Deze tekst is auteursrechtelijk beschermd. Voetnoten en verwijzingen zijn in deze webversie verwijderd.



De interpretatie van het boek Openbaring

door Robert Govett


Hoofdstuk 1 - De interpretatie van het boek Openbaring

   Op pagina 465 van zijn boek The Approaching End of the Age daagde ds. Grattan Guinness iedereen uit om met hem in debat te gaan over twee punten die betrekking hadden op de titel van zijn boek: (1) de letterlijke of symbolische interpretatie van het boek Openbaring, en (2) de jaar-dag-theorie. Hij was van mening dat een openlijke discussie van deze punten, in de media of op het podium, eenvoudig zou zijn en nuttig voor de gelovigen, en dat een debat duidelijk zou maken wat de waarheid was.
   Omdat ik het met hem eens was, schreef ik hem een brief waarin ik de uitdaging aannam. Hij antwoordde dat hij het debat moest uitstellen, omdat hij aan de vooravond van een verre reis stond; hij wilde enkele zendingsposten bezoeken. Dat was feitelijk een afwijzing. Maar hoewel de controverse daardoor nu anders vormgegeven wordt, kan zij toch besproken en beslist worden. Met het oog op dat eindresultaat worden de nu volgende pagina’s ter overweging aangeboden aan mijn broeders in het geloof, tot eer en zegen van onze God.
   Ik wil erop wijzen dat in deze discussie geen enkele van mijn woorden denigrerend bedoeld zijn wanneer ik mijn broeder aanspreek. Ik doe op geen enkele wijze afbreuk aan het karakter van mijn broeder, die immers predikers van het kruis uitzendt naar verre oorden, een werk dat mijn hart zeer verheugt. Wij zijn het met elkaar eens wat betreft de grote centrale waarheden van het christelijk geloof, en het geloof in de wederkomst van Christus vóór het Duizendjarig Rijk.
   Ik begin dan nu met mijn onderwerp. Van de twee onderwerpen die worden voorgesteld als discussiepunt, is er één niet zo belangrijk, zodat ik die laat rusten. De grote vraag is: VOLGENS WELK PRINCIPE MOET HET BOEK OPENBARING VERKLAARD WORDEN? Moet het gezien worden als een ‘verzegeld boek’, een symbolisch boek? Of moet het, zoals ik verklaar, en denk te kunnen bewijzen, hoofdzakelijk letterlijk genomen worden? Als dat zo is, moet de jaar-dag-theorie afgewezen worden. Die visie komt voort uit het geloof dat Openbaring een voortgaande geschiedenis is van de christelijke kerk. Maar als dat zo is, en de bedeling van de gemeente dus al bijna 2000 jaar duurt, lijkt de duur van 1260 dagen nogal onbeduidend te zijn. Daaruit komt weer het idee voort dat de dagen wellicht als jaren moeten worden gezien. Maar als het profetische deel van Openbaring nog niet begonnen is, en niet beginnen kán voordat de gemeenten van Christus niet langer erkend worden door God (als getuigen op aarde), betekent dat het einde van de jaar-dag-theorie. De dagen in Openbaring zijn letterlijke dagen.
   Dhr. Guinness en anderen onderscheiden de conflicterende principes van interpretatie als PRESENTISTISCH en FUTURISTISCH. Dit zijn wel belangrijke eigenschappen van de twee systemen, maar er is nog een diepere laag. Naar mijn mening - en ik hoop de juistheid ervan aan te tonen - is de belangrijkste vraag of in het boek Openbaring oordeelswonderen worden aangekondigd als een kenmerk van de eindtijd. Ik verklaar dat dat het geval is, en ik zal dat ook bewijzen. Maar als dat zo is, dan is dat het einde van de presentistische of historische interpretatie.
   Allereerst een opmerking over de hoeveelheid ‘mysterie’ of ‘verborgenheden’ en ‘letterlijkheid’ in Openbaring.
   De naturalistische of historische uitlegger erkent dat hoewel het boek ‘symbolisch’ is, het ook delen bevat die letterlijk opgevat moeten worden. De letterlijke of supranaturalistische uitlegger erkent dat sommige delen van het boek niet letterlijk gelezen moeten worden. Het conflict concentreert zich dus rond de vraag hoeveel van het boek letterlijk gelezen moet worden, hoeveel symbolisch, en hoe we de twee uit elkaar kunnen houden. Ik neem dus aan en zal proberen te bewijzen dat het overgrote deel van het boek letterlijk opgevat moet worden, en dat de mystieke interpretatie alleen daar van toepassing is waar een letterlijke uitleg moreel en metafysisch tot absurde conclusies zou leiden.
   Vervolgens wil ik bezwaar maken tegen de termen ‘symbool’ en ‘symbolisch’, en vraag ik hen die ze gebruiken hun betekenis te definiëren. Wat is een symbool?
   Laten wij bij het bespreken van bijbelse onderwerpen toch vooral zo veel mogelijk bijbelse termen gebruiken. Het boek Openbaring spreekt niet van ‘symbolen’, maar gebruikt een ander woord; het spreekt meer dan eens over ‘geheimenissen’.
   Laten we eens kijken naar de teksten waarin het woord gebruikt wordt:
   1. Johannes ziet in de hand van de Heiland zeven sterren, en de Heiland wandelde tussen zeven gouden kandelaren (of beter ‘lampstandaarden, en lampen’). Nu lezen we over deze twee voorwerpen het volgende: ‘Het geheimenis der zeven sterren, die gij gezien hebt in Mijn rechterhand, en de zeven gouden kandelaren: de zeven sterren zijn de engelen der zeven gemeenten, en de kandelaren zijn de zeven gemeenten’ (Openb. 1:20).
   2. In Openbaring 17 lezen we over een vrouw die gehuld is in purper en scharlaken: ‘En op haar voorhoofd was een naam geschreven, een geheimenis: het grote Babylon, moeder van de hoeren en van de gruwelen der aarde’ (v. 5). Daarna komt de verklaring: ‘En de vrouw, die gij zaagt, is de grote stad, die het koningschap heeft over de koningen der aarde’ (v. 18).
   Uit deze voorbeelden lijken wij te kunnen concluderen dat een ‘geheimenis’ in dit boek twee ‘plaatsen’ of ‘verschijningsvormen’ heeft. Wanneer het verwijderd is van zijn huidige en feitelijke locatie, wordt het als een embleem of symbool weergegeven. Wanneer het besproken of gezien wordt in zijn gebruikelijke plaats, wordt het als letterlijk beschreven en behandeld.
   De gemeenten en de voorgangers van Christus hebben twee plaatsen: (1) in de hemel, in relatie tot het hemelse heiligdom waarover Jezus de verrezen Priester is, en waarvan Mozes’ tabernakel op aarde een kopie was. Daar verschijnen zij als kandelaren en sterren; (2) maar Jezus verklaart ze door hun huidige en feitelijke plaats op aarde te noemen; en dan zijn zij gemeenten, en engelen van gemeenten. In de hemel zijn zij lampen en sterren, want zij verlichten de engelen inzake Gods rijke en veelkleurige wijsheid (Ef. 3:9-10). Maar op aarde zijn zij een vergadering van gelovigen.
   Babylon heeft dus twee plaatsen, twee locaties: (1) haar letterlijke plaats was aan de rivier de Eufraat, waar zij in het begin gebouwd werd, en waar zij eenmaal weer herbouwd zal worden. Daarom wordt Babylon in Openbaring 18 als de letterlijke stad weergegeven; (2) maar vandaag, in de tijd van het geheimenis van Gods lankmoedigheid, wordt de plaats van Babylon ingenomen door een andere stad. De vorm en de locatie zijn gewijzigd, maar de geest erachter is nog steeds die van het oude en letterlijke Babylon. Daarom wordt Babylon ons hier symbolisch getoond als een vrouw, wier geestelijke eigenschappen hun schaduw vooruitwerpen in hoofdstuk 17. Het Babylon van hoofdstuk 17 is Rome. Wat met de vrouw bedoeld werd, moest uitgelegd worden; en die uitleg wordt gegeven. Het blijft het mystieke Babylon alleen gedurende de tijd van ‘het geheimenis van God’. Wanneer dat geheimenis voleindigd is, zullen de tien koningen van de antichrist het mystieke Babylon (Rome) verbranden; het overblijfsel van de verwoeste stad keert terug naar het letterlijke Babylon; en het letterlijke volk van God (Israël) keert terug op het toneel.
   Er zijn dus twee verwoestingen van Babylon, want er zijn twee Babylons die verwoest moeten worden: (1) het mystieke Babylon wordt verbrand door de valse Christus en zijn tien koningen, die beschreven worden in hoofdstuk 17 in de vorm van koppen en horens; (2) maar er is een tweede verwoesting van Babylon in hoofdstuk 18, die heel plotseling komt en direct door de hand van God. Door een aardbeving wordt het letterlijke Babylon in de diepten der aarde geworpen, nadat zij de hoofdstad van de wereldhandel geworden is. Rome is dat echter nooit geweest en zal dat ook nooit worden.
   Dat geldt ook voor de geheimenissen van hoofdstuk 18. De vrouw in dat hoofdstuk is geen letterlijke vrouw. Het is een stad. Ook is het Babylon dat daar genoemd wordt niet het letterlijke Babylon. Het is het mystieke Babylon dat ons in hoofdstuk 17 getoond werd. Het oude, letterlijke Babylon is gedurende deze bedeling vervangen door een stad die wat het geestelijk aspect betreft moreel gezien één is met haar.
   Want nu is het de tijd van Gods lankmoedigheid en genade. ‘(…) maar in de dagen van de stem van de zevende engel, wanneer hij bazuinen zal, is ook voleindigd het geheimenis van God (…)’ (Openb. 10:7).
   Hoeveel ‘geheimenissen’ zijn er in dit boek? Dat is niet eenvoudig te zeggen. Maar ik denk dat we wel kunnen stellen dat er ten hoogste veertig zijn, waarvan de helft al direct wordt verklaard. ‘(…) gouden schalen, vol reukwerk; dit zijn de gebeden der heiligen (Openb. 5:8). Hier zien we de twee plaatsen van het onderwerp of object. (1) In de hemel worden de gebeden gezien als schalen vol reukwerk. (2) Met betrekking tot de aarde zijn het de letterlijke gebeden van de heiligen. Er blijven zo niet meer dan twintig onverklaarde geheimenissen over, gemiddeld nog niet één per hoofdstuk. Geheimenissen zijn dus niet het hoofdbestanddeel van Openbaring, zodat het in zijn algemeen niet voor een geheimzinnig of zinnebeeldig boek gehouden moet worden.
   Laten we dan nu eens naar de NATURALISTISCHE INTERPRETATIE gaan kijken, en dan vooral die welke door dhr. Guinness aanvaard wordt.
   Deze theorie stelt dat (1) Openbaring een voortgaande geschiedenis van de gemeente is; (2) dat de vervulling van het profetische deel van het boek al begon in de dagen van Johannes; (3) dat de zegels de neergang van het heidense Romeinse Rijk uitbeelden; (4) dat de ‘regenboog-engel’ in hoofdstuk 10 en de twee getuigen in hoofdstuk 11 de Reformatie aankondigen; (5) dat de plagen slechts politieke gebeurtenissen voorstellen en dat wij nu in de tijd van het zesde zegel leven; (6) dat het boek aan de hand van de ongewijde geschiedenis verklaard moet worden; en (8) dat de pausen de mens der zonde zijn, de antichrist, het beest van de Apocalyps.

   Zijn deze dingen alzo?

   ‘De Openbaring is een voortgaande geschiedenis van de gemeente.’ In welke zin spreekt u hier over ‘de gemeente?’ Bedoelt u de vergadering in de Heilige Geest van het ene mystieke lichaam van Christus in deze bedeling? De geestelijke leden die door de Heilige Geest verenigd zijn met Christus, het verrezen Hoofd? Nee! Want dát lichaam wordt door de ongewijde geschiedenis niet behandeld. Bedoelt u de verschillende vergaderingen van gelovigen die verspreid zijn over heel de wereld? Nee! Want eeuwenlang waren er geen vergaderingen van gelovigen die Christus kon erkennen als lampen of lichten in de hemel, of als groepen van levende getuigen van Hem op aarde. U bedoelt dus de geschiedenis van het christendom, of van de christelijke bedeling.
   Bewijst het beroep op de geschiedenis dus dat Openbaring is vervuld? In geen geval. IJverige mensen, goed bekend met de geschiedenis, hebben geprobeerd de vervulling van de profetieën in dit boek te bewijzen, en zij zijn daar niet in geslaagd. De visies van hen die Openbaring hebben bestudeerd in het licht van de geschiedenis, lopen zeer uiteen. Als we de hoofdstukken nemen waarvan de aanhangers van de allegorische of symbolische uitleg nagenoeg allemaal denken dat zij vervuld zijn, ontdekken wij vele gaten in hun uitleg, zoals ik al aangetoond heb in mijn boek The Locusts, the Horsemen, and the two Witnesses. De algemene visies van de historische uitleggers heb ik al uitgebreid behandeld in mijn boek The Apocalypse Expounded by Scripture, waarin ik heb aangetoond hoezeer zij tekortschieten in de details.
   Laat ik hier slechts een of twee punten aanstippen. De Openbaring (9:5-6) bevestigt dat er een tijd zal komen waarin de bewoners der aarde vijf maanden lang gestoken worden door wezens uit de bodemloze put, waarbij zij zo vreselijk gepijnigd zullen worden dat zij de dood boven het leven verkiezen, maar zij zullen niet in staat zijn om zelfmoord te plegen of de dood te vinden. Heeft een dergelijke situatie zich ooit voorgedaan? Niet alleen in de christelijke bedeling, maar sinds de wereld bestaat? Indien niet, dan zijn alle theorieën over de sprinkhanen als zijnde de Saracenen onjuist. Zijn er ooit tweehonderdmiljoen ruiters uit de Eufraat opgekomen om het derde deel van de mensheid te doden? (9:16-18) Indien niet, dan zijn dit oordelen van God, en een staat der dingen onder de mensen, die nog nooit in de geschiedenis gerealiseerd is, zodat de naturalistische of historische interpretatie onjuist is.