veronderstelling van de alverzoening), die echter steeds door de kerk is afgewezen. Later was het Marcion die de gedachte van de gerechtigheid, die zich manifesteert in de eeuwige straf, onverenigbaar achtte met de idee van de liefde. Dat is de ware God onwaardig, zo stelde hij. Het Oude Testament wees hij af en ook grote delen van het Nieuwe Testament moest hij schrappen. Ook zijn ketterse opvattingen werden verworpen door de orthodoxie. Toch komt een dergelijke gedachte steeds weer opnieuw naar voren, ook in onze tijd. De sympathieke dichter-dominee Geert Boogaard schreef bijvoorbeeld, dat hij niets moest hebben van de voorstelling van een hel: ‘Na Auschwitz kan ik niet meer geloven dat er een plaats is waar God er een concentratiekamp op nahoudt, de mensen pijnigt (…). In zo’n God geloof ik niet. Ik houd me vast aan het bijbelwoord, dat we naar een plaats gaan waar God alle tranen van onze ogen zal afwissen’ (Trouw, 17-09-1984).
   Dit brengt me tot een tweede argument om de lezing van het boek van Govett aan te raden. Hij legt er (in een apart hoofdstuk) de vinger bij dat mensen vaak geen goed beeld van God hebben. Vol ongeloof roepen ze: God is toch een God van liefde! Hoe kan Hij dan mensen voor altijd straffen? Maar - reageert de schrijver - God is ook rechtvaardig! Daarom haat Hij allen die bewust tegen Zijn wil ingaan. Ook de vergeving is trouwens een bewijs van Gods gerechtigheid, merkt de auteur terecht op. Daarom moest immers Zijn Zoon sterven aan het kruis tot verzoening van onze zonden. Wie het bloed van Christus afwijst, krijgt te maken met een meedogenloze toorn: ‘Als iemand de wet van Mozes tenietgedaan heeft, moet hij sterven zonder barmhartigheid, op het woord van twee of drie getuigen. Hoeveel te zwaarder straf, denkt u, zal hij waard geacht worden die de Zoon van God vertrapt heeft en het bloed van het verbond, waardoor hij geheiligd was, onrein geacht heeft en de Geest van de genade gesmaad heeft? Wij kennen immers Hem Die gezegd heeft: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Here. En verder: De Here zal het vergelden. Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God’ (Hebr. 10:28-31).
   Mensen die zichzelf christen noemen, schrijft Govett, durven te beweren dat het eeuwig oordeel over de zonde onrechtvaardig is. Dan is dus de Allerhoogste onrechtvaardig! Zulke mensen hebben weinig besef van de heiligheid van God. Direct spreken ze over de goedheid van God. Dat brengt hen tot de vraag: hoe kun je de eeuwige ellende van de verlorenen rijmen met de goedertierenheid van God? Daarop moeten wij reageren dat we toch niet de eisen van de gerechtigheid mogen negeren. ‘God is liefde’ (1 Joh. 4:16). Maar ook lezen we: ‘Onze God is een verterend vuur’ (Hebr. 12:29).
   Uit het boek Cur Deus homo (Waarom is God mens geworden), van Anselmus, is vooral één fundamentele uitspraak bekend geworden: ‘U weet niet van welk gewicht de zonde is.’ Wanneer we dit tot ons willen laten doordringen, is de uitspraak van Govett treffend: we vinden verhoudingsgewijs de zonde minder vreselijk dan de pijniging. In allerlei toonaarden klinkt telkens een zelfde vraag: kunnen de verlorenen niet vrijgelaten worden door de genade? God is immers oneindig goed. Dan vernemen we opnieuw: dat kan alleen als alle eisen van de waarheid en gerechtigheid vervuld zijn. Dat wordt bewezen door het offer van Christus.
   Dit behoeft niet onbekend in onze oren te klinken. Zo staat het immers ook in de belijdenis van de kerk der reformatie: ‘God is niet alleen ten hoogste barmhartig, maar ook ten hoogste rechtvaardig. En Zijn gerechtigheid (gelijk Hij Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft) vereist dat onze zonden, tegen Zijn oneindige Majesteit begaan, niet alleen met tijdelijke, maar ook met eeuwige straffen, beide naar ziel en lichaam, gestraft worden; welke straffen we niet kunnen ontgaan, tenzij aan de gerechtigheid van God genoeg is gedaan’ (Dordtse leerregels, hoofdstuk 2, artikel 1). Of ook in het leerboek van de kerk: ‘Wil God ongehoorzaamheid en afval ongestraft laten? Nee, allerminst, maar Hij is vreselijk vertoornd over de aangeboren en werkelijke zonden en wil die door een rechtvaardig oordeel tijdelijk en eeuwig straffen (…)’ (vraag en antwoord 10). ‘Is dan God ook niet barmhartig? God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig; daarom eist Zijn gerechtigheid dat de zonde, welke tegen de allerhoogste majesteit van God gedaan is, ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft wordt’ (vraag en antwoord 11).
   Het zou me niet verwonderen wanneer iemand met kromme tenen zit, terwijl hij deze regels leest. Maar ik kan het nog sterker zeggen. Terwijl ik dit schrijf, krijg ik er een deuk van in mijn ziel. Hoe ontzagwekkend is de Here! Dat mogen we niet verzwijgen. We zijn immers verplicht eerlijk met elkaar om te gaan. Dit geldt in het bijzonder voor de dienaren van het Woord der waarheid. Zij mogen toch niet om mensen te ontzien leugen en bedrog hanteren? Dit vormt eveneens een dringende reden om het boek van Govett te lezen. Direct kan daaraan de vraag gekoppeld worden of de gigantische kerkverlating niet te wijten is aan het feit dat dikwijls in de christelijke gemeente een verkeerde voorstelling van zaken wordt gegeven.
   Tevens moet het ons verontrusten dat er vaak zo weinig missionaire drang is bij christenen. Voor de duidelijkheid wil ik eraan toevoegen dat het niet mijn overtuiging is dat allen die het evangelie nooit gehoord hebben, voor eeuwig verloren gaan. Te lang heb ik catechisatie gegeven om niet te weten dat deze probleemstelling leeft bij veel jongeren. Steevast reageerde ik op hun vraag dat ze mij er ongewild toe verleidden op de rechterstoel van God te gaan zitten. Het oordeel kunnen we echter met een gerust hart aan Hemzelf overlaten. Hij is rechtvaardig en barmhartig. Wij hebben echter de verantwoordelijkheid het evangelie aan anderen bekend te maken. Met de woorden van de zendingstheoloog prof. dr. J. Verkuyl moeten wij zeggen dat we andere mensen het grootste onrecht aandoen, wanneer we hem of haar het evangelie onthouden.
   Het zou me niet verwonderen wanneer iemand mij op de man af wil vragen: bent u onverdeeld gelukkig met het boek van Govett? Om te beginnen wil ik dan zeggen dat het me voorkomt dat hij met een ander front te maken heeft gehad dan wij. Hij gaat voortdurend in tegen de gedachte van de annihilatie. Het oordeel zou dan betekenen dat mensen voor altijd tot niets vergaan. Een gedachte die bijvoorbeeld gehuldigd wordt door de Jehovah’s Getuigen. Velen zijn in onze tijd geboeid door de wijze waarop ds. J. Bonda de alverzoening verdedigt. Hij heeft aan zijn studie een veelzeggende titel meegegeven: Het ene doel van God - een antwoord op de leer van de eeuwige straf (Baarn, 1993). Bonda verzet zich tegen het idee dat God twee doelen zou hebben, waarbij een klein deel van de mensheid is uitverkoren tot de eeuwige zaligheid en het merendeel ertoe bestemd is voor eeuwig verloren te gaan. Maar dat is bijbels gezien een verkeerde voorstelling van zaken. Het blijft van belang tegen een dergelijke karikatuur de strijd aan te binden.
   Bonda verdedigt de voorstelling van de alverzoening met name op grond van wat Paulus heeft geschreven in de Romeinenbrief. Om enkele teksten te noemen: ‘Want allen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid van God, en worden om niet gerechtvaardigd door Zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus’ (Rom. 3:23-24 - HSV). En ook: ‘Daarom, zoals door één mens de zonde in de wereld is gekomen, en door de zonde de dood, en zo de dood over alle mensen is gekomen, in wie allen gezondigd hebben. (…) veel meer is de genade van God en de gave door de genade die er is door de ene mens Jezus Christus, overvloedig geweest over velen. En het is met de gave niet zoals het was door de ene die zondigde. Want de veroordeling leidde ten gevolge van één overtreding wel tot verdoemenis, maar de genadegave bij vele overtredingen tot rechtvaardiging. Want als door de overtreding van de ene de dood geregeerd heeft door de ene, veel meer zullen zij die de overvloed van de genade en van de gave van de gerechtigheid ontvangen, in het leven regeren door de Ene, namelijk Jezus Christus’ (Rom. 5:12, 14b-17 - HSV). Beslissend is dan de vraag of mensen die immense rijkdom van de genade ontvangen buiten het geloof in de Here Jezus Christus om. Zoals Govett veel bladzijden heeft volgeschreven om zijn tegenstanders een respons te geven, zo verdient Bonda uiteraard ook meer dan zo maar één enkele kritische opmerking! Reeds voor de verschijning van zijn boek heeft Andreas Symank dat al gedaan: Worden alle mensen gered? Gedachten over de leer van de alverzoening (’s-Gravenhage, 1989).
   Altijd is het de toon die de muziek maakt. Govett gebruikt nogal oorlogszuchtige taal. Hij schrijft bijvoorbeeld: ‘Achter deze machtige kanonnen sla ik mijn kamp op.’ En ook dat ‘een fort zal ingenomen moeten worden, voordat de stad der orthodoxie zich zal overgeven’ (pag. 94).
   Zo voerde men dus in de negentiende eeuw een discussie, maar zo doen wij dat niet in onze tijd. Wij argumenteren bij voorkeur niet met het gebruik van een overmaat van teksten. Zo’n aanpak komt al snel rationalistisch over. Het is daarom mooi dat de schrijver ook nog ‘een preek over de eeuwige straf’ in zijn boek heeft opgenomen (pag. 245). Het zal niemand verwonderen wanneer ik stel dat wij niet meer op die manier het Woord van God verkondigen. Toch is het ontroerend te lezen hoe Govett erop aandringt de genade niet te verachten en de Here Jezus als unieke Redder aan te nemen. We voelen aan hoeveel daarvan afhangt. Ouderwets gezegd: het eeuwig wel of het eeuwig wee. Daar kunnen we zeker wel onze winst mee doen!
   Het is prima als we mensen in een verdrietige situatie troosten met de bij velen geliefde woorden uit de Openbaring aan Johannes: ‘God zal alle tranen van hun ogen afwissen en de dood zal niet meer zijn; ook geen rouw, jammerklacht of moeite zal meer zijn.’ Deze tekst kwam al even voorbij. Maar het is niet correct als we de lezing uit de Openbaring beperken tot hoofdstuk 21:1-7 en niet het volgende vers erbij lezen: ‘Maar wat betreft de lafhartigen, ongelovigen, verfoeilijken, moordenaars, ontuchtplegers, tovenaars en alle leugenaars: hun deel is in de poel die van vuur en zwavel brandt. Dit is de tweede dood.’
   Als we het boek van Govett bestuderen, zullen we hopelijk ontdekken hoe dit ons stimuleert anderen aan te moedigen het heil te zoeken bij de unieke Verlosser, die God in Zijn liefde aan de wereld geschonken heeft. Het is immers vreselijk als iemand op zo’n groot heil geen acht slaat. Vooral voorgangers van de gemeente zullen naar ik hoop een dergelijke drijfveer ervaren. Het gaat dan niet om wat lelijk wordt betiteld als hel- en verdoemenisprediking. Ik wil overigens niet ontkennen dat er door de loop der eeuwen heen door een deprimerende manier van preken veel schuld- en angstgevoelens zijn wakker geroepen. We moeten ons er diep voor schamen dat mensen op een dergelijke manier zijn mishandeld. Maar dan rest alleen de dringende vraag: hoe kan de boodschap van de Bijbel wel op een verantwoorde manier worden verkondigd?
   Mij heeft altijd aangesproken wat Paulus heeft geschreven aan de gemeente van Korinthe. Eerst stelt hij vast: ‘Wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus verschijnen, opdat ieder vergelding ontvangt voor wat hij door middel van zijn lichaam heeft gedaan, hetzij goed, hetzij kwaad.’ Wat zegt hij daarna? Zegt hij met grote bewogenheid: ‘Nu wij dus deze vrees voor de Heere kennen, bewegen wij de mensen tot angst?’ Nee, natuurlijk zegt hij dat niet! Maar hij verklaart: ‘Omdat we weten hoe ontzagwekkend God is, bewegen wij de mensen tot het geloof!’ (2 Kor. 5:10-11 - HSV) In deze verkondiging van het evangelie horen we van de liefde van de hemelse Vader: ‘God was het Die in Christus de wereld met Zichzelf verzoende en hun overtredingen niet toerekende.’
   Vervolgens zeggen we niet vlotweg dat het dus uiteindelijk met iedereen in orde komt. Maar wij zullen juist aandringen op een beslissing. De apostel geeft dan ook te kennen: ‘Wij zijn gezanten namens Christus, alsof God door ons smeekt. Namens Christus smeken wij: laat u met God verzoenen!’ (2 Kor. 5:19-20 - HSV)


G. Hette Abma
Gouda
6 maart 2015


Ds. G. Hette Abma was van 1983 tot 2012 als hervormd predikant verbonden aan de Sint-Janskerk te Gouda. Hij is op 29 maart 2016 overleden.