Deze tekst is auteursrechtelijk beschermd.



Kom, Here Jezus

door Watchman Nee


Hoofdstuk 1



1:1-3 - Introductie


Dit gedeelte wil ons een aantal dingen duidelijk maken, te weten: (1) de betekenis van de openbaring, (2) de manier waarop de openbaring gegeven wordt en (3) het belang van de openbaring.

(1) De betekenis van de openbaring. ‘De openbaring van Jezus Christus’ - Er is een verschil tussen openbaring en inspiratie. Openbaring is wanneer God de bedekking wegneemt, zodat de mensen iets kunnen zien; inspiratie is de leiding van God in de mens. Het zinnetje ‘de Openbaring van Jezus Christus’ heeft een dubbele betekenis: (a) het is Jezus Christus zelf die de dingen openbaart die weldra moeten geschieden - dat zijn de dingen die in dit boek beschreven staan; en (b) dit boek openbaart ons Jezus Christus zelf - het toont ons hoe Jezus zal overwinnen, hoe Hij eer zal ontvangen en hoe Hij Koning zal worden.

(2) De manier waarop de openbaring wordt gegeven:

(a) ‘God gaf hem (de openbaring) aan Christus’ - Hier wordt ons de rangorde in het universum getoond. God is de hoogste: ‘En al deze dingen zijn uit God’ (2 Kor. 5:18 - SV). We zien ook dat de Here zelfs na Zijn hemelvaart Zijn positie als dienstknecht niet heeft opgegeven. Zoals Hij op aarde was, zo is Hij ook in de hemel (zie Joh. 5:19-20; 12:49-50; Marc. 13:32). Het is niet zo dat Hij nu graag een andere positie wil bekleden omdat Hij in de heerlijkheid is. Hoe anders dan de gevallen aartsengel is onze Here (Ez. 28:11-19).

(b) ‘En welke Hij door de zending van zijn engel … heeft te kennen gegeven’ - De meeste bijbelse geschriften kwamen tot ons door engelen (Hand. 7:38; Hebr. 2:2), want engelen zijn dienende geesten (Hebr. 1:14).

(c) ‘Te kennen gegeven’ - Dit is het aankondigen of duidelijk maken van wat komen gaat.

(d) ‘Deze heeft van het woord Gods getuigd en van het getuigenis van Jezus Christus, en van alles wat hij gezien heeft’ - Johannes schrijft op wat hem geopenbaard wordt en geeft het aan ons door. Wat hij doorgeeft is het Woord van God en het getuigenis van Jezus Christus.

(3) Het belang van de openbaring:

(a) ‘Hetgeen weldra moet geschieden’ - ‘Moet’ betekent dat het niet kan worden veranderd. ‘Weldra geschieden’ spreekt van wat niet uitgesteld mag worden. Maar wij veronachtzamen deze dingen en schuiven alles voor ons uit.

(b) ‘Om zijn dienstknechten te tonen’ - Deze openbaring is niet voor een handjevol mensen bestemd, maar voor alle dienstknechten. Het woord ‘dienstknechten’ is eigenlijk ‘slaven’ in de grondtekst. Wij zijn allemaal slaven van de Here omdat Hij ons met Zijn bloed heeft gekocht (1 Kor. 6:20).

(c) Hier is een belofte: ‘Zalig hij, die voorleest, en zij, die horen de woorden der profetie, en bewaren, hetgeen daarin geschreven staat, want de tijd is nabij’ (vers 3). Dezelfde belofte komen we tegen in 22:7, maar daar is geen sprake van ‘lezen’ en ‘horen’, want als wij eenmaal aangekomen zijn in de tijd van hoofdstuk 22 hebben allen het gelezen en gehoord en is het dus alleen nog een kwestie van ‘bewaren’.
‘Want de tijd is nabij’ - ‘De tijd’ is de tijd van de wederkomst des Heren. Een tijd die vele aspecten kent (11:15-18). Maar hier verwijst het in het bijzonder naar de zegeningen die gelovigen zullen ontvangen.
Waarom zien wij het dan nu nog niet gebeuren als de tijd nabij is? Omdat de Here lankmoedig is jegens de wereld (2 Petr. 3:8-9). Een andere reden is dat de gelovigen nog niet bereid zijn; daarom moet die tijd nog aanbreken. Maar als wij zien hoe de wereld er aan toe is en in welke situatie de Gemeente van Christus zich bevindt, dan weten wij zeker dat de tijd nabij is.


1:4-5a Groet en zegen

‘Johannes aan de zeven gemeenten in Asia’ - Hoewel elk van de zeven gemeenten haar eigen brief krijgt, stuurt Johannes het hele boek in een keer naar alle zeven gemeenten in Asia. ‘Zeven’ is een volmaakt getal. De zeven gemeenten zijn een vertegenwoordiging van alle gemeenten. En daarom is de boodschap ook aan ons gericht. De groet lijkt op de groet die Paulus altijd gebruikte: ‘Genade zij u en vrede’. Maar de naam van de drie-enige God is hier anders dan in de andere nieuwtestamentische brieven: (a) ‘Van Hem die is en die was en die komt’ - Dat is Gods naam. Hij is gisteren, heden en tot in eeuwigheid dezelfde. De wereld zal een grote verandering ondergaan, maar God verandert nooit. Daarom blijven genade en vrede bestaan; (b) ‘En van de zeven Geesten, die voor zijn troon zijn’ - De uitdrukking ‘zeven Geesten’ betekent niet dat er echt zeven Geesten zijn (Ef. 4); het is slechts een aanduiding voor de veelvuldige werken van die ene Heilige Geest (Openb. 4:5, 5:6); (c) ‘En van Jezus Christus, de getrouwe getuige, de eerstgeborene der doden en de overste van de koningen der aarde’ - Dit zegt iets over het werk dat de Here op aarde heeft gedaan, hoe Hij overwon, en over de heerlijkheid die Hij zal ontvangen in de toekomst. Wij hebben een geweldige drie-enige God die ons genade en vrede schenkt.


1:5b-7 Lofprijzing

Wanneer Johannes in zijn schrijven op dit punt is aangekomen, kan hij niet anders dan uitbarsten in gejuich en lofprijs. Deze lofprijs heeft twee redenen: ‘Hem die ons liefheeft’ - De liefde van Christus heeft een tweeledige uitwerking: (a) met betrekking tot het verleden - ‘Die ons van onze zonden verlost heeft door zijn bloed’, en (b) met betrekking tot onze ervaringen in het heden en in de toekomst - ‘En Hij heeft ons tot een Koninkrijk, tot priesters van zijn God en Vader gemaakt’; wat wij nu ervaren zal eenmaal volledig gerealiseerd worden in de toekomst. En als wij daar zelf over nadenken, kunnen wij niet anders dan met Johannes uitroepen: ‘Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheden! Amen’.
Als Johannes nadenkt over de liefde die hij heeft ontvangen, hoe kan hij dan nalaten de Here te loven? Maar ondertussen ziet hij de situatie op aarde ten tijde van de wederkomst van Christus, en daarom geeft hij een waarschuwing in vers 7. ‘Zie’ is een oproep om extra aandacht te schenken aan wat volgt. ‘Hij komt met de wolken’ - Net zoals Hij in een wolk ten hemel voer, zo komt Hij ook terug in een wolk. Dit komt prachtig overeen met wat in Handelingen 1:9-11 staat. En dan: ‘Elk oog zal Hem zien, ook zij, die Hem hebben doorstoken; en alle stammen der aarde zullen over Hem weeklagen. Ja, amen’ - Deze woorden komen overeen met Mattheüs 24:30.


1:8 Het getuigenis van God

Hier getuigt God van zichzelf dat Hij dezelfde is, en dat Hij de Almachtige is. Hij zegt dit om ons te helpen Hem te vertrouwen in tijden van verdrukking.


1:9-19a Johannes beschrijft zijn omstandigheden

(1) Over zichzelf. ‘Ik, Johannes, uw broeder en deelgenoot in de verdrukking en in het Koninkrijk en de volharding in Jezus’ - Hoewel Johannes geweldige visioenen heeft gezien, noemt hij zichzelf nog steeds onze broeder. Hoe nederig is hij! Op dat moment wordt hij verdrukt, maar hij noemt ook het Koninkrijk; want wij moeten door vele verdrukkingen het Koninkrijk Gods binnengaan (Hand. 14:22). Omdat wij de hoop van het Koninkrijk hebben, moeten wij geduldig zijn. Dit geduld draagt dus de betekenis in zich van geduldig wachten op het Koninkrijk. ‘Uw deelgenoot’ wil zeggen dat allen in het Koninkrijk delen. Wij moeten dus allemaal delen in zowel de verdrukking als het geduld.

(2) Over zijn omstandigheden. ‘Ik … was op het eiland, genaamd Patmos, om het woord Gods en het getuigenis van Jezus’ - Hij werd op dat moment vervolgd om het Woord van God en hij werd verbannen naar een eiland. Hij was alleen en afgesneden van de buitenwereld, maar de Here was met hem. De hemel was geopend voor hem en hij ontving nieuwe openbaringen. Om die reden is verdrukking een grote zegen voor ons.

(3) De dag waarop Johannes het gezicht ziet was de dag des Heren, dat is de eerste dag van de week (zondag). Sommigen menen dat dit de ‘grote en doorluchtige dag des Heren’ is (Hand. 2:20; Jes. 13:9).1

(4) Zijn geest. ‘Ik kwam in vervoering des geestes’ (letterlijk: ‘Ik kwam in de Geest’) - Hoewel Johannes lichamelijk erg leed, was zijn geest sterk en actief.


1:10b-16 De verschijning van de verheerlijkte Christus

(1) Johannes hoorde een luide stem, als van een bazuin. De bazuin wordt geblazen om mensen te verzamelen. De Here roept Johannes speciaal op deze wijze om de zeven gemeenten aan te schrijven; gemeenten die ook echt bestonden in die tijd. Zij werden speciaal uitgekozen om te dienen als type van de Gemeente door de eeuwen heen.

(2) Vervolgens zag Johannes zeven gouden kandelaren (of lamphouders). De kandelaren zijn de zeven gemeenten (v. 20). God ziet de gemeenten als gouden kandelaren, en geestelijk gezien moeten de gemeenten ook zo zijn, want zij moeten deze donkere wereld verlichten voor God. Maar de kandelaren kunnen zelf geen licht produceren. Om licht te kunnen geven, moeten zij gevuld worden met olie en dus moeten de gemeenten vervuld worden met de Heilige Geest.

(3) ‘Iemand als eens mensen zoon’ - De Zoon des mensen bevond zich te midden van de kandelaren om de gemeenten te inspecteren (2:1). Hoe zag deze Man eruit? Hij zag eruit als een mensenzoon - Hij leek op een mens, waarmee eigenlijk gezegd wordt dat Hij er net iets anders uitzag dan toen Hij op aarde was. Daarom wordt het woord ‘als’ gebruikt. Zijn uiterlijk wordt als volgt beschreven:

(a) ‘Bekleed met een tot de voeten reikend gewaad’ - Dit spreekt van de heerlijkheid van de Here; de heerlijkheid die Hij had vóór Zijn incarnatie (Jes. 6:1). Hij heeft Zijn vroegere heerlijkheid teruggekregen. Het gewaad beeldt niet alleen Zijn oorspronkelijke heerlijkheid uit, maar is ook een teken van Zijn priesterschap, want vandaag is Hij onze Hogepriester (Hebr. 8:1).

(b) ‘En aan de borsten omgord met een gouden gordel’ - Dit getuigt van Zijn gerechtigheid en van Zijn trouw (Jes. 11:5).

(c) ‘En zijn hoofd en zijn haren waren wit als witte wol, als sneeuw’ - Dit betekent dat Hij heerlijkheid en heiligheid bezit (Spr. 16:31, 20:29; Dan. 7:9).

(d) ‘En zijn ogen als een vuurvlam’ - Dit vuur wordt gebruikt om te beproeven, te testen (1 Petr. 1:7), om alles wat goed of slecht is zichtbaar te maken. Zijn vurige ogen kijken overal dwars door heen; Zijn blik brengt alles aan het licht. Het vuur waaraan gerefereerd wordt in 1 Kor. 3:13 is het vuur van de ogen van de Here. Hetzelfde principe vinden we in 1 Kor. 4:5.

(e) ‘En zijn voeten waren gelijk koperbrons’ - Voeten worden gebruikt om te wandelen en koper is in de Bijbel een beeld van het oordeel. Overal waar de koperbronzen voeten gaan, voltrekt zich het oordeel. Omdat de Here nu met Zijn voeten in de Gemeente staat, oordeelt Hij eerst Zijn Gemeente (1 Petr. 4:17).

(f) ‘En zijn stem was als een geluid van vele wateren’ - Dit geeft aan dat Zijn stem vol van majesteit en kracht is (Ps. 29:4).

(g) ‘En Hij had zeven sterren in zijn rechterhand’ - Deze sterren zijn de engelen (of boodschappers) van de zeven gemeenten (v. 20). Het feit dat Hij hen in Zijn hand houdt, betekent dat zij door Hem gebruikt, geregeerd en beschermd worden.

(h) ‘En uit zijn mond kwam een tweesnijdend scherp zwaard’ - Dit zwaard wordt gebruikt om zowel de wereld als de Gemeente te oordelen (2:16, 19:15-21).

(i) ‘En zijn aanzien was gelijk de zon schijnt in haar kracht’ - De Here manifesteerde zich op dezelfde manier op de berg der verheerlijking (Matt. 17:2). De manifestatie op de berg der verheerlijking is een beeld van het Koninkrijk, want de heerlijkheid van de Here wordt geopenbaard in het Koninkrijk.


1:17-20 De Here geeft Johannes een opdracht

Elke keer wanneer de Here aan iemand verschijnt, heeft Hij een opdracht voor die persoon. En deze keer is het niet anders. ‘En toen ik Hem zag, viel ik als dood voor zijn voeten’ - De heerlijkheid van Christus is zo groot, dat Johannes bij het aanschouwen ervan als dood voor Zijn voeten valt. Dit gebeurde niet alleen met Johannes, maar ook met Jesaja (6:1-5), Job (42:5-6) en Daniël (10:2-9). Johannes was niet alleen gered, hij was ook degene die het dichtst bij de Here stond. Maar toen hij de Here der Heerlijkheid zag, viel hij als dood voor Zijn voeten neer. Wat zal er dan gebeuren met een ongered mens of een vleselijk christen wanneer deze de Here ziet? De Bijbel zegt duidelijk dat vlees het Koninkrijk van God niet kan beërven (Gal. 5:19-21) en dat de niet-wedergeborenen het niet kunnen zien (Joh. 3:3). Hoe betekenisvol is dit! Een vleselijk of onrein mens is absoluut niet in staat de Here der Heerlijkheid te aanschouwen. Ja, wanneer Christus straks terugkomt, zal Zijn heerlijkheid nog groter zijn dan vandaag. Geen wonder dat velen dan zullen bezwijmen van angst, en tot de bergen en de rotsen zullen zeggen: ‘Valt op ons en verbergt ons’ (Openb. 6:16; Luc. 21:26).
‘En Hij legde zijn rechterhand op mij en zeide: Wees niet bevreesd’ - Wat een genade! Hij is dan wel in de heerlijkheid, maar Zijn liefde is niet afgenomen. Als er in de toekomstige heerlijkheid geen liefde zou zijn, dan zou dat ons geen goed doen. De hand die eens op aarde menig zieke aanraakte, raakt ons ook vandaag nog aan; het Woord dat eens vele gebrokenen van hart vertroostte, spreekt nog steeds. Zijn hand en Zijn Woord vertroostten Johannes niet alleen, maar zij gaven hem ook kracht (zie ook Dan. 8:17-18, 10:9-10, 18-19). Een hand om kracht te geven en een woord om zich getroost te voelen. Toen Johannes zich realiseerde dat de liefde van de Here nog net zo was als vroeger, was hij niet meer bevreesd maar voelde hij zich juist gesterkt en getroost.
‘Ik ben de eerste en de laatste … en Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk - Hier zien we dat de Here Jezus twee middelen gebruikt om zichzelf te openbaren. Hij gebruikt:

(1) Zijn heerlijkheid. Zodra Johannes die zag, wist hij Wie hij voor zich had.

(2) Zijn Woord. Dit heeft betrekking op het innerlijk, op dat wat Johannes met zijn ogen niet kon zien. Daarom moest de Here woorden gebruiken om zichzelf te openbaren. Uit wat Hij zei, kunnen wij drie dingen afleiden over:

(a) Zijn positie. ‘Ik ben de eerste en de laatste’ - Dit is de titel van Jahweh in het Oude Testament (Jes. 41:4, 44:6, 48:12). Met deze titel zegt God dat Hij onveranderlijk is.

(b) Zijn leven. ‘Ik ben dood geweest, en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheden’ - Dit betekent dat Hij het eeuwige leven heeft. Hoewel Hij eens stierf voor de zonden van de mensheid, is Hij nu opgestaan; Hij zal nooit meer sterven omdat Hij voor altijd leeft.

(c) Zijn gezag. ‘En Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk’ - Laten we hier eens wat aandachtiger naar kijken. De ‘dood’ heeft betrekking op het lichaam, terwijl Hades in ‘verbinding’ staat met de ziel. Direct na het sterven gaat de ziel naar Hades. Hades betekent ‘lagere regionen’ - de onderwereld in het midden van de aarde (Matt. 12:40; Num. 16:30-33). Hades is onderverdeeld in twee afdelingen: de ene is de plaats van pijniging voor de verlorenen, de andere is de rustplaats voor de heiligen (Luc. 16:19-31). Maar die tweedeling is tijdelijk, want straks zal er een eeuwige scheiding zijn tussen de nieuwe hemel en de nieuwe aarde aan de ene kant, en de poel van vuur en zwavel aan de andere kant.

‘Sleutels’ worden gebruikt om deuren te openen, wat aangeeft dat de dood en Hades deuren hebben, die gesloten kunnen worden (Matt. 16:18; Hand. 2:24). Wie deze sleutels bezit, heeft ook gezag. Voorheen was het de satan die de macht had over de dood en Hades (Hebr. 2:14; Matt. 16:18), maar toen de Here uit de dood opstond, verloren de dood en Hades hun macht en gingen de sleutels van de deuren van deze plaatsen over in de handen van de Here. Wat een overwinning! Daarom is de Here ook in staat om bij de aanvang van het Duizendjarig Rijk allen die Hem toebehoren vrij te laten uit de dood en Hades.
‘Schrijf dan (of: dus, daarom) hetgeen gij gezien hebt en hetgeen is en hetgeen na dezen geschieden zal’ - De betekenis van ‘dus’ is dat de draad weer wordt opgepakt waar hij losgelaten was. De Here heeft overwonnen en daarom moeten deze dingen opgeschreven worden. Bovendien kunnen wij uit dit vers opmaken hoe het boek is onderverdeeld: (1) hetgeen gij gezien hebt (het verleden), (2) hetgeen is (het heden), en (3) hetgeen na dezen geschieden zal (de toekomst). ‘Gezien’ is voltooid verleden tijd en betekent dus dat iets al heeft plaatsgevonden. Dit verwijst naar het visioen dat Johannes in hoofdstuk 1 zag. ‘Hetgeen is’ verwijst naar de dingen die ‘nu zijn’ en dus zijn dat de dingen ‘die zijn’ ten tijde van de bedeling van de Gemeente (hoofdstuk 2 en 3). ‘Hetgeen na dezen geschieden zal’ verwijst naar de dingen die na het tijdperk van de Gemeente plaatsvinden. Alles tussen hoofdstuk 4 en hoofdstuk 19 beschrijft de dingen die komen gaan (het ‘na dezen’).
‘Het geheimenis der zeven sterren, die gij gezien hebt in mijn rechterhand, en de zeven gouden kandelaren: de zeven sterren zijn de engelen der zeven gemeenten, en de kandelaren zijn de zeven gemeenten’ - Ook al bevat Openbaring een groot aantal geheimenissen, toch worden het duidelijke openbaringen wanneer zij door het boek zelf worden verklaard. De kandelaren zijn de gemeenten; dat is duidelijk. De zeven sterren zijn de zeven engelen. Maar wie zijn deze engelen? Sommige uitleggers verklaren dat de engelen oudsten of voorgangers zijn. Maar als dat waar is, waarnaar verwijzen de gemeenten zelf dan, want hun engelen verwijzen immers naar iets anders? Als de gemeenten werkelijk gemeenten zijn, dan moeten de engelen ook engelen zijn. Bovendien zijn de engelen zelf de verklaring (interpretatie) van het geheimenis der sterren. Als wij de engelen op deze manier laten verwijzen naar oudsten of voorgangers, maken wij zelf van de engelen een nieuw geheimenis dat weer uitgelegd moet worden; dan interpreteren wij een geheimenis met een ander geheimenis.
Wij zijn er vrij zeker van dat de Here het zo niet bedoeld heeft. Wat zullen wij dan zeggen van de engelen? Het meest logische antwoord is: deze engelen zijn engelen, net zoals de gemeenten gemeenten zijn. Maar wat voor soort engelen zijn het? Want volgens de Schrift zijn er twee soorten engelen: engelen in de hemel (Matt. 22:30) en engelen in de vorm van menselijke boodschappers (Hag. 1:13). De engelen in ons vers kunnen geen hemelse wezens zijn omdat (a) de engelen in de hemel wel gemeenten kunnen dienen, maar geen verantwoordelijkheid kunnen dragen voor de gemeenten; (b) de engelen in de hemel zijn geestelijke wezens en kunnen dus geen (fysieke) brieven ontvangen; (c) de Here heeft dit boek door Zijn engel aan Johannes gegeven; zou een engel over zichzelf schrijven? En (d) de Here roept de engel te Smyrna op om trouw te zijn tot de dood (2:10), maar een engel in de hemel kan niet sterven.
Omdat deze engelen dus geen hemelse engelen zijn, moeten het menselijke boodschappers zijn. De Bijbel geeft ons daar ook voorbeelden van, zoals in 2 Kronieken 8:23 en Filippenzen 2:25. Een aspect dat wij nog niet genoemd hebben is het feit dat boodschappers vertegenwoordigers zijn. Zij kunnen de gemeenten vertegenwoordigen. Daarom worden zij weergegeven als sterren voor het aangezicht des Heren, want sterren geven licht. Door het licht dat zij geven, openbaren zij dus de geestelijke toestand van de verschillende gemeenten.
Het feit dat de sterren in de hand van de Here zijn, betekent dat zij door Hem gebruikt worden, en dat betekent weer dat zij gezag van de Here hebben ontvangen.


1Maar dat is onwaarschijnlijk. - Vertaler.