Deze tekst is auteursrechtelijk beschermd. Verklarende voetnoten en verwijzingen zijn in deze webversie verwijderd.

De opname


door D. M. Panton


Voorwoord bij de Nederlandse vertaling

   D. M. Panton verdedigt in dit boekje de leer van de selectieve of partiële opname die zegt dat sommige heiligen vóór de grote verdrukking opgenomen worden, terwijl andere heiligen door de grote verdrukking heen moeten gaan; een leer die de meeste christenen niet aanhangen vanwege hun visie op (1) de gemeente (ecclesiologie), (2) de verlossing (Watchman Nee onderscheidt maar liefst zes verschillende soorten behoud, waarvan ‘eeuwig leven uit genade’ - dat men niet meer verliezen kan - er slechts één van is - vertaler), (3) de bruid van Christus, (4) ‘loon naar werken’, enzovoort. Toegegeven, het is geen eenvoudige materie, maar om aan te tonen dat sommige punten van kritiek toch wel wat zwak zijn, noem ik hier slechts een van de drie belangrijkste punten van kritiek die tegen deze visie worden aangevoerd, zoals verwoord door John F. Walvoord, namelijk dat deze leer ‘het lichaam van Christus verdeelt’.
   In Bibliotheca Sacra (de Millennial Series, 1949-1956) schrijft hij in het juli/september nummer van 1955: ‘Er is geen enkele bijbelse rechtvaardiging voor het verdelen van de goddelijke eenheid van het lichaam van Christus, dat organisch (mijn cursivering, vertaler) verenigd is met Christus en alle medegelovigen. Een verdeling als deze, die de aanhangers van de partiële opname voorstellen, is ondenkbaar in het licht van de leer van het ene, verenigde lichaam.’ Watchman Nee werpt tegen: ‘Men moet wel bedenken dat het woord ‘lichaam’ een wijze van spreken is om eenheid in leven uit te drukken. De gemeente deelt hetzelfde leven. Als het lichaam letterlijk genomen moet worden, is er vandaag al een scheiding, omdat de Here in de hemel is, Paulus al gestorven is, wij nog op aarde leven en sommige gelovigen nog geboren moeten worden.’
   Ik noem hier nog enkele bekende christenen die aanhangers waren van de partiële opname: Hudson Taylor, G. H. Lang, Robert Govett, Robert Chapman, G. H. Pember, Ira E. David, Anthony Norris Groves, John Wilkinson, G. Campbell Morgan en Otto Stockmayer. Deze lijst is verre van volledig, en ik besef dat het een argumentum ad verecundiam is (een beroep op autoriteit), maar het toont aan dat een leer die door de meerderheid van de christenen als heterodox (een leer die afwijkt van de algemeen aanvaarde leer - vertaler) wordt gezien, ook aangehangen wordt door christenen die door dezelfde meerderheid als godsmannen worden beschouwd. Veel christenen zijn wel bekend met het levenswerk van sommigen van deze gelovigen (waarvan Hudson Taylor waarschijnlijk de bekendste is), maar niet met hun visie op de eschatologie.
   Andersom kun je natuurlijk niet zeggen dat als een leer heterodox is, hij om die reden dus wel onjuist moet zijn. Die drogreden wordt nogal eens gebruikt om een leer als ongeloofwaardig weg te zetten, maar zo werkt het natuurlijk niet. Dat leert ons de kerkgeschiedenis ook. God heeft immers ondergesneeuwde waarheden vaak door enkelingen weer bij het grote publiek bekendgemaakt, waarna ze van heterodox in orthodox veranderden.

   (De tekst die nu volgt is een samenvatting van het hoofdstuk ‘Who are we?’ uit het boekje Back to the Cross, van Watchman Nee)

   'In 2 Petrus 1:12 lezen we: ‘(…) de waarheid, die bij u is (…)’, dat in de grondtekst eigenlijk ‘de tegenwoordige’ (of onderhavige) waarheid is (SV, TNT), en dat ook uitgelegd zou kunnen worden als ‘de waarheid van vandaag’.
   Wat is de waarheid van vandaag? Alle waarheden staan in de Bijbel. Er is geen goddelijke waarheid die niet in Gods Woord gevonden wordt. Maar hoewel alle waarheden in de Bijbel staan, bleven veel van die waarheden toch heel lang begraven in Gods Woord, verborgen voor de mensen, vanwege de dwaasheid, ontrouw, onverantwoordelijkheid en ongehoorzaamheid van mensen. Deze waarheden waren wel aanwezig, maar de mensen konden ze niet zien en ‘smaken’. Maar in ‘de volheid des tijds’, wanneer God de tijd er rijp voor acht, haalt Hij sommige waarheden in een bepaalde periode weer tevoorschijn; Hij haalt ze als het ware onder het stof vandaan en zorgt ervoor dat ze opnieuw geopenbaard worden. Maar het zijn geen nieuwe waarheden; God schept geen nieuwe waarheden meer; het zijn ook geen volkomen nieuwe ontdekkingen van mensen. Nee, deze waarheden zijn geen menselijke uitvinding, zij zijn alleen opnieuw ontdekt. Door de eeuwen heen heeft God verschillende waarheden geopenbaard. Maar op een bepaald moment, vaak jaren of eeuwen later, staat Hij toe dat mensen ze herontdekken. En dat is wat we in de kerkgeschiedenis zien.
   Bijvoorbeeld: in de zestiende eeuw wekte God Maarten Luther op en zorgde ervoor dat hij ging zien wat ‘rechtvaardiging door geloof’ is. Luther werd vervolgens Gods uitverkoren werktuig voor het verspreiden van die waarheid. Maar dat betekende niet dat de waarheid van rechtvaardiging door het geloof er vóór Luther niet was; de leer bestond al lang voordat de hervormer het levenslicht zag. Maar Luther werd degene die het meeste inzicht in deze waarheid kreeg, en zo werd deze leer de ‘tegenwoordige’ waarheid voor die ‘periode van herontdekking’ in het Duitsland van de zestiende eeuw.
   Na Luther zijn er verschillende perioden in de kerkgeschiedenis aan te wijzen waarin oude waarheden herontdekt werden. Het voert te ver om ze allemaal te noemen, dus ik beperk me tot het noemen van een aantal namen en groepen en de waarheden die zij herontdekten: Lhotka’s en Anabaptisten (doop door onderdompeling), Philip Jacob Spener (het praktiseren van 1 Kor. 14), de Moravische Broeders (zending - vooral Leonard Dober en David Nitschmann), Miguel de Molinos, Madame Guyon en aartsbisschop Fénelon (sterven met Christus, eenheid met de wil van God, zelfverloochening en het ‘diepere’ leven), Gottfried Arnold (de nieuwtestamentische blauwdruk van de gemeente); later verenigden deze twee stromingen zich (die van het diepere leven en de nieuwtestamentische blauwdruk) en daaruit ontstonden in de zeventiende en achttiende eeuw de zogenaamde Filadelfiagroepen (zie Openb. 3:7-13 - broederlijke liefde). Deze groepen hadden vanaf 1670 een krachtig getuigenis in Leeds, Belford, en vele andere plaatsen in Engeland.
   Dan is er ook nog de stroom van opwekkingen die in de tijd van de gebroeders Wesley ontstond. Dat was feitelijk het begin van de Methodistenkerk.
   Als we naar de negentiende eeuw kijken, komen we namen tegen als John Nelson Darby, Edward Cronin, Anthony Norris Groves en anderen - de beweging van de Broeders. Deze broeders zagen in dat veel dingen in de kerk slechts levenloze rituelen waren. Zij vroegen God om hen de ware, bijbelse gemeente van God te openbaren. Deze beweging kende bekwame bijbeluitleggers, zoals William Kelly, C. H. Mackintosh, John Newton, J. G. Bellett en anderen. De Broeders kregen licht op de eenheid van het lichaam. Zij zagen dat de verdeling in denominaties niet Gods wil is, en dat de gemeenten niet volgens menselijke ideeën georganiseerd moesten worden, maar dat de Heilige Geest de leiding moest hebben. De Broeders ontdekten nog meer. Denk aan de profetische interpretatie aangaande het Duizendjarig Rijk, de opname, het boek Daniël, het boek Openbaring, enzovoort.
   De Broeders zagen ook duidelijk het verschil tussen de profetieën aangaande de Joden en de gemeente - in die tijd een grote verdienste van hen. Want destijds werden die profetieën door elkaar gehaald en dacht men dat al deze profetische woorden voor de Joden al in de gemeente vervuld waren. In die tijd stonden ook mannen op als Charles Stanley en George Cutting. Maar het was Robert Govett die de waarheid van ‘loon voor de gelovige’ zag. Hij herontdekte het feit dat hoewel mensen gered worden door geloof, elke gelovige een beloning van God krijgt, overeenkomstig zijn werken. Govett zag dat gered zijn een zaak van geloof is, maar dat loon een kwestie van een goede levenswandel is.
   Spurgeon zei eens dat Govett een eeuw voor zijn tijd schreef omdat wat hij predikte te diep was. Het was dezelfde Govett die nog twee waarheden openbaarde, namelijk (1) dat christenen uitgesloten kunnen worden van het Duizendjarig Rijk, zodat zij dus ijverig en trouw moeten zijn en (2) dat niet alle gelovigen vóór de grote verdrukking opgenomen worden, wat betekent dat alleen overwinnende, trouwe gelovigen deel zullen hebben aan het Koninkrijk. We kunnen ook nog namen noemen als George Müller, A. J. Gordon en A. B. Simpson (gebed, geloof en genezing - Simpson zag genezing overigens vooral als het overwinnen van lichamelijke zwakheden door het inwonende opstandingsleven), Pearsall Smith (het innerlijk leven), Andrew Murray en Evan Hopkins (in zekere zin de opvolgers van Madame Guyon), Charles Trumbull (het overwinningsleven), Jessie Penn-Lewis (geestelijke strijd), T. Austin-Sparks (de overwinnaars). De overwinnaars vertegenwoordigen de hele gemeente; zij zijn de voorhoede die op het fundament van ‘de dood van het ik’ staat; het zijn de priesters die op de bodem van de rivier blijven staan, totdat de hele gemeente de overkant bereikt heeft. Hun relatie tot de gemeente is als de relatie tussen Sion en Jeruzalem. Alle eisen die God stelt aan Jeruzalem, komen eerst bij Sion terecht (Sion is een van de heuvels van Jeruzalem, en is sterk verbonden met het leven van David - vertaler), en het verkrijgen van Sion is het verkrijgen van Jeruzalem. Als God Sion en Jeruzalem verkregen heeft, is Zijn hart bevredigd.'

   (Hier eindigt de tekst uit Back to the Cross van Watchman Nee)

   Met betrekking tot de tweeledigheid van Gods waarheid over de opname (vóór en aan het einde van de grote verdrukking), schreef Robert Govett eens: ‘De Schrift is tweeledig van aard, net als de God die haar gaf. Een schijnbare tegenstrijdigheid in het Woord van God is vaak toe te schrijven aan het feit dat de waarheid twee kanten heeft. Uit deze tweeledigheid van de waarheid komen problemen voort die God bewust ontworpen heeft. Zo beproeft Hij de mensheid, en in het bijzonder Zijn volk. Zullen zij beide verklaringen van Hem aangaande deze waarheid aanvaarden? De meesten zullen dat niet doen, omdat zij eenzijdig denken. Zij worden ongeduldig als zij de vele ‘breuklijnen’ in de ‘strata’ van de Schrift ontwaren. Zij kunnen niet met die diversiteit omgaan en willen er een eenvoudige eenheid van maken.’
   Mogen wij dan zeggen dat de leer van de selectieve opname een ondergesneeuwde waarheid is die begraven blijft vanwege onze neiging tot eenzijdigheid? Die vraag mag de lezer zelf beantwoorden.