Deze tekst is auteursrechtelijk beschermd. De cijfers die tussen haakjes staan, zijn verwijzingen naar de voetnoten onderaan het excerpt.


Genade en verantwoordelijkheid


door Robert Govett


   Toen de eerste Adam zondigde, werd ook meteen zijn hele nageslacht schuldig aan die eerste zonde. En toen zij opgroeiden, werd bij iedereen de zondige natuur openbaar die zij hadden geërfd. Zelfs vóór de wet van Mozes was gegeven, heerste de dood over allen. De sterfelijke lichamen van de zondige mensen waren aan het verderf onderworpen (Rom. 5). Pijn, moeite en zelfs de dood deden hun intrede, ook in het leven van kinderen die zelf nog geen zonde hadden gedaan.
   In Zijn wijsheid besloot de Allerhoogste de zondigheid van de menselijke natuur aan het licht te brengen: Hij stelde Israël, Zijn aardse volk, op de proef. Als ze werden beproefd, als ze loon naar werken kregen, zouden ze dan door hun onberispelijke gehoorzaamheid het eeuwige leven voor zichzelf kunnen verdienen? De Here toetste hen. De uitkomst was dat de aangeboren zonde van alle gevallen mensen duidelijker openbaar werd. Israël zondigde nog meer dan de heidenen. Gods oordeel is uiteindelijk: ‘Zij (Joden en Grieken) zijn allen onder de zonde’ (Rom. 3:9; Gal. 3:22).
   Onder de wet waren de offers en de verzoening die door de priester voor bepaalde zonden moesten worden gedaan een schaduw van de vergeving. Maar de wet kon nooit iemand rechtvaardig verklaren en hem zo het eeuwige leven doen verwerven.
   De profeten spraken over een rechtvaardigheid die door God gegeven zou worden: verlossing en behoud voor Zijn volk (Jes. 45:24; 54:17; Jer. 23:6). Uiteindelijk verscheen de rechtvaardige Spruit uit het geslacht van David. Toen Johannes de Doper aan heel het volk Israël de boodschap verkondigde dat zij zondaren waren en gewassen moesten worden van hun ongerechtigheden, en dat zij dus niet door de werken der wet behouden konden worden, werd de weg voor de Heiland bereid. De Here maakte echter één uitzondering. Bij de doop van Jezus sprak de Vader: ‘Deze is Mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik Mijn welbehagen heb (…)’ (Matt. 17:5). De Geest van God daalde op Hem neer en rustte op Hem. Jezus ging uit en overwon door Zijn volkomen gehoorzaamheid de satan, die in het begin de mens had overwonnen.
   Vervolgens vergeeft Hij als Here van de gerechtigheid - zelfs als Hij nog op aarde is en Hij Zijn offer voor de zonde nog niet heeft gebracht - de overtredingen van de mensen. Tot de verlamde te Kafarnaüm sprak Hij: ‘Houd moed, mijn kind, uw zonden worden vergeven’ (Matt. 9:2). Toen de schriftgeleerden zich afvroegen of een mens zo’n grote gave wel kon schenken, bewees Jezus dat Hij die macht echt heeft. In één ogenblik nam Hij de voelbare en zichtbare gevolgen van de zonde in het lichaam weg: ‘Sta op en wandel’ (9:5). En de man ging gezond naar huis.
   Tegen de vrouw die meer met zonde was bezoedeld dan haar medemensen, en daarom door iedereen een zondares genoemd werd, kon Hij zeggen: ‘Uw zonden zijn u vergeven. (…) Uw geloof heeft u behouden, ga heen in vrede!’ (Luc. 7:48, 50). Hij kon Zijn gastheer, de Farizeeër, voorhouden dat óók hij alleen uit vrije genade vergeving kon ontvangen. Dit zijn niet de enige voorbeelden. Jezus getuigt vaak dat Hij is gekomen om alle zonden te dragen die de mensen in woorden en daden hebben gedaan, met uitzondering van de lastering tegen de Heilige Geest.[1]
   Er is echter een moeilijkheid. Hoe kunnen zonden vergeven worden door een God die volkomen rechtvaardig is? Moet de vergeving niet komen van een God die volkomen barmhartig is? Hoe kunnen genade en gerechtigheid elkaar ontmoeten? De Schrift geeft het antwoord op die vraag. De Heilige Geest openbaart ons de wijsheid en macht van God in onze verlossing. De God van genade rechtvaardigt de goddelozen door Zijn Zoon, onze Plaatsvervanger. ‘(…) in naam van Christus vragen wij u: laat u met God verzoenen. Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem’ (2 Kor. 5:20, 21). Jezus heeft tijdens Zijn leven al een voorbeeld gegeven van deze heerlijke plaatsvervanging voor Zijn volk. De gerechtsdienaren kwamen met fakkels en wapens om Hem én Zijn discipelen te grijpen. De verrader en zijn handlangers naderden de hof. Toen trad Jezus naar voren en vroeg wie ze zochten. Ze antwoordden: ‘Jezus, de Nazarener.’ Ze konden Hem echter niet grijpen zonder Zijn toestemming. Integendeel. Als zondaren die de Rechtvaardige overvielen, als vijanden die de Gezalfde van de Here aanvielen, deinsden ze terug en vielen ter aarde (Ps. 9:4; 27:2; 35:4; 70:3). Hij gaf Zichzelf aan hen over op deze voorwaarde: als ze Hem gevangen wilden nemen, moesten ze de discipelen laten gaan. Zo ontkwamen de elf discipelen en werd Jezus in hun plaats veroordeeld en gedood.[2] Ik zal met behulp van de volgende punten proberen de huidige positie van de gelovige te beschrijven:
   (1) De vergeving van zonden; (2) de gerechtigheid van God; (3) onze plaats in Christus; (4) het getuigenis dat wij gered zijn; (5) de zinnebeeldige rituelen; (6) enkele typen van onze redding.


Voetnoten:

[1] Dat het vandaag de dag vrijwel onmogelijk is dat men deze zonde begaat, kunt u lezen in ‘Vraag en antwoord 44 - De onvergeeflijke zonde’ in Vraaggesprekken rond het evangelie, door Watchman Nee (Importantia, Dordrecht, 2009), pag. 160-165. - E. M.

[2] Hier vinden we ook een verwijzing naar Deuteronomium 12:6-7. Daar staat het volgende gebod: als de moedervogel en de jongen samen in het nest aangetroffen werden, mochten ze niet allebei meegenomen worden. De moeder moest vrijgelaten worden. Israël zou dat gebod weliswaar niet houden, maar de Heiland laat zien dat Hij de macht heeft om Zichzelf te verlossen, als Hij dat zou willen. Hij was de ‘oudervogel’ en de wet verklaarde dat Hij vrijuit mocht gaan. De discipelen waren zondaren en het zou billijk zijn als zij gegrepen werden. Jezus geeft echter Zijn eigen recht om vrijuit te gaan op, zodat zij vrijuit kunnen gaan. ‘De moeder zult gij in elk geval laten wegvliegen, maar de jongen moogt gij meenemen.’ Zij zouden Christus grijpen, ondanks de waarschuwing die uitging van hun val. Maar als de oudervogel gegrepen was, mochten de jongen vrijuit gaan. Hier wordt feitelijk een dreigement verbonden aan de overtreding van dit gebod: ‘(…) opdat het u wél ga en gij lang leeft.’ De gevangenneming van Jezus was een teken van de val van de natie, die nu op handen was. En hoe spoedig werden de dagen van de verrader afgesneden!